Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707677 / KG ZA 26-693
Vonnis in kort geding van 4 augustus 2026
[de vader]
te [woonplaats],
eiser,
advocaat mr. D. Vurdelja in Den Haag,
[de moeder]
te [woonplaats],
gedaagde,
in persoon verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘vader’ en ‘moeder’.
3.1
De vader vordert – zakelijk weergegeven – na vermindering van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat er een voorlopige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] zal gelden, waarbij [minderjarige] elke zaterdag bij de vader zal verblijven, op straffe van een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder geheel of gedeeltelijk weigert haar medewerking te verlenen aan het vonnis.
3.2
Daartoe voert de vader – samengevat – het volgende aan. Na het uiteengaan van partijen in november 2025 heeft de vader de gezamenlijke woning verlaten. Nadat de vader de woning had verlaten, vond gedurende een paar maanden wekelijks contact plaats tussen de vader en [minderjarige], waarbij [minderjarige] iedere zaterdag bij de vader verbleef. Deze omgangsregeling is door de moeder beëindigd. De moeder weigert sindsdien haar medewerking te verlenen aan voortzetting van het contact tussen de vader en [minderjarige]. De vader heeft meerdere pogingen ondernomen om hierover met de moeder in overleg te treden, maar de communicatie verloopt moeizaam, waardoor het niet is gelukt om in onderling overleg tot een oplossing te komen. De vader mist [minderjarige] enorm en wil graag dat er een omgangsregeling wordt bepaald. Daarbij wil hij dat aan de nakoming van de omgangsregeling een dwangsom wordt verbonden, omdat hij vreest dat de moeder anders niet zal meewerken aan de regeling.
3.3
De moeder voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Overwegingen
4
De beoordeling van het geschil
4.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing in dit vonnis over de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] een voorlopige ordemaatregel betreft. Deze maatregel geldt totdat partijen samen, eventueel met behulp van advocaten, afspraken maken of tot een beslissing in de al lopende bodemprocedure wordt genomen.
4.2
Tussen partijen is niet in geschil dat er omgang moet zijn tussen de vader en [minderjarige]. Op de zitting is gesproken over de wijze waarop de omgang moet worden ingevuld. De moeder vindt dat de omgangsregeling die door de vader is gevorderd een te lange aaneengesloten periode is voor [minderjarige]. Zij heeft op de zitting wel ingestemd met een regeling waarbij [minderjarige] iedere zaterdag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de vader is. Met een verdere uitbreiding heeft de moeder niet ingestemd. Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat de vader volgens haar onvoldoende geïnteresseerd is in [minderjarige] en in het verleden geen exclusieve aandacht voor [minderjarige] had. In dat kader heeft zij verteld dat de vader, wanneer hij omgang had met [minderjarige], ook met vrienden afsprak en zijn aandacht daardoor niet volledig op [minderjarige] was gericht. Daarnaast heeft de moeder aangegeven dat [minderjarige] in de middag nog slaapt en dat daarmee rekening moet worden gehouden.
4.3.
De voorzieningenrechter acht een structurele omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] – net als partijen en de Raad – in het belang van [minderjarige]. Het is daarbij van belang dat de omgang wordt opgebouwd, zodat [minderjarige] kan wennen aan het contact met de vader, en de moeder vertrouwen kan krijgen in de vader. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat de vader serieus is in zijn wens om omgang met [minderjarige] te hebben, omdat hij deze procedure is gestart.
4.4.
Zoals op de zitting is besproken en waarmee beide partijen hebben ingestemd, zal worden begonnen met vier keer een omgangsmoment op zaterdag van 10.00 uur tot 15.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder haalt en brengt. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over een eventuele uitbreiding van deze regeling. De voorzieningenrechter acht een uitbreiding echter wel in het belang van [minderjarige] en zal daarom bepalen dat [minderjarige] daarna iedere zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader zal zijn, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder haalt en brengt. De voorzieningenrechter gaat er daarbij van uit dat, als [minderjarige] moe is, zij gedurende het omgangsmoment in de middag bij de vader kan slapen. Het meer of anders over de omgang gevorderde zal de voorzieningenrechter afwijzen.
4.5.
De voorzieningenrechter ziet op dit moment geen aanleiding om aan de nakoming van de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] een dwangsom te verbinden en zal de vordering van de vader daartoe afwijzen.
4.6.
Tot slot is op de zitting gesproken over óf en zo ja in hoeverre de moeder de vader informeert over [minderjarige]. De vader heeft daarbij naar voren gebracht dat hij momenteel niet geïnformeerd wordt door de moeder. Hij wil wel graag geïnformeerd worden over [minderjarige]. De moeder heeft in dat kader aangegeven dat zij de vader niet informeert, omdat hij hier niet om vraagt. De voorzieningenrechter rekent erop dat partijen afspraken kunnen maken over een informatieregeling. Daarbij wil de voorzieningenrechter meegeven dat het delen van informatie over [minderjarige] een wettelijke plicht is.
4.7.
Omdat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, acht de voorzieningenrechter het redelijk dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.