Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoekschrift;
het verweerschrift;
het F9-formulier van 27 februari 2025 van de vrouw;
het F9-formulier van 20 november 2025, met bijlagen, van de vrouw.
Op 23 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen de advocaat van de man en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2017 tot [datum 2] 2022.
Zij zijn de ouders van de [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige]).
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
Bij beschikking van 10 december 2021 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – :
bepaald dat [minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
bepaald dat [minderjarige] de ene week bij de vrouw verblijft en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment op zondag om 17.00 uur zal zijn;
de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] vastgesteld op nihil, vanaf de datum van de beschikking.
- Bij beschikking van 3 oktober 2023 van deze rechtbank is – met wijziging in zoverre van de beschikking van 10 december 2021 –:
de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage alimentatie voor de minderjarige [minderjarige], met ingang van 1 juni 2023, vastgesteld op € 175,00 per maand;
de behandeling van het verzoek tot wijziging van een zorgregeling en de verdeling van de proceskosten pro forma aangehouden.
- Bij beschikking van 26 maart 2024 van deze rechtbank is – met wijziging in zoverre van de beschikking van 10 december 2021 van deze rechtbank – bepaald dat [minderjarige] bij de man zal zijn eenmaal per twee weken een weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur.
Verzoek en verweer
De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens, de kinderalimentatie met ingang van 11 april 2022 op nihil te stellen dan wel vanaf een in goede justitie te bepalen termijn een in goede justitie te bepalen bijdrage vast te stellen.
De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt zij zelfstandig de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek om wijziging van de kinderalimentatie, althans dit verzoek af te wijzen wegens onvoldoende onderbouwing, dan wel de kinderalimentatie vast te stellen per 1 juni 2023, op een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.
Overwegingen
Beoordeling
Buiten beschouwing laten stukken 22 februari 2026
Op zondag 22 februari 2026 zijn namens de man aanvullende stukken ingediend ter onderbouwing van zijn verzoek. De advocaat van de man heeft aangegeven dat deze stukken loonstroken vanaf oktober 2025 en een recente huurovereenkomst betreffen en dat deze stukken niet eerder ingediend konden worden omdat hij de stukken pas laat heeft ontvangen van de man.
Namens de vrouw is verzocht deze stukken buiten beschouwing te laten, nu deze stukken buiten de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend, terwijl de zittingsdatum al geruime tijd bekend was. Bovendien geeft de advocaat van de vrouw aan de stukken nog niet ontvangen te hebben en dat zij de stukken daarom ook niet met de vrouw heeft kunnen bespreken.
De rechtbank overweegt als volgt. Vanwege de late indiening van de stukken, namelijk minder dan 24 uur voor de mondelinge behandeling van de zaak, heeft de rechtbank geen kennis kunnen nemen van de stukken. Daarnaast is gebleken dat de vrouw en haar advocaat de stukken niet hebben kunnen bespreken, omdat zij deze niet hebben ontvangen. Gelet hierop volgt de rechtbank de vrouw in haar bezwaar en zal de rechtbank de op 22 februari 2026 ingediende stukken buiten beschouwing laten.
Alimentatie
De man stelt dat de vrouw in 2023 zonder zijn medeweten een verzoek tot kinderalimentatie heeft ingediend bij de rechtbank. Dat verzoek is toegewezen zonder rekening te houden met zijn verlaagde inkomen. Voorts wordt namens de man ter zitting gesteld dat hij ondertussen niet alleen een lager bruto salaris, maar ook hogere woonlasten heeft, waardoor hij de kinderalimentatie niet kan betalen.
De vrouw voert aan dat de man zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en dat hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Naar de rechtbank begrijpt, baseert de man zijn verzoek op het eerste lid van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek. Een rechterlijke beslissing kan op grond van dit artikellid worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn standpunt onvoldoende onderbouwd. De man heeft weliswaar gesteld dat hij minder verdient en hogere woonlasten heeft, maar de rechtbank heeft geen kennis kunnen nemen van stukken waaruit dat zou blijken. Door het gebrek aan onderbouwing en de betwisting door de vrouw kan de rechtbank de man niet volgen in zijn standpunt dat de omstandigheden dusdanig zijn gewijzigd dat de kinderalimentatie, die is vastgesteld in de beschikking van 3 oktober 2023, niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen.
Proceskosten
Omdat het een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten verdelen als hierna vermeld.