Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig personen- en familierecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:4489

Op 26 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/09/668897 / FA RK 24-4757, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4489. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/09/668897 / FA RK 24-4757
Datum uitspraak:
26 January 2026
Datum publicatie:
6 March 2026

Indicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer / rekestnummer: C/09/668897 / FA RK 24-4757

Beschikking d.d. 26 januari 2026 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. M. de Bluts, gevestigd te Zoetermeer,

tegen

[de man] ,

zonder bekende woon en/of verblijfplaats binnen en buiten Nederland,

hierna te noemen de man.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 1 juli 2024;

- het F9-formulier van 25 juli 2024, met bijlagen, waaronder een betekeningsexploot, van de zijde van de vouw;

- het F9-formulier van 11 december 2024, met bijlage, van de zijde van de vouw;

- het F9-formulier van 20 januari 2025, met het herstel betekeningsexploot, van de zijde van de vouw;

- de brief van 29 juli 2025 van de zijde van de vrouw;

- het herstelexploot van 9 september 2025 en de oproep in de Staatscourant (nummer 31848) van 16 september 2025.

1.2.

Binnen de daarvoor gestelde termijn is door de man geen verweerschrift ingediend.

1.3.

De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken.

Overwegingen

2
De beoordeling
2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd in 1997 te [plaats] , [land] . In de Basisregistratie personen (Brp) is als huwelijksdatum [datum] 1997 opgenomen. Partijen hebben blijkens de Brp in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] , [land] en

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2] .

2.3.

Scheiding

2.3.1.

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.3.3.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

2.3.4.

De rechtbank stelt vast dat de vrouw heeft verzuimd een gewaarmerkt afschrift van

de huwelijksakte over te leggen, dat niet ouder is dan drie maanden, zoals door het vijfde lid onder a van artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met het procesreglement scheiding wordt vereist. De rechtbank acht, gezien de overgelegde stukken omtrent de huwelijkssluiting, redenen aanwezig om aan te nemen dat het genoemde afschrift redelijkerwijs niet kan worden overgelegd en gaat ervan uit dat sprake is van een rechtsgeldig huwelijk tussen partijen. De rechtbank zal de vrouw daarom op dit punt ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

2.3.5.

Op grond van artikel 815, lid 2, Rv, voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd.

2.3.6.

Door de vrouw is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid 2 Rv overgelegd. De vrouw heeft gesteld dat de man in mei 2022 naar een onbekend adres in het buitenland is vertrokken en zij sindsdien geen contact meer met hem heeft gehad. Het is daarom niet mogelijk voor haar om een ondertekend ouderschapsplan te overleggen. Nu de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de vrouw ook op dit punt ontvangen in haar verzoek tot echtscheiding.

2.3.7.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Gezag en verblijfplaats

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat het gezag over de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] na echtscheiding alleen aan haar toekomt. Voorts heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij haar zal zijn.

2.4.2.

De gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] is in Nederland. De Nederlandse rechter is daarom bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot voorziening in het gezag over en tot vaststelling van de verblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .

2.4.3.

De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders na echtscheiding het ouderlijk gezag gezamenlijk blijven uitoefenen. De rechtbank acht in dit geval wijziging van het gezag in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die met zich brengen dat het gezamenlijk gezag dient te worden gewijzigd. Dit nu de man ruim drie jaar geleden naar een onbekende verblijfplaats in het buitenland is vertrokken en niet meer bereikbaar is voor de vrouw. De vrouw moet in staat zijn beslissingen te kunnen nemen voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De rechtbank zal dit verzoek dan ook toewijzen.

2.4.4.

Ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vrouw overweegt de rechtbank dat de vrouw zal worden belast met het eenhoofdige gezag. De vrouw heeft daarom geen belang meer bij toewijzing van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De rechtbank zal dat verzoek bij gebrek aan belang afwijzen.

2.5.

Woning

2.5.1.

De vrouw heeft het huurrecht van de woning verzocht.

2.6.2.

De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a, Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.

2.6.3.

De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.

2.6.4.

De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

2.6.

Verdeling

2.6.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de zich in de echtelijke woning bevindende inboedel aan haar wordt toebedeeld.

2.6.2.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding. Hij heeft daarom ook rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

2.6.3.

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.

2.6.4.

Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.

2.6.5.

Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna de Somalische nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.

2.6.6.

Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.

2.6.7.

Het land van de eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking is geen verdragsland en het beschouwt zich als een nationaliteitsland.

2.6.8.

Op grond van het bepaalde in artikel 4, lid 2 aanhef en sub 2 aanhef en onder b. van het Verdrag werd vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het gemeenschappelijke nationale recht van partijen, te weten het recht van [land] , van toepassing op hun huwelijksvermogensregime.

2.6.9.

Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, lid 2 van het Verdrag, waardoor na voornoemd recht, het recht van Nederland van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime.

2.6.10.

De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot toedeling van de inboedel van de echtelijke woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.

Beslissing

3
De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , [land] in 1997 ( [datum] 1997);

3.2.

bepaalt dat het gezag over de minderjarige kinderen van partijen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] , [land] en

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats 2] ,

alleen toekomt aan de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres: [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

3.4.

bepaalt dat de zich in de echtelijke woning bevindende inboedel aan de vrouw wordt toebedeeld;

3.5.

verklaart de beslissing met betrekking tot het gezag en de verdeling (inboedel) uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.G.J. Verkennis op 26 januari 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.