Rechtbank Den Haag, wraking civiel recht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:20744

Op 17 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een wraking procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/09/708742 KG RK 26-1047, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:20744. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/09/708742 KG RK 26-1047
Datum uitspraak:
17 July 2026
Datum publicatie:
24 July 2026

Indicatie

De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid om een griffier te wraken. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek jegens de griffier worden ontvangen.

Wrakingsverzoek tegen de rechter afgewezen.

Verzoeker heeft aan het verzoek tot wraking van de rechter ten eerste ten grondslag gelegd dat de rechter zou weigeren om stukken te (laten) toevoegen aan het digitale systeem. Dit betreft slechts een veronderstelling van verzoeker en aan het verzoek tot wraking zijn verder geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd (en deze zijn kennelijk ook niet zichtbaar) waaruit volgt dat dit daadwerkelijk het geval is.

Verzoeker vindt de rechter verder vooringenomen omdat deze voor de behandeling van de zaken drie uur heeft gepland, hetgeen te kort zou zijn voor een adequate behandeling. Dit betreft een regie-/ procesbeslissing.

Wrakingsverbod wegens misbruik.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2026/48

zaak- /rekestnummer: C/09/708742 KG RK 26-1047

Beslissing van 17 juli 2026

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek

dat is ingediend door

[verzoeker] ,

werkzaam te [plaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. J.J. Arts,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter,

en

mr. F.J.M. van den Berg,

gerechtsjurist in deze rechtbank,

hierna te noemen: de griffier.

1
Het wrakingsverzoek
1.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter en de griffier in de zaken met nummer 23-8480 t/m 23-8493, 24-1585, 24-1597, 24-1599, 24-1603, 24-1608, 24-1611, 24-1612, 24-1614 t/m 24-1616, 24-1618, 24-1620 t/m 24-1622, 24-1624, 24-1625, 24-2462, 24-2467, 24-2469, 24-2526, 24-2528 t/m 24-2530, 24-2534, 24-2535, 24-4153, 24-4159, 24-5404, 24-5800 t/m 24-5810, 25-2815 t/m 24-5820, 24-5822 t/m 24-5828, 24-5831 t/m 24-5839, 24-5841 t/m 24-5855, 24-5864 t/m 24-5887, 24-6419, 24-8676, 24-8806, 24-9054, 24-9074, 14-9076, 24-9078, 24-9085, 24-9283, 24-10000, 24-10007 t/m 24-10010, 24-10012 t/m 24-10016, 24-10029, 24-10032, 24-10033, 24-10035, 24-10092, 24-10103 t/m 24-10107, 24-10109, 24-10111, 24-10116, 24-10118, 24-10143, 25-70, 25-71, 25-78, 25-79, 25-101 t/m 25-104, 25-335 t/m 25-337, 25-339 t/m 25-352, 25-355, 25-357, 25-358, 25-367, 25-665, 25-1024, 25-1026, 25-1550, 25-1572 t/m 25-1574, 25-1577 t/m 25-1579, 25-1585, 25-1590, 25-1591, 25-1690, 25-1692 t/m 25-1696 en 25-2461, waarin een mondelinge behandeling was gepland op 9 juli 2026 vanaf 14.00 uur (hierna: de hoofdzaken). Verzoeker treedt in de hoofdzaken op als gemachtigde van diverse partijen in hun beroep tegen (afwijzing van) bezwaar tegen hun WOZ-beschikking.

1.2.

Verzoeker heeft op 9 juli 2026 (voor aanvang van de geplande zitting) een schriftelijk wrakingsverzoek gedaan. Hij heeft blijkens zijn e-mail van 9 juli 2026 te 12.20 uur en zijn aanvullende e-mail van 13 juli 2026 het volgende aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:

Het lukt verzoeker niet om stukken in het digitale systeem te plaatsen. Dit wordt kennelijk door de rechter en/of de griffier geweigerd. Dit is voor verzoeker “op afstand” niet goed zichtbaar. Verzoeker vermoedt dat het de facto een “pro forma verzetting” betreft, terwijl de zaken nog behandeld moeten worden.

Voor de mondelinge behandeling van zoveel omvangrijke zaken dossiers is slechts drie uur ingepland. Dit is te kort om alle zaken adequaat te kunnen behandelen.

Overwegingen

2
De beoordeling
2.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

2.2.

Het verzoek is gedaan tegen de rechter en de griffier. De wet voorziet echter niet in de mogelijkheid om een griffier te wraken. Om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek jegens de griffier worden ontvangen.

2.3.

Verzoeker heeft aan het verzoek tot wraking van de rechter ten eerste ten grondslag gelegd dat de rechter zou weigeren om stukken te (laten) toevoegen aan het digitale systeem. Dit betreft slechts een veronderstelling van verzoeker en aan het verzoek tot wraking zijn verder geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd (en deze zijn kennelijk ook niet zichtbaar) waaruit volgt dat dit daadwerkelijk het geval is. Om die reden wordt het wrakingsverzoek afgewezen.

2.4.

Verzoeker vindt de rechter verder vooringenomen omdat deze voor de behandeling van de zaken drie uur heeft gepland, hetgeen te kort zou zijn voor een adequate behandeling. Dit betreft een regie-/procesbeslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat zo’n rechterlijke beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de beslissing. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op deze beslissing, ook niet toewijsbaar is.

2.5.

Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

2.6.

Het is de wrakingskamer ambtshalve bekend dat [verzoeker] niet alleen bij de rechtbank Den Haag, maar ook bij andere rechterlijke colleges meerdere wrakingsverzoeken heeft ingediend, die niet tot gegrondverklaring hebben geleid en zijn uitgemond in een wrakingsverbod. Bij uitspraak d.d. 2 april 2026 van deze rechtbank, in een zaak die te vergelijken is met de hoofdzaken (vanwege de bijstand door [verzoeker] van veel partijen in bestuurs-/belastingzaken) heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de griffier niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot wraking van de rechter afgewezen, waarbij ook een wrakingsverbod is opgelegd. In dit geval heeft verzoeker het wrakingsverzoek vlak vóór aanvang van de geplande zitting ingediend. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruikt verzoeker het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in de hoofdzaken niet meer in behandeling zal worden genomen.

Beslissing

3
De beslissing

De wrakingskamer:

3.1.

verklaart het verzoek niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de griffier;

3.2.

wijst het verzoek tot wraking af voor zover het zich richt tegen de rechter;

3.3.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin dit zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

3.4.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaken niet in behandeling zal worden genomen;

3.5.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• verzoekers p/a hun gemachtigde [verzoeker] ;

• de wederpartijen in de hoofdzaken;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M. Boogers en E.E. Schotte, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2026.

De griffier is buiten staat deze de voorzitter

beslissing te ondertekenen

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.