Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig personen- en familierecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:10224

Op 23 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/09/701130 / KG ZA 26-257, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:10224. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/09/701130 / KG ZA 26-257
Datum uitspraak:
23 March 2026
Datum publicatie:
30 April 2026

Indicatie

Vonnis in kort geding - vervangende toestemming inschrijving zorg-onderwijscombinatie

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/701130 / KG ZA 26-257

Vonnis in kort geding van 23 maart 2026

in de zaak van

[eiseres] te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. K. van der Bijl te Bodegraven,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. S. Smeets te Venlo.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte houdende een eis in reconventie met producties.

1.2.

Tijdens de zitting is bepaald dat vonnis wordt gewezen op uiterlijk 2 april 2026.

2
De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De vader en de moeder zijn met elkaar getrouwd geweest. Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

? [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ;

? [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2008 te [geboorteplaats] .

Tevens zijn zij de ouders van [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 3] 2004 te [geboorteplaats] .

2.2.

De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] uit en [minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

2.3.

Tussen de ouders loopt een bodemprocedure over het gezag en de zorgregeling, bekend onder zaak- en rekestnummer C/09/670925 FA RK 24-5807. Daarin is het verzoek om de moeder met het eenhoofdig gezag te belasten afgewezen. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen deze beslissing. De hoger beroepsprocedure bij het gerechtshof Den Haag loopt nog. Daarnaast is bepaald dat [minderjarige 1] voorlopig iedere woensdag van 14.00 uur (na school) tot 19.00 uur (na het avondeten) bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige 1] ophaalt en weer terugbrengt. De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is verzocht om onderzoek te doen, welk onderzoek in ieder geval moet zien op de volgende concrete vragen van de rechtbank:

? welke zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] is (het meest) in het belang van [minderjarige 1] , waarbij voor zover mogelijk ook aandacht wordt besteed aan het gehele gezinssysteem?

? is voor [minderjarige 1] en/of de ouders en/of het gehele gezinssysteem (nadere) hulpverlening noodzakelijk?

2.4.

De Raad heeft op 4 februari 2026 besloten het onderzoek uit te breiden met een beschermingsonderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel.

3
Het geschil

in conventie

3.1.

De moeder vordert:

1. primair ten aanzien van de schoolgang: de vader te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de inschrijving en plaatsing van [minderjarige 1] op één van de door het Samenwerkingsverband van JGT geadviseerde zorg-onderwijscombinaties:

? [school 1] ( [plaats 1] );

? [school 2] ( [plaats 2] );

? [school 3] ( [plaats 3] );

? [school 4] ( [plaats 4] ),

waarbij een voorkeur voor [plaats 1] danwel [plaats 4] geniet onder meer gezien de reisafstand, een en ander conform het advies van de jeugdarts d.d. 13 februari 2026 en de betrokken professionals, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag (of gedeelte van de dag) dat gedaagde na betekening van het vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-;

2. subsidiair ten aanzien van de schoolgang: te bepalen dat de moeder bevoegd is [minderjarige 1] in te schrijven bij één van de hiervoor genoemde zorg-onderwijscombinaties, zonder dat daarvoor de toestemming van de vader is vereist, en de vader te verbieden om daartegen enig bezwaar te maken of daarin enige belemmering op te werpen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per overtreding, met een maximum van € 25.000,-;

3. ten aanzien van de BSO: de vader te verbieden om enige handeling te verrichten die ertoe strekt of ertoe kan [plaats 3] dat de kindplaatsovereenkomst van [minderjarige 1] bij [BSO] te [plaats 4] wordt beëindigd of gewijzigd, waaronder begrepen het indienen van verzoeken tot opzegging, afmelding of wijziging via het ouderportaal Konnect of anderszins, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per overtreding, met een maximum van € 25.000,-;

4. de vader te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het salaris van de advocaat, en te bepalen dat gedaagde de nakosten verschuldigd is conform het liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis;

3.2.

Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan.

De vader heeft in januari 2026 zijn toestemming voor de schoolgang van [minderjarige 1] schriftelijk ingetrokken en dit gecommuniceerd aan zijn school ( [school 5] in [plaats 5] ) en de betrokken hulpverleners. [minderjarige 1] gaat sindsdien niet naar school, terwijl hij leerplichtig is. Op 2 februari 2026 heeft een breed zorgoverleg plaatsgevonden, waarbij de school, het JGT, het Samenwerkingsverband, de Leerplicht en de jeugdarts aanwezig waren. Naar aanleiding van dit overleg heeft de jeugdarts een advies gegeven. Het samenwerkingsverband heeft naar aanleiding daarvan vier concrete zorg-onderwijscombinaties geïdentificeerd, waarbij de moeder de voorkeur heeft voor [plaats 1] danwel [plaats 4] gelet op de reisafstand. De vader wil zijn medewerking niet verlenen. Hij stelt dat hij nadere informatie nodig heeft, maar biedt geen concrete alternatieven en werkt niet toe naar een oplossing. [minderjarige 1] loopt verdere en onherstelbare ontwikkelingsschade op door het uitblijven van een onderwijsvoorziening. Zijn leerachterstand wordt vergroot en het schaadt zijn sociaal-emotionele ontwikkeling.

Ten aanzien van de BSO wijst moeder erop dat [minderjarige 1] al jaren is ingeschreven bij Floreokids te [geboorteplaats] . Hij gaat daar op dinsdag- en donderdagmiddag naartoe. De vader heeft actief geprobeerd om de kindplaats van [minderjarige 1] te beëindigen. Dat is niet in het belang van [minderjarige 1] omdat de BSO niet alleen opvang, maar ook een stabiele sociale omgeving met leeftijdsgenoten biedt.

3.3.

De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

3.4.

De vader vordert:

primair

A. de vorderingen van de moeder, zowel primair als subsidiair, af te wijzen;

B. de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure;

C. het te wijzen vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

subsidiair (voor zover de voorzieningenrechter van oordeel is dat enige voorziening dient te worden getroffen);

D. een voorziening te treffen met inachtneming van de vereiste terughoudendheid bij ingrijpende beslissingen, waarbij wordt voorkomen dat onomkeerbare stappen worden gezet zonder voldoende onderbouwing en zonder afronding van het reeds lopende traject;

E. te bepalen dat aan een eventuele voorziening geen dwangsom wordt verbonden;

F. te bepalen dat de moeder niet zelfstandig en zonder toestemming van de vader een keuze kan maken uit de voorgestelde zorg-onderwijsvoorzieningen;

G. te bepalen dat eerst nadere informatie wordt verstrekt over de inhoud en geschiktheid van de voorgestelde voorzieningen en/of gezamenlijke bezoeken plaatsvinden, alvorens een definitieve keuze wordt gemaakt;

H. de zaak, indien nodig, voor korte termijn aan te houden, althans een beslissing te nemen die aansluit bij het reeds geplande overleg en de verdere gezamenlijke beoordeling;

I. althans een beperkte en tijdelijke voorziening te treffen die:

1. niet neerkomt op een definitieve keuze voor één van de voorgestelde opties;

2. ruimte laat voor heroverweging op korte termijn;

3. en gericht is op stabilisatie, rust en een zorgvuldige toeleiding naar een passende voorziening voor de minderjarige;

J. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht;

K. met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure;

L. en het te wijzen vonnis, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.5.

Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. De vader betwist niet dat [minderjarige 1] zo spoedig mogelijk weer een passende vorm van onderwijs of onderwijs-zorgcombinatie dient te ontvangen. Hij betwist wel dat hij [minderjarige 1] opzettelijk onderwijs zou onthouden, categorisch weigert mee te werken aan een passende plek en de BSO van [minderjarige 1] wil beëindigen. De vader heeft tijdelijk bezwaar gemaakt tegen terugkeer van [minderjarige 1] naar zijn eigen school, omdat de situatie niet langer houdbaar was. Uiteindelijk is [minderjarige 1] zonder zijn toestemming toch nog een aantal dagen naar school gegaan en heeft de school vervolgens geconcludeerd dat de situatie op school inderdaad niet langer houdbaar was, waarna [minderjarige 1] niet meer naar school is gegaan. De vader heeft vervolgens tijd en informatie gevraagd om een zorgvuldige en duurzame keuze te kunnen maken voor een vervolgplek voor [minderjarige 1] . Op 26 maart 2026 staat een volgend overleg gepland met alle betrokken zorgprofessionals om de vier mogelijke zorg-onderwijscombinaties te bespreken. Er is aldus een zorgvuldig besluitvormingsproces gaande en dat moet worden gevolgd.

Ten aanzien van de BSO stelt de vader dat hij niet uit is op beëindiging van de kindplaatsovereenkomst en dat ook niet heeft gevraagd. De vader vindt het ook belangrijk dat die plek voor [minderjarige 1] behouden plaats. Echter, hij wilde graag zijn informatiepositie als gezaghebbende ouder herstellen en heeft om die reden contact gezocht met en vragen gesteld aan de BSO.

3.6.

De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

Overwegingen

4
De beoordeling van het geschil

in conventie en reconventie

4.1.

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de vader op 13 januari 2026 zijn toestemming voor schoolgang van [minderjarige 1] op [school 5] heeft ingetrokken vanwege zorgen over de emotionele en fysieke veiligheid. Sindsdien is met een batterij aan hulpverleners gesproken over een tijdelijke zorg-onderwijscombinatie voor [minderjarige 1] . In een breed zorgoverleg op 2 februari 2026 is aangegeven dat zolang ouders niet veranderen, er voor [minderjarige 1] ook niets verandert. Er kan daarom alleen worden ingezet op symptoombestrijding. [minderjarige 1] is op het onderwijs niet te houden, en dus moet er naar alternatieven worden gekeken, want [minderjarige 1] heeft rust nodig. Het betrokken jeugd- en gezinsteam heeft [school 1] voorgesteld. Daar was plek en [school 1] kijkt ook in welke samenstelling [minderjarige 1] past, ook om hem weer terug op school te krijgen. Ook de jeugdarts heeft geadviseerd dat [minderjarige 1] voor een goede ontwikkeling in eerste instantie behoefte heeft aan rust en dat er mogelijkheid moet zijn voor intensieve begeleiding, waarna onderwijs weer kan worden opgeschaald (aldus het e-mailbericht van vader zelf van 5 maart 2026).

Voor plaatsing bij [school 1] is toestemming nodig van beide ouders. De moeder heeft haar toestemming voor [school 1] in het overleg van 2 februari 2026 gegeven. De vader heeft aangegeven binnen een week met een antwoord te komen. Hij heeft geen toestemming gegeven.

Op 25 februari 2026 heeft SWV Passend Onderwijs de vier door de moeder in de dagvaarding genoemde zorg-onderwijscombinaties voorgesteld om verder te bespreken.

Op 4 maart 2026 is aan de ouders gevraagd om die vier mogelijkheden te onderzoeken en uiterlijk 13 maart door te geven welke zij het meest geschikt vinden.

De vader heeft sindsdien gevraagd om meer alternatieven en bij herhaling aanvullende vragen gesteld. Daarbij stelt de vader ook het advies van de jeugdarts ter discussie. Hij blijft terugkomen op de vraag of een andere school niet een optie is. De vader heeft ook niet voldaan aan het verzoek om van de vier genoemde opties uiterlijk 13 maart 2026 twee voorkeursopties door te geven.

Ondertussen zit [minderjarige 1] sinds 26 januari 2026 definitief thuis. De ouders zijn het er over eens dat dit niet goed is voor [minderjarige 1] , met name ook omdat hij behoefte heeft aan sociaal contact. Bovendien kan de moeder haar betaalde werkzaamheden hierdoor slechts beperkt uitvoeren.

Op de zitting heeft de vader wederom niet kunnen uitleggen waarom hij geen toestemming kan geven voor [school 1] , anders dan dat hij met zekerheid wil kunnen bepalen dat het de beste keuze is en dat duidelijk is wanneer en hoe wordt geëvalueerd of de gestelde doelen zijn bereikt.

Dat de vader deze zekerheid wenst, is tot op zeker hoogte invoelbaar. Die zekerheid kan echter niet aan de vader geboden worden, omdat onduidelijk is wat precies de problematiek is van [minderjarige 1] (waarschijnlijk de grote problematiek tussen de ouders en geen kindeigen problematiek), er geen zicht is op verbetering van de problematiek tussen de ouders en nooit met zekerheid voorspeld kan worden hoe een kind zich zal ontwikkelen. De vraag wanneer en hoe wordt geëvalueerd, zal bovendien besproken moeten worden met de uiteindelijke zorg-onderwijscombinatie. Uiteindelijk moet op basis van de beschikbare informatie een keuze worden gemaakt en zal moeten worden afgewacht hoe dat uitpakt. Ouders mogen uiteraard wel verwachten dat deze keuze zorgvuldig wordt gemaakt en de voorzieningenrechter is van oordeel dat daar in deze zaak sprake van is geweest.

De keuze voor een zorg-onderwijscombinatie is gemaakt in een breed overleg waarbij naast de ouders en twee vertegenwoordigers van de huidige school, ook een medewerker van passend onderwijs, een welzijnswerker, een medewerker van het jeugd- en gezinsteam en de jeugdarts aanwezig waren. De jeugdarts heeft daarna nog aanvullend onderzoek gedaan en de conclusies en aanbevelingen onderschreven. Er zijn vervolgens vier mogelijke zorg-onderwijscombinaties voorgesteld en de vader heeft de kans gekregen om deze verschillende opties nader te onderzoeken. Die inspanningsverplichting is terecht bij de vader zelf neergelegd. Terecht is van hem verwacht dat hij zich zelf zou oriënteren en niet zou volstaan met het blijven stellen van kritische vragen. Dat klemt te meer nu de vader zelf een voorziening voor jeugdhulp heeft, en dus tot op zekere hoogte deskundig mag worden geacht. De vader heeft bovendien geen concrete bezwaren geuit, anders dan het risico dat [minderjarige 1] wordt geplaatst in een omgeving met andere kwetsbare kinderen die externaliserend gedrag kunnen laten zien. In het overleg op 2 februari 2026 is echter al aangegeven dat [school 1] zorgvuldig kijkt naar de groep waarop een kind wordt geplaatst. Daarmee kan dit bezwaar van de vader aan een keuze niet in de weg staan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat hij op korte termijn naar een zorg-onderwijscombinatie gaat. De voorzieningenrechter ziet geen reden om het groot overleg op 26 maart a.s. daarvoor af te wachten, alleen al omdat de vader niet voor 13 maart de twee voorkeuren heeft doorgegeven. Daardoor kan op dat overleg niet gericht over specifieke zorg-onderwijscombinaties gesproken worden en dat werkt wederom vertragend. Het is ook in het belang van de moeder, die de dagelijkse zorg voor [minderjarige 1] heeft, dat [minderjarige 1] snel ergens een plaats heeft. Dan kan zij haar betaalde werkzaamheden immers weer volledig hervatten.

De voorzieningenrechter wijst de subsidiaire vordering van de moeder ten aanzien van de schoolgang toe, in die zin dat de voorzieningenrechter aan de moeder vervangende toestemming verleent, die de toestemming van de vader vervangt, voor inschrijving van [minderjarige 1] bij [school 1] dan wel één van de andere door SWV Passend Onderwijs op 25 februari 2026 genoemde zorg-schoolcombinaties. Nu de toestemming van de vader voor inschrijving daarmee niet meer nodig is, zal de voorzieningenrechter de vordering tot het opleggen van een dwangsom afwijzen.

4.2.

Ten aanzien van de vordering met betrekking tot BSO Floreokids overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat de vader een handeling heeft verricht die ziet op het opzeggen van de overeenkomst bij Floreokids. De vordering van de moeder ten aanzien van de BSO zal dan ook worden afgewezen. De voorzieningenrechter wil de vader wel voorhouden dat hij Floreokids erg veel vragen stelt die niet onmiddellijk betrekking hebben op de ontwikkeling van [minderjarige 1] . De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat de vader daarmee zal stoppen, om te voorkomen dat Floreokids de overeenkomst opzegt, omdat de vele klachten en vragen van de vader een overbelasting vormen voor de organisatie.

4.3

De voorzieningenrechter zal gelet op al hetgeen in het voorgaande is overwogen de vorderingen van de vader in reconventie afwijzen.

4.4

Omdat het hier gaat om een procedure van familierechtelijke aard, sluit de voorzieningenrechter aan bij het uitgangspunt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De vorderingen van de moeder en de vader om de andere partij in de proceskosten te veroordelen, worden daarom afgewezen.

Beslissing

5
De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verleent aan de moeder vervangende toestemming, welke de toestemming van de vader vervangt, om de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] , in te schrijven bij [school 1] ( [plaats 1] ), dan wel [school 2] ( [plaats 2] ), [school 3] ( [plaats 3] ) of [school 4] ( [geboorteplaats] );

5.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.4

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.

MM