Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig personen- en familierecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:11902

Op 2 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/09/699411 / FA RK 26-1380, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:11902. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/09/699411 / FA RK 26-1380
Datum uitspraak:
2 April 2026
Datum publicatie:
15 May 2026
Advocaat:
mr. J.A.M. Schoenmakers in Breda;mr. Y.M. Schrevelius in Rotterdam

Indicatie

Internationale kinderontvoering. Afwijzing verzoek moeder tot teruggeleiding kind naar [land], omdat gewone verblijfplaats in Nederland is en er daardoor geen sprake van ongeoorloofde achterhouding is.

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 26-1380

Zaaknummer: C/09/699411

Datum beschikking: 2 april 2026

Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 11 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.A.M. Schoenmakers in Breda.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. Y.M. Schrevelius in Rotterdam .

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder;

het bericht, met bijlagen, namens de vader;

het bericht van 9 maart 2026 namens de vader;

de e-mail van 13 maart 2026 van het Mediation Bureau;

de bijlagen namens de moeder, ingediend op 16 maart 2026;

het verweerschrift, met zelfstandig verzoek en met bijlagen, namens de vader;

de bijlagen namens de moeder, ingediend op 18 maart 2026.

Op 24 februari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. H.M. Boone. De behandeling ter zitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting zijn de moeder en de vader in de gelegenheid gesteld om door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 13 maart 2026 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is gestart. De moeder handhaaft daarom het teruggeleidingsverzoek.

Op 19 maart 2026 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en

[naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Feiten

De moeder en de vader zijn gehuwd op [datum] 2023 in [plaats 1] .

Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2024 in [geboorteplaats] ;

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats] .

De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.

Op 9 januari 2026 heeft de vader naar de moeder de Talaq (echtscheiding) uitgesproken.

Sinds 28 januari 2026 leven de kinderen apart van elkaar en verblijft [minderjarige 2] bij de vader in Nederland en verblijft [minderjarige 1] bij de moeder in [land] .

De vader heeft de Nederlandse Centrale Autoriteit op 20 februari 2026 verzocht om teruggeleiding van [minderjarige 1] naar Nederland.

De ouders en de kinderen hebben volgens de Basisregistratie Personen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt:

de onmiddellijke terugkeer van [minderjarige 2] te bevelen, althans op 15 maart 2026, althans uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, waarbij de vader [minderjarige 2] dient terug te brengen naar het [adres] , [plaats 2] , [land] ;

te bevelen – indien de vader nalaat [minderjarige 2] terug te brengen – dat de vader onmiddellijk, doch uiterlijk op 15 maart 2026, althans uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, het paspoort van [minderjarige 2] en de benodigde geldige reisdocumenten aan de moeder zal afgeven, zodat zij [minderjarige 2] zelf mee terug kan nemen naar [land] ;

op grond van artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 2] ;

de vader wordt veroordeeld tot betaling van een nog te specificeren bedrag aan moeder, voor de daadwerkelijke kosten die de moeder heeft moeten maken en nog dient te maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.

De vader voert verweer tegen het verzoek van de moeder, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader zelfstandig om de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, zijnde een bedrag van € 7.601,-.

Overwegingen

Beoordeling

Rechtsmacht

Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en [land] zijn partij bij het Verdrag.

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [minderjarige 2] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Tussen de ouders is in geschil waar [minderjarige 2] haar gewone verblijfplaats had op 28 januari 2026, het moment waarop [minderjarige 2] volgens de moeder wordt vastgehouden door de vader in Nederland. De moeder stelt dat de relatie tussen de ouders in november 2025 is verbroken en dat zij toen met instemming van de vader met de kinderen naar de grootouders moederszijde in [land] is verhuisd. De vader betwist dit en geeft aan dat de moeder in november 2025 tijdelijk naar de grootouders moederszijde in [plaats 2] , [land] is gegaan, om vanwege ziekte voor de oma moederszijde te zorgen.

De rechtbank stelt vast dat de ouders als gezin in [plaats 1] hebben gewoond. De moeder en beide kinderen staan tot op heden in de Basisregistratie Personen ingeschreven in [plaats 1] . Ook staat vast dat de moeder op 28 januari 2026 voor [minderjarige 2] een afspraak had bij het consultatiebureau in [plaats 1] . Uit een notitie van de verloskundige over het op 24 december 2025 gevoerde telefoongesprek met de moeder (productie 6 moeder) blijkt dat volgens de moeder de vader uit elkaar wil gaan, dat de moeder hoopt dat het gezin weer bij elkaar komt en dat zij het een laatste kans wil geven. Een en ander rijmt niet met de stelling van de moeder dat vanaf november 2025 de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] definitief naar [land] is gewijzigd.

De moeder heeft ter onderbouwing van haar stelling dat zij en de kinderen met instemming van de vader naar [land] zijn verhuisd, verwezen naar tussen de ouders gevoerde Whatsapp-gesprekken (productie 8 moeder). De rechtbank is van oordeel dat deze gesprekken niet het betoog van de moeder ondersteunen. Zo vraagt de moeder of de vader haar instappers kan brengen en zegt daarbij: “Die liggen beneden in schoenenkast denk ik. Of boven waar mn schoenen liggen”. Ook vraagt de moeder: “En kan u mijn borstvoeding pads meebrengen? Die liggen in de kast overkant van toilet waar dyson n zo ligt (een paarse doos)”. Deze gewisselde berichten geven wel aan dat de vader spullen van de moeder naar [plaats 2] heeft gebracht, maar niet dat dit in het kader van een tussen de ouders overeengekomen definitieve verhuizing was. De overige berichten gaan over hoe laat de vader bij de grootouders moederszijde zal zijn om de kinderen te halen of te brengen, of de kinderen al slapen en of hij mee wil eten. Ook hieruit komt op geen enkele wijze het beeld naar voren dat sprake was van een verhuizing.

Verder beroept de moeder zich op een omgangsregeling die zou zijn afgesproken, maar de vader weerspreekt dit en er zijn verder geen stukken overgelegd die dit onderbouwen, anders dan enkele getuigenverklaringen. De rechtbank gaat aan die verklaringen van familieleden van de moeder voorbij, omdat deze niet objectief controleerbaar zijn.

Enige andere onderbouwing van de moeder voor de stelling dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] is veranderd van [plaats 1] naar [plaats 2] , [land] , ontbreekt.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de moeder, mede gelet op de betwisting door de vader, haar stelling dat zij met de kinderen naar [plaats 2] , [land] is verhuisd en dat de gewone verblijfplaats van de kinderen naar [land] is gewijzigd, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank concludeert daarom dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 2] op 28 januari 2026 in [plaats 1] , Nederland, was. Er is daarom geen sprake van een ongeoorloofde achterhouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag. De rechtbank zal het verzoek van de moeder tot teruggeleiding van [minderjarige 2] naar [land] en de daarmee samenhangende verzoeken afwijzen.

Proceskosten

Beide ouders hebben verzocht om de andere ouder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank merkt op dat op grond van artikel 26 lid 4 van het Verdrag en artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet de rechtbank bij toewijzing van een verzoek tot teruggeleiding de meenemende ouder kan veroordelen tot betaling van de door de achtergebleven ouder in verband met de ontvoering en de teruggeleiding van het kind gemaakte kosten. Aangezien het verzoek tot teruggeleiding wordt afgewezen zijn die artikelen in dit geval niet van toepassing. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen sprake is van het nodeloos betrekken van de vader in de procedure door de moeder, waardoor een proceskostenveroordeling zou zijn gerechtvaardigd. Aangezien het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren zoals hierna vermeld.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

*

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren op

[geboortedatum 2] 2025 in [geboorteplaats] , naar [land] ;

*

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, E.D.A. Geleijns en F. van Overbeeke, rechters, ook kinderrechters, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 2 april 2026.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de zitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.