Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig personen- en familierecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19043

Op 8 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/09/695736 / HA ZA 25-1095, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:19043. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/09/695736 / HA ZA 25-1095
Datum uitspraak:
8 July 2026
Datum publicatie:
10 July 2026
Advocaat:
mr. K.A Boshouwers te Utrecht;mr. M.R. van Leeuwen te Zoetermeer

Indicatie

Erfrecht. Partijen hebben na het overlijden van hun moeder een overeenkomst met elkaar gesloten over compensatie van de bedragen waarmee de één ten opzichte van de ander is bevoordeeld (door schenkingen en erfenis moeder), zodat zij beiden uiteindeijk een gelijk aandeel in de nalatenschappen van hun ouders krijgen. De vordering is nog niet opeisbaar, omdat de nalatenschap van vader nog niet is afgewikkeld.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaak- / rolnummer: C/09/695736 / HA ZA 25-1095

Vonnis van 8 juli 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

te [woonplaats 1] , [land] ,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. K.A. Boshouwers te Utrecht,

tegen

[gedaagde] ,

te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.R. van Leeuwen te Zoetermeer.

1
Waar gaat deze zaak over?
1.1.

Deze zaak gaat over de vraag of partijen afspraken met elkaar hebben gemaakt na het overlijden van hun moeder (erflaatster) over de afwikkeling van haar nalatenschap. [eiseres] is van mening dat partijen met elkaar zijn overeengekomen om, in afwijking van het testament van erflaatster, de bedragen waarmee [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] door erflaatster is bevoordeeld als gevolg van schenkingen en testamentaire verkrijgingen gelijk te trekken. Deze afspraak zou ertoe moeten leiden dat [gedaagde] en [eiseres] onderaan de streep (na compensatie voor de schenkingen) evenveel zouden ontvangen uit de nalatenschappen van hun ouders. Betaling door [gedaagde] aan [eiseres] zou plaatsvinden na het overlijden van de vader van partijen (erflater) ten laste van het aandeel van [gedaagde] in zijn nalatenschap. Volgens [gedaagde] hebben partijen dit niet met elkaar afgesproken.

1.2.

In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat partijen definitieve afspraken met elkaar hebben gemaakt (en dus een overeenkomst hebben gesloten) over compensatie van de bedragen waarmee [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] is bevoordeeld, zodat zij beiden uiteindelijk een gelijk aandeel in de nalatenschappen van hun ouders krijgen. Dit volgt uit de uitgebreide e-mailcorrespondentie. De vordering tot verrekening of betaling van de compensatie is echter nu nog niet opeisbaar, omdat de nalatenschap van erflater nog niet is afgewikkeld. Dit betekent dat de rechtbank de door [eiseres] gevorderde verklaringen voor recht zal toewijzen en dat haar vordering voor het overige wordt afgewezen.

2
De procedure
2.1.

Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:

- de dagvaarding van 20 november 2025, met producties 1 tot en met 20;- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 13;

- de akte tot het in het geding brengen van producties en tot wijziging van eis, van [eiseres] , met producties 21 tot en met 35;

- het B16-formulier van 29 mei 2026 met productie 14 van [gedaagde] .

2.2.

Op 2 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

Beide advocaten hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen.

3
De feiten
3.1.

Partijen zijn zussen van elkaar. Zij zijn geboren uit het huwelijk van [erflaatster] en [erflater] . De ouders van partijen zijn jaren geleden gescheiden en voerden sinds de echtscheiding ieder een eigen financiële huishouding.

3.2.

Erflaatster is op 24 februari 2023 overleden. Zij heeft bij testament van 16 februari 2017 over haar nalatenschap beschikt. Voor zover nu van belang heeft erflaatster het volgende in haar testament opgenomen:

zij heeft aan een aantal personen en een stichting een bedrag in contanten gelegateerd;

zij heeft [gedaagde] en [eiseres] voor gelijke delen tot haar erfgenamen benoemd;

de blote eigendom van haar woning heeft zij gelegateerd aan de zoon en dochter van [gedaagde] , onder toekenning van het recht van vruchtgebruik van deze woning aan [gedaagde] en haar echtgenoot, de heer [executeur] ;

[executeur] is tot executeur van haar nalatenschap en tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd;

zij heeft verklaard dat zij vóór 1 januari 2013 geen nog in te brengen schenkingen aan haar kinderen heeft gedaan en dat van inbreng door haar afstammelingen van eventuele giften geen sprake zal zijn.

3.3.

[executeur] heeft de executeursbenoeming aanvaard.

3.4.

Op 21 april 2023 hebben [gedaagde] en [executeur] een kennis van erflater, te weten mr. [bemiddelaar] , verzocht om te bemiddelen tussen [eiseres] en [gedaagde] bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster.

3.5.

Op 23 april 2023 heeft [bemiddelaar] aan [gedaagde] onder meer geschreven:

Fijn dat je mij het vertrouwen wilt geven om een oplossing te vinden voor de afwikkeling van de nalatenschap van je moeder. Ik sprak vanmiddag via Zoom met [eiseres] en ook zij heeft aangegeven graag te zien dat ik die rol op mij neem. Als ik jullie beiden hoor denk ik dat jullie het over de uitgangspunten op hoofdlijnen wel eens zijn maar dat het met name gaat over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan, en wat de omvang is van, de zogenaamde “onderbedeling”.

3.6.

Op 25 april 2023 heeft [bemiddelaar] aan [eiseres] onder meer bericht:

Ondertussen heb ik (zoals ik je ook heb laten weten) mogen ervaren dat [gedaagde] graag bereid is uitvoering te geven aan een gelijke bedeling van jullie beiden. Dat betekent dat het nu vooral op de uitvoering aankomt. In dat kader zullen we eerst moeten vaststellen wat de onderbedeling is die voor jou ontstaat als onverkort uitvoering zou worden gegeven aan het testament van je moeder. In dat kader heb ik [executeur] gevraagd om een boedelbeschrijving op te maken die vervolgens door mij getoetst kan worden en daarna door mij met jou besproken. Daarna kan worden gekeken hoe de onderbedeling op praktische wijze kan worden rechtgetrokken.

3.7.

Op 3 augustus 2023 heeft [bemiddelaar] aan [gedaagde] onder meer bericht:

Alvorens over de financiële kant van de zaak meer in detail te treden, denk ik dat het goed is om de uitgangspunten waar we over hebben gesproken nog een keer duidelijk op schrift te stellen zodat daarover geen misverstand kan bestaan.

Door de schenkingen bij leven en de legaten in het testament van je moeder zou er bij uitvoering van het testament een negatieve boedel ontstaan. Daarnaast levert uitvoering van het testament een inbreuk op de legitieme portie van [eiseres] op die zij desgewenst zou kunnen opeisen. Los van ieders juridische positie heb jij in ons eerste gesprek aangegeven dat je als uitgangspunt zou willen aanvaarden dat jij en [eiseres] uit de nalatenschap van jullie moeder en te zijner tijd die van je vader per saldo gelijkelijk worden bedeeld in aanmerking nemend wat ieder van jullie bij leven aan schenkingen van jullie ouders hebben ontvangen. Hoor graag of je je met dit uitganspunt kunt verenigen.

Om tot een eerlijke verdeling langs die lijn te komen zullen vervolgens de schenkingen die jullie vader of moeder aan ieder van jullie hebben gedaan moeten worden geïnventariseerd. Naar mijn idee horen daar de schenkingen aan jouw kinderen ook bij. Overigens is zo’n inventarisatie ook nodig (waar het de schenkingen van je moeder betreft) als [eiseres] een beroep zou doen op haar legitieme portie omdat in dat geval de legitimaire massa bepaald moet worden.

3.8.

In een e-mail van 25 september 2023 heeft [executeur] aan [bemiddelaar] bericht:

Mijn rol is dus om zorg te dragen voor de effectieve en objectieve fiscale en financiële afwikkeling samen met de fiscalist en met hulp van een boedelnotaris op basis van door jou als mediator te maken afspraken met [gedaagde] en [eiseres] . (…).

Mijn rol is dus een aanvulling op jouw mediation tussen de zusters [gedaagde] en [eiseres] om tot een zo eerlijk mogelijk verdeling te komen op basis van de beschikbare gegevens. (…).

Mijn bedoeling/verzoek is om als executeur testamentair zoveel als mogelijk, liefst uitsluitend, met jou als mediator van [gedaagde] en [eiseres] te communiceren (e-mail, etc.) en dat jij als mediator het (e-mail, etc.) contact onderhoudt met [gedaagde] en [eiseres] .

Het ligt in mijn bedoeling en hoop dat jij aan beiden zusters duidelijk kunt en wilt maken dat dit een goede en werkbare oplossing is om de afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster] in goede banen te leiden in plaats van een boedelnotaris die er vaak onnodig lang over doet de boel af te wikkelen omdat je er dan geen controle meer over hebt.

3.9.

In een e-mail van 4 februari 2024 heeft [bemiddelaar] aan [executeur] (met kopie van die e-mail aan [eiseres] ) onder meer bericht:

Jullie hebben mij een tijd geleden gevraagd om te bemiddelen in de afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster] , mede in het licht van de wensen in het testament van [erflater] dat zijn beide dochters per saldo gelijk berechtigd zouden worden. Ik heb begrepen dat die vraag (mede) bij mij is neergelegd omdat ik in het testament van [erflater] als executeur-testamentair ben aangewezen. Ik heb aangegeven dat ik bereid ben om een bemiddelende rol te vervullen. (…). Daarbij heb ik om te beginnen aangegeven dat ik mijn bemiddelende rol alleen maar wilde vervullen als beide zusjes het eens zouden zijn over het uitgangspunt dat onder aan de streep eenieder gelijk bedeeld zou worden. Gehuwd of ongehuwd, kinderen of geen kinderen zou daarbij niet moeten uitmaken. Bevoordelingen bij leven zouden in de verdeling over en weer moeten worden meegenomen. Ik heb begrepen dat zowel [gedaagde] als [eiseres] zich in dat uitganspunt konden vinden. (…)

Waar ik de afgelopen maanden tegenaan ben gelopen, is dat de informatievoorziening over de afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster] enigszins stokt. Ik kan alleen maar als bemiddelaar optreden als ik (1) het vertrouwen heb van beide zusjes en (2) ik de gevraagde informatie op eerste verzoek krijg toegezonden. Ik pas ervoor om van jou te horen dat ik mij voor bepaalde informatie tot [gedaagde] moet wenden. Dat stemmen jullie onderling maar af.

Graag verneem ik van jou en [gedaagde] of jullie willen dat ik mijn bemiddeling op bovenstaande voorwaarden voortzet. Zo niet dan trek ik mij terug als bemiddelaar (…).

Voor alle duidelijkheid: het is mij verder om het even. De keuze is aan jullie.

3.10.

In reactie hierop heeft [executeur] op 8 februari 2024 aan [bemiddelaar] , [eiseres] en [gedaagde] onder meer bericht:

Dank voor je bericht! Helder en prima. (…)

Fijn als door middel van jouw advies en bemiddeling tussen [gedaagde] en [eiseres] nu heldere afspraken gemaakt kunnen worden over dat (financiële) verleden.

Hoe eerder hoe beter. Ook [erflaatster] testament zal tot financiële afspraken tussen [gedaagde] en [eiseres] aanleiding geven. De notaris kan voor beide erfgenamen berekenen wat ieders kindsdeel ten aanzien van het testament is en een onder-/overbedeling in kaart brengen. Onder ‘Overwegingen’ ga ik hier nader op in. (…)

Na aanvaarding kan ik met de notaris de nalatenschap verder vlot afwikkelen zodat nog voor 24 maart aanstaande de aangifte schenkbelasting kan worden ingediend bij de belastingdienst. Onderlinge verrekeningen kunnen nadien verder afgehandeld worden. (…)

Overwegingen:

(…)

Het is nu aan de dochters om onderling afspraken te maken naar aanleiding van onder- of overbedeling vanwege het testament. [gedaagde] heeft aangegeven mee te willen werken aan het vereffenen van een onder-bedeling jegens [eiseres] . Aan [eiseres] is het om te bepalen hoeveel zij zichzelf daarin in redelijkheid gecorrigeerd wenst te zien.

Onder- en over bedeling:

(…)

[gedaagde] heeft steeds aangegeven onder bedeling van [eiseres] volledig te willen compenseren. Aan [eiseres] is het hoever zij daarin wil gaan. Alles ligt nu op tafel zodat hierover besluiten genomen kunnen worden.

Nalatenschap [erflater]

Het testament van [erflater] is ons onbekend. (…).

[gedaagde] heeft steeds aangegeven geen bezaar te hebben om een onder bedeling van [eiseres] vanwege - hun moeder en/of vader - op een of andere manier aan haar te compenseren er vanuit gaande dat [eiseres] haar eventuele bevoordelingen in het verleden ook kenbaar maakt. [gedaagde] wil daarbij graag de flat van [erflater] aan de [straatnaam] inzetten als verrekeningsvermogen voor een onder- of overbedeling tussen haar en [eiseres] . Graag ziet zij het appartement in [plaats] voor de familie behouden zodat zij en [eiseres] er ook in de toekomst gebruik van zullen kunen maken.

3.11.

Bij e-mail van 8 maart 2024 heeft [gedaagde] aan [eiseres] onder meer bericht:

Beneficiair aanvaarden is daardoor geen optie meer. (Beneficiair aanvaarden is overigens een aparte juridische procedure die tijd kost die we niet meer hebben, maar ook aan ons allebei geen voordeel biedt. Er zijn immers geen schulden.) Op deze manier van zuiver aanvaarden is er dus deze keuze mogelijkheid die in de bijlage staat.

Wat jij dan tekort zou komen hoop ik met jou te kunnen verrekenen op een later tijdstip in de nalatenschap van pappie.

3.12.

Bij e-mail van 14 juni 2024 heeft [bemiddelaar] aan [gedaagde] en [eiseres] onder meer bericht:

In vervolg op de opstelling in onderstaande en gehoord hebbend jullie commentaar had ik al voorgesteld om uit te gaan van een te verrekenen bedrag aan overbedeling van € 1.7 mio. Voor de goede orde maak ik nog een keer inzichtelijk hoe ik, rekening houdend met jullie commentaar, tot dit bedrag ben gekomen. (…)

Als we ervan uitgaan dat [eiseres] de nalatenschap van moeder verwerpt, dienen we nog vast te stellen welk bedrag op basis van de boedelbeschrijving dan nog dient te worden verrekend. (…). De omvang van de nalatenschap bedraagt dan na deze correcties € 1.122.988,59 (afgerond € 1.123k). (…)

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat bij een verwerping van de nalatenschap van moeder door [eiseres] , [gedaagde] voor een bedrag van totaal € 2.823.000 (1.700 + 1.123) wordt bevoordeeld.

3.13.

Bij e-mail van 17 juni 2024 (12:28 uur) heeft [bemiddelaar] aan [gedaagde] onder meer bericht:

De vraag die voorligt is of je akkoord gaat met mijn voorstel zoals dat wat mij betreft in definitieve vorm voorligt.

3.14.

Bij e-mail van 17 juni 2024 (13:49 uur) heeft [gedaagde] aan [bemiddelaar] (met een kopie van die e-mail aan [eiseres] ) onder meer bericht:

“Globaal heb ik er naar gekeken en globaal kan ik me er in vinden...Later zal ik eens nog wat zorgvuldiger ernaar kijken maar het gaat erom dat we die belastingdienst steeds op onze nek hijgt.....”

3.15.

Bij e-mail van 17 juni 2024 (20:47 uur) heeft [bemiddelaar] later die dag aan [gedaagde] onder meer bericht:

Voor die mediation is als uitgangspunt door jullie gekozen dat ieder van jullie, rekening houden met schenkingen in het verleden, uiteindelijk gelijkelijk bedeeld zouden worden uit de nalatenschappen van jullie vader en moeder. Dat uitgangspunt is ook verwoord in het testament van jullie vader. In die rol van mediator en met dat uitgangspunt voor ogen heb ik geprobeerd om in kaart te brengen wat het bedrag van de bevoordeling van jou ten opzichte van [eiseres] is geweest. Dat bedrag hebben we vastgesteld op € 1.700.000. Vervolgens heb ik gekeken hoe dat doorwerkt in de afwikkeling van de nalatenschap van jullie moeder en was mijn conclusie dat het het meest praktisch zou zijn als [eiseres] die zou verwerpen zodat jij de handen vrij hebt met het huis en de legaten om dat fiscaal optimaal te stroomlijnen.

Daar staat dan wel tegenover dat je ook afspraken moet maken over de afwikkeling van de toekomstige nalatenschap van jullie vader. Dat voorstel heb ik jullie gedaan. Zoals ik het heb opgeschreven is het een totaalpakket waar je niet zomaar cherry-picking in kan gaan doen. Als je alleen het bedrag van de bevoordeling zou vaststellen per 1 januari 2023 zou je dan ook moeten afspreken dat vanaf dat moment de rentemeter gaat lopen. De wettelijke rente bedraagt op dit moment 7%. Uitgaande daarvan zou dat betekenen dat de schuld inmiddels zou zijn opgelopen tot ruim € 1,9 mio. Dat lijkt mij geen wenselijk soort afspraak.

Ik doe daarom een beroep op je ratio en gezond verstand om mijn voorstel te omarmen.

3.16.

Bij e-mail van 18 juni 2024 heeft [gedaagde] aan [bemiddelaar] (met kopie van die e-mail aan [eiseres] ) onder meer bericht:

Destijds heb ik je gevraagd om te helpen bij de afwikkeling bij de nalatenschap van mijn moeder - [eiseres] vroeg naar mijn moeders financiële verleden - en het leek me prettig zo neutraal mogelijk - met een relatieve buitenstaander die ons goed gezind is, te zien of en hoe de financiële verschillen waren tussen [eiseres] en mij. Ik was juist bereid om daar aan mee te werken terwijl mijn moeder had aangegeven in haar testament dat dit juist niet nodig/gewenst was…. Ik vond het van solidariteit van mezelf aan [eiseres] getuigen om hierin juist actief mee te werken zodat het verleden duidelijk is. Dat verschil heb je boven water gehaald en opgeschreven. Daarover moeten [eiseres] en ik het eens worden. Meer niet. Op basis hiervan kan [eiseres] besluiten mijn moeders nalatenschap al dan niet te aanvaarden of te verwerpen.

Hoe dat verschil nu of later met elkaar verrekend zal worden, kunnen we het - na overeenstemming over dat verleden - over eens worden.

Ik heb je niet gevraagd om daar bij voorbaat mijn vaders bezittingen in te betrekken. (…).

Over de verschillen van het verleden vinden we juist samen oplossingen! [eiseres] en ik zijn elkaar gunstig gezind dus daar maak ik me geen zorgen over. (…). Laten we het eenvoudig houden. Nu eerst de nalatenschap van mijn moeder en als mijn vader overleden is kijken we naar zijn nalatenschap. En pas dan kijken we hoe en wat we met elkaar zullen verrekenen.

3.17.

Bij e-mail van 23 juli 2024 heeft [eiseres] aan [gedaagde] onder meer bericht:

Het is natuurlijk wel belangrijk om duidelijkheid te scheppen m.b.t. de bevoordeling, en Pappies wens om dat t.z.t. te compenseren uit zijn nalatenschap. Daar was het allemaal om begonnen om de bevoordeling in kaart te brengen in het kader van het afwikkelen van de nalatenschap van Mammie. (…). Enfin, [bemiddelaar] verwoordt onze overeenstemming in zijn email van 18 juni volgens mij goed:

“waar jullie het voor zover ik kan zien in ieder geval over eens zijn, vast te leggen in een overeenkomst:

1. [eiseres] verwerpt de nalatenschap van moeder

2. Jullie stellen vast dat als gevolg van die verwerping en van schenkingen in het verleden, [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] is overbedeeld voor een bedrag van € 2.823.000 per peildatum 1 januari 2023;

3. Jullie spreken af dat te zijner tijd de overbedeling wordt verrekend bij de afwikkeling van de nalatenschap van vader zodat ieder van jullie per saldo uiteindelijk evenveel ontvangt;

4. De feitelijke verdeling c.q. toedeling van de bezittingen van vader zullen eerst na zijn overlijden onderwerp van bespreking zijn. ”

3.18.

Bij e-mail van 2 augustus 2024 heeft [gedaagde] aan de boedelnotaris, [eiseres] en [bemiddelaar] bericht:

De opdracht aan [bemiddelaar] was om, op verzoek van [eiseres] , precies het financiële verleden van mijn moeder uit te zoeken: wat de bevoordeling van mij zou zijn geweest t.o.v. [eiseres] , zodat we later, als mijn vader overleden is, kunnen verrekenen wat ik bevoordeeld ben geweest t.o.v. haar. Dat is duidelijk en hebben we overeenstemming over.

Daarnaast heeft [bemiddelaar] , mogelijk op verzoek van [eiseres] , uitgerekend wat mijn bevoordeling is op basis van het verwerpen van de nalatenschap van mijn moeder door [eiseres] . Hij heeft [eiseres] op basis van zijn berekeningen uitdrukkelijk geadviseerd de nalatenschap te verwerpen.

Nu [bemiddelaar] alles in kaart heeft gebracht lijkt me dit een goede basis om de nalatenschap van mijn moeder verder af te wikkelen.

Er moet nu aangifte gedaan worden voor de belastingdienst. Vanaf nu wil ik de boetes niet meer voor mijn rekening nemen.

3.19.

Bij e-mail van 2 augustus 2024 heeft [eiseres] aan de boedelnotaris bericht:

De executeur heeft belastingaangifte denk ik gedaan, er vanuit gaande dat ik zou verwerpen. Het innemen van dit standpunt was wel gebonden aan de voorwaarde dat we tot een overeenstemming kwamen mbt de verrekening van het voordeel dat mijn zusje heeft gehad in de nalatenschap en tijdens het leven van mijn moeder. Helaas hebben we geen formele overeenstemming, en ben ik nog steeds niet in de positie de nalatenschap te verwerpen.

3.20.

Bij e-mail van 9 augustus 2024 heeft [gedaagde] aan [bemiddelaar] onder meer bericht:

Het enige wat ik gezegd heb is dat ik het niet prettig vond en ook nog steeds vind om al te gaan verrekenen met de nalatenschap van mijn vader die dus gewoon nog leeft…

3.21.

In een e-mailbericht van 13 augustus 2024 heeft [bemiddelaar] aan [gedaagde] onder meer bericht:

Met verwondering heb ik kennisgenomen van onderstaande e-mail waarvan de inhoud in lijnrechte tegenspraak lijkt te zijn met jouw dankwoorden in eerdere mails dat alles zo goed op een rijtje is gezet.

Ik herken mij totaal niet in het geschetste beeld. Ik heb mij ingezet om te komen tot een vermogensinventarisatie waarin jullie je beiden zouden kunnen vinden. (…)

Toen jij aangaf dat je niet op de verdeling vooruit wilde lopen heb ik vervolgens dat deel van het voorstel (nadat ik [eiseres] daarvan had overtuigd) uiteindelijk van tafel gehaald en mij beperkt tot de vaststelling van het bedrag van de overbedeling bij verwerping door [eiseres] van de nalatenschap van jullie moeder. (…)

De door jullie beiden goedgekeurde berekening ligt er en mijn taak is daarmee voor dit moment afgerond.

3.22.

Op 3 december 2024 is erflater overleden.

3.23.

Erflater heeft bij testament van 3 oktober 2017 over zijn nalatenschap beschikt en heeft hier bij akte van 28 augustus 2018 wijzigingen in aangebracht. In zijn uiterste wilsbeschikkingen heeft hij:

aan zijn kleinkinderen een bedrag gelegateerd ter grootte van het op het moment van zijn overlijden van erfbelasting vrijgestelde bedrag;

[gedaagde] en [eiseres] voor gelijke delen benoemd tot zijn erfgenamen, waarbij hij hen heeft verzocht om, voor zover een van hen door giften van erflaatster zou zijn overbedeeld, zijn nalatenschap zo te verdelen dat ieder van hen een gelijk aandeel in het vermogen van hun ouders verkrijgt (zie artikel 4 hierna);

[bemiddelaar] tot executeur benoemd.

Het verzoek in artikel 4 van het testament van erflater luidt:

Ik verzoek mijn kinderen, indien en voor zover krachtens giften van hun moeder, (…), een van hen is overbedeeld, in onderling overleg mijn nalatenschap zo te verdelen dat zij ieder een gelijk vermogen hebben verkregen van hun beide ouders.

3.24.

[bemiddelaar] heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard.

3.25.

Op 13 april 2025 heeft [gedaagde] in een e-mail aan [bemiddelaar] geschreven:

Zoals je weet ben ik van het begin af aan niet met je eens geweest om bij voorbaat – zonder dat ik iets precies wist over het testament van pappie – [eiseres] te moeten compenseren uit moreel oogpunt – met als doel dat [eiseres] dan na pappies overlijden even veel van mammie zou hebben gekregen uit mammies nalatenschap als ik. Wat [eiseres] minder zou hebben gekregen van mammie zou ik dus uit moreel oogpunt haar hebben moeten compenseren en een schuldigerkenning aan haar hebben moeten schrijven/ ondertekenen. Dat was toen je stelling. Ik vond en vind nog steeds dat ik helemaal geen cé/ invloed op de nalatenschappen van mijn moeder of mijn vader heb of zou moeten hebben. Wij, [eiseres] en ik, hebben slechts de taak de 2 nalatenschappen van onze ouders zorgvuldig uit te voeren.

Ook nu ik het testament van pappie gelezen heb zie ik geen verplichting om [eiseres] op welke manier dan ook te moeten ‘compenseren’.

3.26.

Op 14 juli 2025 heeft [bemiddelaar] , in hoedanigheid van executeur, een e-mail (hierna ook: de notitie) gestuurd aan [eiseres] en [gedaagde] , waarin hij de uitgangspunten uiteenzet voor de verdeling van de nalatenschap van erflater. [bemiddelaar] heeft de notitie geschreven naar aanleiding van de discussie tussen [gedaagde] en [eiseres] over de wens van erflater om zijn nalatenschap zo te verdelen dat zij onderaan de streep ieder een gelijk vermogen verkrijgen van hun beide ouders. Volgens [bemiddelaar] zijn [gedaagde] en [eiseres] met de financiële uitwerking, zoals door hem berekend (zie hiervoor onder 3.12), akkoord gegaan. In de notitie heeft [bemiddelaar] een deel van de correspondentie vanaf 23 april 2023 die betrekking heeft op de nalatenschappen opgenomen, waarna hij onder meer heeft geschreven:

Het komt mij voorshands voor dat [gedaagde] door de afspraak met [eiseres] in het kader van mijn werkzaamheden jegens [eiseres] een zelfstandige verplichting in het leven heeft geroepen om uitvoering te geven aan de wens van [erflater] en dat daarmee de juridische discussie over de vraag of de testamentaire bepaling als zodanig in rechte afdwingbaar is niet meer relevant is.

3.27.

[eiseres] heeft de nalatenschap van erflaatster op 25 september 2025 beneficiair aanvaard.

3.28.

[eiseres] heeft op 24 april 2026 conservatoir derdenbeslag gelegd onder de notaris op het aan [gedaagde] toekomende aandeel in de waarde van een aantal appartementsrechten dat behoorde tot de nalatenschap van erflater en dat bij notariële akte van toedeling op die datum aan [eiseres] is geleverd. Voorafgaand aan die levering heeft [eiseres] € 800.000,- overgemaakt naar de derdenrekening van de notaris om na de levering uit te keren aan [gedaagde] .

3.29.

Bij brief van 11 mei 2026 van [bemiddelaar] aan de advocaten van partijen heeft [bemiddelaar] gereageerd op de in deze zaak door de advocaat van [gedaagde] ingediende conclusie van antwoord. [bemiddelaar] licht de gang van zijn rondom zijn betrokkenheid bij het overleg tussen partijen toe. Volgens hem is de stelling van [gedaagde] dat het overleg over de omvang van de bevoordeling die zij bij leven van erflaatster heeft genoten betrekking had op de berekening van de legitieme portie “pertinent onjuist”. Hij stelt uitdrukkelijk dat uitgangspunt bij het overleg was dat ieder van partijen “onderaan de streep uit beide nalatenschappen per saldo een gelijk bedrag zou ontvangen conform de wens van vader (die op dat moment nog leefde).” Verder schrijft hij dat de afspraak over een gelijke verdeling in feite al was gemaakt voordat de inventarisatie van de omvang van de bevoordeling van [gedaagde] was voltooid en ging het bij die inventarisatie alleen nog over het bereiken van overeenstemming over de omvang van de bevoordeling.

3.30.

Bij vonnis in kort geding van 1 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het conservatoir derdenbeslag onder de notaris opgeheven. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis – voor zover hier van belang – onder meer het volgende overwogen:

Eiseres [ [gedaagde] , rechtbank] stelt in de dagvaarding uitdrukkelijk dat zij over de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen over het onderling rechttrekken van de bevoordeling van eiseres in die zin dat – conform de wens van de vader in zijn testament – ieder van partijen uit de nalatenschap van beide ouders per saldo hetzelfde zou ontvangen, binnen het bestek van dit kort geding geen oordeel vraagt. De vorderingen van eiseres zijn echter niet te beoordelen zonder een voorlopig oordeel hierover. De voorzieningenrechter gaat er op grond van de in dit kort geding ingenomen stellingen vanuit dat die overeenstemming er inderdaad is. Eiseres heeft de gemotiveerde stellingen van gedaagde [ [eiseres] , rechtbank] op dit punt, zowel opgenomen in het beslagrekest als in haar conclusie van antwoord, onvoldoende weersproken.

Verder heeft de voorzieningenrechter voormelde brief van 11 mei 2026 van [bemiddelaar] bij de beoordeling in aanmerking genomen. De voorzieningenrechter beschikte niet over alle correspondentie tussen partijen.

4
Het geschil
4.1.

[eiseres] vordert bij vonnis, na wijzigingen van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat [gedaagde] en [eiseres] na het overlijden van erflaatster in onderling overleg hebben vastgesteld dat [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] bij leven van en op grond van het testament van erflaatster ten opzichte van [eiseres] voor een bedrag van € 2.823.000,- is overbedeeld;

te verklaren voor recht dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] in verband met het door haar zijn overbedeeld voor € 2.823.000,- na het overlijden van erflater de helft van dit bedrag aan [eiseres] zou voldoen (al dan niet), ten laste van haar aandeel in de nalatenschap van erflater;

[gedaagde] te veroordelen tot het voldoen aan [eiseres] van een bedrag van € 1.411.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot die van de algehele voldoening;

[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten van [eiseres] , inclusief de nakosten.

4.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Partijen hebben na het overlijden van erflaatster onder begeleiding van [bemiddelaar] afspraken met elkaar gemaakt over het rechttrekken van het verschil in waarde van wat zij bij leven en op grond van het testament van erflaatster hebben gekregen. [gedaagde] is gehouden die afspraken na te komen.

4.3.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , althans haar de vorderingen te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of niet bewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. [gedaagde] betwist dat zij met [eiseres] afspraken heeft gemaakt.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

Overwegingen

5
De beoordeling
5.1.

De vraag die in deze procedure centraal staat is of partijen een overeenkomst met elkaar hebben gesloten in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.2.

Aangezien [eiseres] woonplaats heeft in [land] , heeft deze zaak in zoverre een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom allereerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en welk recht van toepassing is.

5.3.

[eiseres] legt aan haar vorderingen een overeenkomst ten grondslag dat zij met [gedaagde] zou hebben gesloten. De rechtbank is bevoegd om van deze vordering kennis te nemen op grond van artikel 4 van de in deze zaak toepasselijke Brussel I bis-Vo (Voetnoot 1), omdat [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland.

5.4.

Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De rechtbank begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlands recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen een (stilzwijgende) rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht. Daarin kunnen zij worden gevolgd, zodat de rechtbank hierna de vorderingen ook zal beoordelen op basis van het Nederlands recht.

Hebben partijen een overeenkomst met elkaar gesloten?

5.5.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] en haar kinderen in totaal € 1.700.000,- meer aan schenkingen van erflaatster bij leven hebben ontvangen dan [eiseres] .

5.6.

[eiseres] stelt dat partijen na het overlijden van erflaatster met elkaar zijn overeengekomen om, in afwijking van het testament van erflaatster, de bedragen waarmee [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] was bevoordeeld gelijk te trekken, zodat zij beiden een gelijk aandeel in de nalatenschap van erflaatster zouden krijgen. Betaling van dit bedrag zou plaatsvinden na het overlijden van erflater ten laste van het aandeel van [gedaagde] in zijn nalatenschap. Partijen hebben [bemiddelaar] gevraagd om de hoogte van de bevoordeling van [gedaagde] vast te stellen. Het gaat om schenkingen tijdens het leven van erflaatster en de door haar testament gecreëerde bevoordeling. Deze afspraken blijken volgens [eiseres] – kort gezegd – uit diverse e-mails en uit de notitie van [bemiddelaar] van 14 juli 2025. Naast voornoemd bedrag van € 1.700.000,- (dat tussen partijen niet in geschil is) heeft [bemiddelaar] vastgesteld dat de nalatenschap van erflaatster door het toekennen van een geldlegaat en het legaat van de woning aan de kinderen van [gedaagde] negatief zou zijn. Als hiermee geen rekening werd gehouden, zou de nalatenschap van erflaatster volgens berekeningen van [bemiddelaar] € 1.123.000,- zijn. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] de helft van het bedrag van (€ 1.700.000,- + € 1.123.000,- =) € 2.823.000, dus een bedrag van € 1.411.500,- aan [eiseres] moet vergoeden, aldus [eiseres] .

5.7.

[gedaagde] betwist dat sprake is van een overeenkomst.

5.8.

Omdat [eiseres] zich op het bestaan van een overeenkomst beroept, rust op haar de stelplicht en bewijslast daarvan (artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

5.9.

Uitgangspunt is dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). Daarbij moet de inhoud van het aanbod en de vraag of er overeenstemming is, worden bepaald aan de hand van de wilsvertrouwensleer (artikel 3:33 BW en artikel 3:35 BW). Er komt in beginsel geen rechtshandeling tot stand als de wil van de handelende persoon ontbreekt, tenzij er sprake is van een bij de wederpartij opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen. Verder geldt dat aanvaarding van een aanbod niet schriftelijk, en zelfs niet uitdrukkelijk hoeft plaats te vinden. Aanvaarding kan in elke vorm geschieden en kan besloten liggen in een of meer gedragingen. Om te kunnen bepalen of een overeenkomst tot stand is gekomen moet tot slot worden gekeken naar wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden (het Haviltex-criterium). Daarbij geldt dat partijen in elk geval over de essentiële onderdelen van de overeenkomst overeenstemming moeten hebben bereikt.

5.10.

De rechtbank is van oordeel dat partijen definitieve afspraken met elkaar hebben gemaakt over verrekening van de bedragen waarmee [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] is bevoordeeld, zodat zij uiteindelijk beiden een gelijk aandeel in de nalatenschappen van hun ouders krijgen. Partijen hebben dus een overeenkomst met elkaar gesloten. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.

De opdracht aan [bemiddelaar]

5.11.

[bemiddelaar] heeft meerdere keren aan [gedaagde] geschreven wat volgens hem het uitgangspunt van zijn bemiddeling was, namelijk dat [gedaagde] en [eiseres] uiteindelijk evenveel zouden ontvangen uit de nalatenschappen van hun ouders en dat daarbij de schenkingen van de ouders over en weer in de verdeling zouden worden meegenomen. [gedaagde] heeft hier toen niet tegen geprotesteerd. Dit uitgangspunt volgt onder andere uit de volgende e-mailberichten:

5.11.1.

Het e-mailbericht van [bemiddelaar] van 3 augustus 2023 aan [gedaagde] , waarin hij onder meer schrijft:

Los van ieders juridische positie heb jij in ons eerste gesprek aangegeven dat je als uitgangspunt zou willen aanvaarden dat jij en [eiseres] uit de nalatenschap van jullie moeder en te zijner tijd die van je vader per saldo gelijkelijk worden bedeeld in aanmerking nemend wat ieder van jullie bij leven aan schenkingen van jullie ouders hebben ontvangen. Hoor graag of je je met dit uitganspunt kunt verenigen.

5.11.2.

De e-mail van 4 februari 2024 waarin [bemiddelaar] aan [executeur] (met kopie van die e-mail aan [eiseres] ) bericht:

Bevoordelingen bij leven zouden in de verdeling over en weer moeten worden meegenomen. Ik heb begrepen dat zowel [gedaagde] als [eiseres] zich in dat uitganspunt konden vinden.

5.11.3.

Op voorgaande e-mail heeft [executeur] bij e-mail van 8 februari 2024 aan [bemiddelaar] , [eiseres] en [gedaagde] als volgt gereageerd:

Dank voor je bericht! Helder en prima. (…)

[gedaagde] heeft steeds aangegeven onder bedeling van [eiseres] volledig te willen compenseren. Aan [eiseres] is het hoever zij daarin wil gaan. Alles ligt nu op tafel zodat hierover besluiten genomen kunnen worden.

5.11.4.

De e-mail van 14 juni 2024 van [bemiddelaar] aan [gedaagde] en [eiseres] , waarin hij onder meer schrijft:

In vervolg op de opstelling in onderstaande en gehoord hebbend jullie commentaar had ik al voorgesteld om uit te gaan van een te verrekenen bedrag aan overbedeling van € 1.7 mio. Voor de goede orde maak ik nog een keer inzichtelijk hoe ik, rekening houdend met jullie commentaar, tot dit bedrag ben gekomen.

5.11.5.

De e-mail van 18 juni 2024 waarin [gedaagde] aan [bemiddelaar] (met kopie van die e-mail aan [eiseres] ) onder meer bericht:

Destijds heb ik je gevraagd om te helpen bij de afwikkeling bij de nalatenschap van mijn moeder - [eiseres] vroeg naar mijn moeders financiële verleden - en het leek me prettig zo neutraal mogelijk - met een relatieve buitenstaander die ons goed gezind is, te zien of en hoe de financiële verschillen waren tussen [eiseres] en mij. Ik was juist bereid om daar aan mee te werken terwijl mijn moeder had aangegeven in haar testament dat dit juist niet nodig/gewenst was…. Ik vond het van solidariteit van mezelf aan [eiseres] getuigen om hierin juist actief mee te werken zodat het verleden duidelijk is. Dat verschil heb je boven water gehaald en opgeschreven. Daarover moeten [eiseres] en ik het eens worden. Meer niet. (…).

Hoe dat verschil nu of later met elkaar verrekend zal worden, kunnen we het - na overeenstemming over dat verleden - over eens worden.

5.11.6.

De e-mail van 2 augustus 2024 van [gedaagde] aan de boedelnotaris, [eiseres] en [bemiddelaar] , waarin [gedaagde] schrijft:

De opdracht aan [bemiddelaar] was om, op verzoek van [eiseres] , precies het financiële verleden van mijn moeder uit te zoeken: wat de bevoordeling van mij zou zijn geweest t.o.v. [eiseres] , zodat we later, als mijn vader overleden is, kunnen verrekenen wat ik bevoordeeld ben geweest t.o.v. haar. Dat is duidelijk en hebben we overeenstemming over.

Daarnaast heeft [bemiddelaar] , mogelijk op verzoek van [eiseres] , uitgerekend wat mijn bevoordeling is op basis van het verwerpen van de nalatenschap van mijn moeder door [eiseres] . Hij heeft [eiseres] op basis van zijn berekeningen uitdrukkelijk geadviseerd de nalatenschap te verwerpen.

Nu [bemiddelaar] alles in kaart heeft gebracht lijkt me dit een goede basis om de nalatenschap van mijn moeder verder af te wikkelen.

5.12.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] desgevraagd toegelicht dat zij met het e-mailbericht van 2 augustus 2024 bedoeld heeft dat kan worden verrekend als dat moet. Naar het oordeel van de rechtbank ligt deze uitleg niet voor de hand, zeker omdat [gedaagde] in hetzelfde e-mailbericht schrijft: “Nu [bemiddelaar] alles in kaart heeft gebracht lijkt me dit een goede basis om de nalatenschap van mijn moeder verder af te wikkelen.”. Zoals hierna wordt overwogen (zie 5.32 tot en met 5.34) is ook geen sprake van een plicht tot verrekening of compensatie.

5.13.

[gedaagde] heeft verder betoogd dat de opdracht aan [bemiddelaar] was om de schenkingen in kaart te brengen ten behoeve van de berekening van de legitieme portie van [eiseres] . Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegelicht dat er al zoveel onenigheid was en er een sfeer van grimmigheid heerste. Zij is om die reden ook niet tegen voormelde e-mailberichten ingegaan. De opdracht aan [bemiddelaar] was volgens [gedaagde] om in kaart te brengen welke schenkingen iedereen in de afgelopen dertig jaar had ontvangen, zowel [eiseres] en [gedaagde] als de kleinkinderen. Dit blijkt volgens [gedaagde] uit het feit dat [bemiddelaar] in zijn berekening ook de waarde van de woning aan de [adres] heeft meegenomen, terwijl dit geen schenking bij leven was maar een legaat. Ook het feit dat [bemiddelaar] de schenkingen aan de kleinkinderen heeft meegenomen in de berekening wijst daar volgens [gedaagde] op. [eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat [bemiddelaar] de schenkingen in kaart heeft gebracht om haar legitieme portie te kunnen berekenen.

5.14.

De rechtbank stelt vast dat uit het e-mailbericht van 3 augustus 2023 van [bemiddelaar] aan [gedaagde] juist blijkt dat hij de schenkingen in beginsel niet heeft geïnventariseerd ten behoeve van de berekening van de legitieme portie. [bemiddelaar] schrijft in de e-mail namelijk:

Om tot een eerlijke verdeling langs die lijn te komen zullen vervolgens de schenkingen die jullie vader of moeder aan ieder van jullie hebben gedaan moeten worden geïnventariseerd. Naar mijn idee horen daar de schenkingen aan jouw kinderen ook bij. Overigens is zo’n inventarisatie ook nodig (waar het de schenkingen van je moeder betreft) als [eiseres] een beroep zou doen op haar legitieme portie omdat in dat geval de legitimaire massa bepaald moet worden.

5.15.

Verder schrijft [bemiddelaar] in de brief van 11 mei 2026 dat de stelling van [gedaagde] dat het overleg over de omvang van de bevoordeling die zij bij leven van erflaatster heeft genoten betrekking had op de berekening van de legitieme portie “pertinent onjuist” is.

5.16.

Nu [gedaagde] haar stellingen op dit punt niet nader heeft onderbouwd, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

Tussenconclusie

5.17.

Nu vast staat wat het uitgangspunt van de bemiddeling door [bemiddelaar] was, dit keer op keer door [bemiddelaar] in zijn e-mailberichten (die grotendeels ook in kopie aan [eiseres] zijn gestuurd) is benadrukt en [gedaagde] daartegen niet tegen heeft geprotesteerd, is sprake van een bij [eiseres] opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen dat [gedaagde] akkoord was met het uitgangspunt dat [gedaagde] en [eiseres] uiteindelijk evenveel zouden ontvangen uit de nalatenschappen van hun ouders en dat daarbij de schenkingen van de ouders over en weer in de berekening van de bevoordeling en de compensatie zouden worden meegenomen.

5.18.

De aanvaarding van dit uitgangspunt ligt besloten in de gedragingen van [gedaagde] . De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat [gedaagde] niet heeft geprotesteerd na ontvangst van de e-mailberichten van [bemiddelaar] (die [eiseres] in kopie ontving), terwijl zij wel regelmatig contact met hem had en er een uitgebreide e-mailwisseling tussen hen is geweest sinds het overlijden van erflaatster. Verder blijkt de aanvaarding expliciet uit de e-mails van 8 maart 2024, waarin [gedaagde] aan [eiseres] bericht: “Wat jij dan tekort zou komen hoop ik met jou te kunnen verrekenen op een later tijdstip in de nalatenschap van pappie.” en uit de e-mail van [gedaagde] van 2 augustus 2024 aan de boedelnotaris (met kopie van die e-mail aan [eiseres] ), waarin [gedaagde] schrijft: “De opdracht aan [bemiddelaar] was om, op verzoek van [eiseres] , precies het financiële verleden van mijn moeder uit te zoeken: wat de bevoordeling van mij zou zijn geweest t.o.v. [eiseres] , zodat we later, als mijn vader overleden is, kunnen verrekenen wat ik bevoordeeld ben geweest t.o.v. haar. Dat is duidelijk en hebben we overeenstemming over.

5.19.

Het voorgaande brengt mee dat, gelet op wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij redelijkerwijs uit elkaars verklaringen en gedragingen mochten afleiden, een overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] tot stand is gekomen.

5.20.

De overeenkomst houdt in dat [gedaagde] en [eiseres] onderaan de streep evenveel ontvangen uit de nalatenschappen van hun ouders en dat daarbij de schenkingen van de ouders over en weer en de schenkingen aan de kinderen van [gedaagde] in de berekening van het te verrekenen bedrag worden meegenomen. [bemiddelaar] heeft de hoogte van het te verrekenen bedrag op verzoek van partijen berekend. [gedaagde] heeft ter zitting bevestigd dat er over het feit dat [gedaagde] bij leven van erflaatster voor € 1.700.000,- door haar is bevoordeeld, zoals berekend door [bemiddelaar] , overeenstemming bestond. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de overgelegde stukken worden afgeleid dat er tevens overeenstemming bestond over het andere door [bemiddelaar] berekende bedrag van € 1.123.000,-, waarmee het totale bedrag waarvoor [gedaagde] is bevoordeeld – en waarover dus overeenstemming bestond – op € 2.823.000,- uitkomt. De rechtbank leidt dit onder meer af uit de e-mail van [gedaagde] aan de boedelnotaris van 2 augustus 2024, waarin zij schrijft: “Daarnaast heeft [bemiddelaar] (…) uitgerekend wat mijn bevoordeling is op basis van het verwerpen van de nalatenschap van mijn moeder door [eiseres] . (…) Nu [bemiddelaar] alles in kaart heeft gebracht lijkt me dit een goede basis om de nalatenschap van mijn moeder verder af te wikkelen”, en uit de e-mail van [bemiddelaar] aan [gedaagde] van 13 augustus 2024 (zie 3.21), waarin hij schrijft: “De door jullie beiden goedgekeurde berekening ligt er en mijn taak is daarmee voor dit moment afgerond.” Het is de rechtbank niet gebleken dat [gedaagde] op de e-mail van 13 augustus 2024 heeft gereageerd. Voorts is ook niet gebleken dat [gedaagde] op enig moment inhoudelijk heeft gereageerd op de berekening van [bemiddelaar] van het bedrag van € 1.123.000,- en heeft toegelicht waarom die berekening niet zou kloppen, bijvoorbeeld door te stellen dat bepaalde boedelbestanddelen ontbraken of verkeerd zijn gewaardeerd. Zij heeft [bemiddelaar] wel laten weten dat zij zich “globaal” in de berekeningen kon vinden (zie 3.14). Voor zover uit de aangehaalde e-mailcorrespondentie geen expliciete instemming van [gedaagde] met het bedrag van € 1.123.000,- blijkt, is de rechtbank dan ook van oordeel dat [gedaagde] met haar e-mails in ieder geval bij [eiseres] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat die instemming er was en dat er dus overeenstemming tussen partijen bestond over het totale door [bemiddelaar] berekende bedrag van € 2.823.000,-.

5.21.

Verder houdt de overeenkomst in dat de vordering van [eiseres] zal worden verrekend met het erfdeel van [gedaagde] in de nalatenschap van erflater. Dit laatste onderdeel van de overeenkomst volgt onder meer uit het e-mailbericht van [gedaagde] van 8 maart 2024 (zie 3.11), het e-mailbericht van [gedaagde] van 2 augustus 2024 aan de boedelnotaris (zie 3.18) en het e-mailbericht van [executeur] van 8 februari 2024 (zie 3.10) waarin hij schrijft dat [gedaagde] graag de flat van [erflater] wil inzetten “als verrekeningsvermogen voor een onder- of overbedeling tussen haar en [eiseres]”. Op de vraag hoe die verrekening vervolgens exact zou moeten plaatsvinden na het overlijden van erflater en met welke vermogensbestanddelen uit zijn nalatenschap heeft [gedaagde] niet willen vooruitlopen, zo blijkt uit haar e-mail van 9 augustus 2024 (zie 3.20). Dat maakt dan ook geen onderdeel uit van de overeenkomst tussen partijen.

De overige verweren van [gedaagde]

5.22.

De rechtbank is van oordeel dat de overige verweren van [gedaagde] niet tot een ander oordeel kunnen leiden en licht dit als volgt toe.

5.23.

[gedaagde] betoogt dat er sprake was van een hypothetische situatie en van een voorstel van [bemiddelaar] . Daaruit volgt volgens [gedaagde] dat er geen overeenstemming of afspraak was. [gedaagde] onderbouwt dit met de e-mails van 17 juni 2024, 13 augustus 2024 en 14 juli 2025 waarin [bemiddelaar] het woord ‘voorstel’ gebruikt. De rechtbank is van oordeel dat uit de context van voormelde e-mails blijkt dat partijen wel degelijk de afspraak hadden gemaakt om de schenkingen te verrekenen. Zo stelde [bemiddelaar] in zijn e-mail van 14 juni 2024 voor om uit te gaan van een te verrekenen bedrag van € 1.700.000,-. Hieruit volgt niet dat partijen geen overeenstemming hadden om de schenkingen te verrekenen.

5.24.

Volgens [gedaagde] hield de (door haar betwiste) overeenkomst ook in dat [eiseres] de nalatenschap van erflaatster zou verwerpen. Aangezien [eiseres] de nalatenschap van erflaatster niet heeft verworpen maar beneficiair heeft aanvaard, is de gestelde overeenkomst daardoor door [gedaagde] vernietigd, zo betoogt zij. [gedaagde] kon dit standpunt en de grondslag van die vernietiging desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling niet toelichten. Nu onduidelijk is gebleven wat de rechtsgrond is voor de gestelde vernietiging, gaat de rechtbank daaraan voorbij.

5.25.

Naar het oordeel van de rechtbank is het al dan niet verwerpen van de nalatenschap van erflaatster door [eiseres] geen essentieel onderdeel van de overeenkomst. Het essentiële deel van de overeenkomst is immers dat partijen het eens zijn over de bevoordeling van [gedaagde] door de schenkingen, het saldo van de nalatenschap van erflaatster en de bedoeling van partijen dat zij beiden uit de nalatenschappen van beide ouders per saldo een gelijk bedrag ontvangen. Dat wordt niet anders door de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap van erflaatster door [eiseres] . Dat het verwerpen van de nalatenschap van erflaatster geen essentieel onderdeel van de overeenkomst is, maar vooral was ingegeven door fiscale redenen, volgt ook uit het e-mailbericht van 17 juni 2024 van [bemiddelaar] aan [gedaagde] , waarin [bemiddelaar] schrijft: “het meest praktisch zou zijn als [eiseres] die zou verwerpen zodat jij de handen vrij hebt met het huis en de legaten om dat fiscaal optimaal te stroomlijnen.

5.26.

[gedaagde] betoogt nog dat een overeenkomst die zodanig verstrekkend is en met zulke grote geldelijke belangen op zijn minst genomen in een schriftelijke overeenkomst of notariële akte moet worden vastgelegd. Uit het feit dat dit niet is gebeurd, is volgens [gedaagde] af te leiden dat er geen overeenstemming was. De rechtbank stelt vast dat uit de e-mail van [eiseres] van 23 juli 2024 (zie 3.17) volgt dat [bemiddelaar] voorstelde om de punten waar partijen overeenstemming over hadden vast te leggen in een overeenkomst. De omstandigheid dat dit uiteindelijk niet is gebeurd, maakt niet dat er geen overeenkomst is gesloten. Uit voormeld e-mailbericht blijkt juist dat er wel overeenstemming tussen partijen was.

5.27.

Verder blijkt volgens [gedaagde] uit het e-mailbericht van 2 augustus 2024 (zie 3.19) van [eiseres] aan de boedelnotaris dat er geen overeenstemming was. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] desgevraagd toegelicht dat zij in het e-mailbericht van 2 augustus 2024 aan de boedelnotaris schreef dat er geen formele overeenstemming was, waarmee zij bedoelde dat er weliswaar overeenstemming was, maar dat deze niet in een schriftelijke vaststellingsovereenkomst was gegoten. De bedoeling was volgens [eiseres] dat de notaris de vaststellingsovereenkomst zou opstellen, maar [gedaagde] vond dat niet nodig en omdat het toch duidelijk was heeft [eiseres] het laten zitten. De rechtbank is van oordeel dat, hoewel het kennelijk wel de bedoeling van [eiseres] en van [bemiddelaar] was om de overeenkomst schriftelijk vast te leggen maar dit niet is gebeurd, dit niet meebrengt dat geen sprake is van een overeenkomst tussen partijen. Een overeenkomst hoeft immers niet altijd op papier te staan.

Nietigheid op grond van artikel 4:4 BW?

5.28.

[gedaagde] heeft een beroep gedaan op nietigheid van de overeenkomst op grond van artikel 4:4 BW. [gedaagde] stelt dat zij door de overeenkomst wordt belemmerd in de vrijheid om haar bevoegdheden uit te oefenen die haar volgens de wet toekomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] desgevraagd toegelicht dat zij als gevolg van de overeenkomst geen aanspraak kan maken op haar volledige erfdeel uit de nalatenschap van erflater.

5.29.

Artikel 4:4 lid 1 BW bepaalt dat een voor het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling nietig is, voor zover zij de strekking heeft een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen, welke hem met betrekking tot die nalatenschap toekomen. De in artikel 4:4 lid 1 BW bedoelde bevoegdheden zijn onder meer die tot het maken en herroepen van uiterste wilsbeschikkingen, tot het verwerpen en het (beneficiair) aanvaarden van de nalatenschap of van legaten, tot het opkomen tegen inbreuken op de rechten als legitimaris of het vernietigen van een uiterste wilsbeschikking.

5.30.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een nietige overeenkomst op grond van artikel 4:4 lid 1 BW. Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] en [eiseres] uiteindelijk evenveel ontvangen uit de nalatenschappen van hun ouders en dat [gedaagde] [eiseres] zal compenseren omdat zij meer heeft ontvangen van erflaatster. Dat [gedaagde] de compensatie vervolgens zou voldoen uit haar aandeel in de nalatenschap van erflater betekent niet dat sprake is van een nietige rechtshandeling als bedoeld in artikel 4:4 lid 1 BW. [gedaagde] wordt door die afspraak immers niet belemmerd in haar vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen die haar (als erfgenaam) op grond van de wet met betrekking tot de nalatenschap van erflater toekomen.

5.31.

Op grond van artikel 4:4 lid 2 BW zijn overeenkomsten strekkende tot beschikking over nog niet opengevallen nalatenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan nietig. Nu het gaat om een geldvordering en niet om de gehele nalatenschap van erflater, of over een evenredig deel daarvan, is de overeenkomst naar het oordeel van de rechtbank evenmin nietig op grond van artikel 4:4 lid 2 BW.

Is sprake van dwaling?

5.32.

[gedaagde] betoogt dat de overeenkomst op grond van dwaling moet worden vernietigd.

Aan dit beroep op dwaling legt zij ten grondslag dat [eiseres] en [bemiddelaar] deden voorkomen alsof er in het testament van erflater een verplichting tot compensatie stond. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] desgevraagd toegelicht dat dit blijkt uit e-mails en uit de stukken van beide partijen. Daarin komt volgens [gedaagde] duidelijk het beeld naar voren waar de suggestie wordt gewekt dat er een verplichting is. Er is continu de suggestie gewekt dat het testament van erflater een clausule bevatte die verplichtte om te compenseren. Omdat werd gezegd dat ze moest compenseren, heeft [gedaagde] scenario’s bedacht om dat te doen. Door bij herhaling te zeggen dat zij een verplichting tot compensatie had is [gedaagde] onder druk gezet. Als er al een overeenkomst is, heeft zij die daarom niet op de juiste gronden gesloten. [gedaagde] wist op dat moment niet dat het een wens was van erflater en geen verplichting, aldus [gedaagde] .

5.33.

[eiseres] betwist dat sprake is van dwaling. [eiseres] betoogt dat uit de eigen e-mails van [gedaagde] en de overige correspondentie blijkt dat er duidelijk over de wens van erflater is gesproken en niet over moeten of verplichten. Ook uit de e-mail van [executeur] van 8 februari 2024, waarin hij schrijft dat [gedaagde] heeft besloten af te wijken van het testament van erflaatster, blijkt dat zij dit welbewust deed.

5.34.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op dwaling niet slaagt. [eiseres] heeft gemotiveerd betwist dat zij en [bemiddelaar] de indruk hebben gewekt dat [gedaagde] verplicht was om aan [eiseres] een compensatie te voldoen. De rechtbank vindt hier ook geen aanknopingspunten voor in de e-mailcorrespondentie. Evenmin blijkt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie dat [gedaagde] onder druk is gezet om de overeenkomst aan te gaan. Er was bij [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dus geen sprake van een onjuiste voorstelling van zaken.

Conclusie

5.35.

[eiseres] vordert te verklaren voor recht dat:

[gedaagde] en [eiseres] na het overlijden van erflaatster in onderling overleg hebben vastgesteld dat [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] bij leven van en op grond van het testament van erflaatster ten opzichte van [eiseres] voor een bedrag van € 2.823.000,- is overbedeeld;

partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] in verband met het door haar zijn overbedeeld voor € 2.823.000,- na het overlijden van erflater de helft van dit bedrag aan [eiseres] zou voldoen (al dan niet), ten laste van haar aandeel in de nalatenschap van erflater.

5.36.

Verder vordert [eiseres] veroordeling van [gedaagde] tot het voldoen aan [eiseres] van een bedrag van € 1.411.500, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.37.

Zoals hiervoor is overwogen, staat tussen partijen staat vast dat [gedaagde] en haar kinderen in totaal € 1.700.000,- meer aan schenkingen van erflaatster hebben ontvangen dan [eiseres] . Verder heeft [bemiddelaar] berekend dat de omvang van de nalatenschap van erflaatster € 1.123.000,- zou zijn, als geen rekening wordt gehouden met de geldlegaten en het legaat van de woning aan de kinderen van [gedaagde] . [bemiddelaar] heeft berekend dat [gedaagde] voor een bedrag van € 2.823.000,- is bevoordeeld (€ 1.700.000,- + € 1.123.000,-), ervan uitgaande dat [eiseres] de nalatenschap van erflaatster zou verwerpen. Dat heeft zij niet gedaan. Nu tussen partijen vast staat dat de nalatenschap van erflaatster door de afgifte van de legaten negatief is, is voor de berekening van de bevoordeling niet relevant dat [eiseres] de nalatenschap van erflaatster niet heeft verworpen maar (beneficiair) heeft aanvaard. In beide situaties krijgt [eiseres] immers niets uit de nalatenschap van erflaatster. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onder 4.1 sub 1 gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is, met dien verstande dat daaraan wordt toegevoegd dat wordt uitgegaan van de situatie dat [eiseres] niets uit de nalatenschap van erflaatster ontvangt. Indien [eiseres] uit die nalatenschap wel iets zou ontvangen, heeft dit immers gevolgen voor de overeengekomen berekening.

5.38.

Als gevolg van de overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten moet [gedaagde] de helft van haar bevoordeling aan [eiseres] betalen. Dat is een bedrag van € 1.411.500,-. Onderdeel van de overeenkomst is dat betaling van dit bedrag zal plaatsvinden door verrekening met het erfdeel van [gedaagde] in de nalatenschap van erflater. De onder 4.1 sub 2 gevorderde verklaring voor recht is dus ook toewijsbaar, met dien verstande dat ook hier wordt toegevoegd dat wordt uitgegaan van de situatie dat [eiseres] niets uit de nalatenschap van erflaatster ontvangt.

5.39.

Voorts zal de rechtbank, aangezien juridisch geen sprake is van ‘overbedeling’ (er is immers geen sprake van een verdeling van gemeenschappelijk vermogen) maar van ‘bevoordeling’, zoals ook door de advocaat van [gedaagde] naar voren is gebracht, in de verklaringen voor recht de term ‘bevoordeling’ gebruiken.

5.40.

[eiseres] stelt dat haar vordering opeisbaar is geworden op het moment van overlijden van erflater. Partijen hebben echter met elkaar afgesproken dat de vordering wordt verrekend met het erfdeel van [gedaagde] in de nalatenschap van erflater. Dit brengt mee dat de vordering opeisbaar is bij de uiteindelijke afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Uit de dagvaarding blijkt dat de executeur zijn werkzaamheden ten behoeve van de nalatenschap van erflater nog niet heeft afgerond. Daarom is de vordering van [eiseres] op dit moment nog niet opeisbaar. Vordering 3 onder 4.1 zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

5.41.

Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen.

Beslissing

6
De beslissing

De rechtbank:

6.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] en [eiseres] na het overlijden van erflaatster in onderling overleg hebben vastgesteld dat [gedaagde] ten opzichte van [eiseres] bij leven van en op grond van het testament van erflaatster, uitgaande van de situatie dat [eiseres] uit de nalatenschap van erflaatster niets ontvangt, ten opzichte van [eiseres] voor een bedrag van € 2.823.000,- is bevoordeeld;

6.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde] en [eiseres] zijn overeengekomen dat [gedaagde] in verband met het door haar zijn bevoordeeld voor € 2.823.000,-, uitgaande van de situatie dat [eiseres] uit de nalatenschap van erflaatster niets ontvangt, na het overlijden van erflater de helft van dit bedrag (te weten € 1.411.500,-) aan [eiseres] zal voldoen, ten laste van haar aandeel in de nalatenschap van erflater;

6.3.

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

2339

Voetnoot

Voetnoot 1

Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.