de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage,
zetelend te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: de ambtenaar.
Feiten
Volgens de Basisregistratie Personen (BRP) zijn de man en de vrouw gehuwd op [datum 1] 1987.
Volgens het overgelegde certificaat van de Shibis District Court in [land 2] van 3 april 2023 zijn partijen gescheiden op [datum 2] 1996.
Volgens de BRP heeft de man in ieder geval de Nederlandse nationaliteit en heeft de vrouw de Somalische nationaliteit.
In de Haagse registers van de burgerlijke stand komt geen huwelijksakte of echtscheidingsakte van partijen voor.
Verzoek en verweer
De man verzoekt:
primair: voor recht te verklaren dat de Somalische echtscheidingsakte vatbaar is voor inschrijving in de registers van de burgerlijke stand in Nederland en de ambtenaar te gelasten deze akte in te schrijven;
subsidiair: de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
meer subsidiair: voor het geval de rechtbank meent dat er geen voor erkenning door Nederland vatbaar huwelijk is geweest in [land 2] , voor recht te verklaren dat het huwelijk tussen de man en de vrouw geen voor erkenning in Nederland vatbaar [land 2] huwelijk is,
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw heeft geen verweer gevoerd.
Aangezien de man op 5 december 2025 zijn primaire verzoek heeft ingetrokken is de ambtenaar niet langer belanghebbende in deze procedure.
Overwegingen
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Aangezien de man de Nederlandse nationaliteit heeft, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.
De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.
Erkenning huwelijk in [land 2]
Voordat de rechtbank toekomt aan de beoordeling van het verzoek tot echtscheiding, moet op grond van artikel 10:31 BW in combinatie met artikel 10:33 BW eerst worden vastgesteld of het huwelijk dat partijen in [land 2] hebben gesloten kan worden erkend in Nederland.
Als uitgangspunt geldt dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend als het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 lid 1 BW). Daarbij geldt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn als een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit (artikel 10:31 lid 4 BW).
Volgens de man zijn partijen in 1987 gehuwd in [plaats] , [land 2] . De man stelt dat hij geen huwelijksakte heeft die hij kan overleggen. De huwelijksakte is bij de komst naar Nederland verloren gegaan. Op de persoonskaart van de man staat niet vermeld hoe het huwelijk destijds in 1993 in de BRP is opgenomen. De man vermoedt dat dit is gebeurd op basis van een verklaring onder ede, zoals in asielprocedures gebruikelijk is. Gelet op het gebrek aan een centrale overheid in [land 2] is het voor de man niet mogelijk om nog een huwelijksakte te verkrijgen.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande en op grond van hetgeen de rechtbank omtrent het
[land 2] huwelijksrecht bekend is, van oordeel dat in dit geval voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een in [land 2] rechtsgeldig gesloten huwelijk dat voor erkenning in Nederland in aanmerking komt.
De rechtbank betrekt daarbij dat het huwelijk van partijen is ingeschreven in de BRP. Daarin is als huwelijksdatum opgenomen [datum 1] 1987. De rechtbank zal de man dan ook ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding.
Echtscheiding
De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.