1
[eisers sub 1] te
[woonplaats 1] ,
2. [eisers sub 2] te [woonplaats 2] ,
3. [eisers sub 3] te [woonplaats 3] ,
eisers,
advocaten: mrs. R. Sharaf en M. van Sintmaartensdijk,
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) te Den Haag,
gedaagde,
advocaten: mrs. J.L. Naves en S. Zamani.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eisers’ en ‘de Staat’.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Via een Europese aanbestedingsprocedure heeft de Staat op 7 augustus 2020 met het Nederlandse IT-bedrijf Solvinity B.V. (hierna: Solvinity) de Overeenkomst Infrastructuurdiensten gesloten, op basis waarvan Solvinity het zogenoemde Picard-platform heeft ontworpen en gebouwd (hierna: de overeenkomst). Picard is een digitaal platform waarop diverse overheidsapplicaties van Logius (Voetnoot 1) draaien.
2.2.
Het technische beheer van het Picard-platform wordt uitgevoerd door Solvinity, wat inhoudt dat Solvinity zorgdraagt voor de infrastructuur, de servers, updates en de performance van het platform. Het beheer van de applicaties van Logius wordt niet door Solvinity gedaan.
2.3.
Op de overeenkomst zijn de Algemene Rijksinkoopvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2022 (hierna: de ARBIT) van toepassing. In artikel 30.3 van de ARBIT is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Opdrachtgever kan zonder voorafgaande aanmaning of ingebrekestelling met onmiddellijke ingang buiten rechte de Overeenkomst schriftelijk ontbinden, indien (…) sprake is van een ingrijpende wijziging in de zeggenschap over de activiteiten van de onderneming van Wederpartij, op een aanmerkelijk deel van het vermogen van Wederpartij beslag wordt gelegd of Wederpartij anderszins niet langer in staat moet worden geacht de verplichtingen uit de Overeenkomst na te komen. (…)”
2.4.
In 2024 heeft de Staat de overeenkomst met Solvinity met twee jaar verlengd. De Staat heeft het recht om de overeenkomst nog één keer te verlengen. De overeenkomst eindigt op 6 augustus 2026, indien de Staat niet uiterlijk op 6 mei 2026 gebruikmaakt van de laatste verlengingsoptie voor een periode van twee jaar.
2.5.
De Staat is voornemens om de overeenkomst met Solvinity te verlengen tot 6 augustus 2028.
2.6.
Op 5 november 2025 is bekendgemaakt dat Kyndryl Nederland B.V. (hierna: Kyndryl) en Solvinity onder voorbehoud een overeenkomst hebben gesloten tot overname van Solvinity door Kyndryl (hierna: de voorgenomen overname). Kyndryl is een dochtervennootschap van het Amerikaanse IT-bedrijf Kyndryl International LLC. Solvinity heeft de voorgenomen overname op 7 november 2025 op haar website aangekondigd.
2.7.
Op 13 november 2025 zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld over de voorgenomen overname. Die Kamervragen zijn door de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de staatssecretaris), mede namens de Minister van Economische Zaken, als volgt beantwoord op 17 december 2025:
“Vraag 8
Welke gevolgen heeft de overname van Solvinity door een Amerikaans bedrijf voor de vertrouwelijkheid en veiligheid van overheidsinformatie die bij dit bedrijf worden ondergebracht, en het bedrijf vermoedelijk onder Amerikaanse wetgeving zoals de CLOUD Act (Clarifying Lawful Overseas Use of Data Act), de Foreign Intelligence Surveillance Act (FISA) en Executive Order 12333 komt te vallen?
Antwoord 8
Er zijn met Solvinity afspraken gemaakt over de vertrouwelijkheid en veiligheid van de bij deze onderneming ondergebrachte gegevens. Een overname van Solvinity door een partij in de VS betekent dat die afspraken nader moeten worden ingevuld, om te voorkomen dat de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens in het geding kan komen. De drie genoemde wettelijke instrumenten maken het, in ieder geval in theorie, mogelijk dat autoriteiten in de VS onder de in deze wetgeving genoemde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot de gegevens waarover een onderneming in de VS beschikt, óók wanneer de gegevens zich bevinden onder een dochtervennootschap en op servers buiten de VS. Als Solvinity wordt overgenomen door een onderneming in de VS brengt dit Solvinity onder de reikwijdte van deze wetgeving. Het gevolg daarvan kan, in ieder geval in theorie, zijn dat autoriteiten in de VS in voorkomend geval toegang krijgen tot de gegevens die door Solvinity in opdracht van de Staat worden verwerkt.
De overeenkomsten tussen de Staat en Solvinity bieden aanknopingspunten om ten minste van Solvinity te verlangen dat er technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de gegevens waartoe zij toegang heeft op een wijze worden verwerkt die voldoet aan de in de EU geldende regels, zoals die uit de Algemene verordening gegevensbescherming. Welke maatregelen dat zullen zijn vormt onderwerp van de gesprekken tussen de Staat en Solvinity.
(…)
Vraag 11
Bent u bereid om alle maatregelen te nemen die nodig zijn om te voorkomen dat kritieke processen, zoals Logius, DigiD en de dienstverlening aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid, onder Amerikaanse surveillancewetgeving gaan vallen?
Antwoord 11
Ik ben bereid passende maatregelen te treffen op basis van een zorgvuldige risico-gebaseerde aanpak. Zodra de kritieke processen geduid worden als een «te beschermen belang» is aanvullende regelgeving van kracht.
(…)
Vraag 13
Zijn er andere mogelijkheden om de contracten met Solvinity te ontbinden, als inderdaad blijkt dat door de Amerikaanse overname de vertrouwelijkheid en veiligheid van kritieke overheidsinformatie in het geding komt?
Antwoord 13
Indien de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten 2022 (ARBIT- 2022) van toepassing verklaard is op de overeenkomst is er een ontbindingsgrond als er sprake is van een ingrijpende wijziging in de zeggenschap (wat het geval kan zijn bij fusies en overnames) met betrekking tot de onderneming van de wederpartij/opdrachtnemer. Door de landsadvocaat wordt momenteel onderzocht in hoeverre dit het geval is.
Indien door de overname de nakoming van de verwerkersovereenkomst en de naleving van de AVG wordt bemoeilijkt of zelfs onmogelijk wordt, kan dit een grond vormen om de dienstverleningsovereenkomst respectievelijk de verwerkersovereenkomst te ontbinden.
Dit laat overigens onverlet de mogelijkheid om in een concreet geval een overeenkomst op basis van de Algemene Rijksvoorwaarden op te kunnen zeggen.”
2.8.
Bij brief van 10 februari 2026 heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer geïnformeerd over de feitelijke stand van zaken omtrent de voorgenomen overname van Solvinity en de aanpak van het kabinet in dit proces. In die brief staat onder meer het volgende:
“1. Investeringstoetsing
In het kader van de voorgenomen investering vindt toetsing plaats op grond van de toepasselijke investeringstoetsen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) beoordeelt in het kader van de concentratietoets of de voorgenomen overname gevolgen heeft voor de mededinging en de werking van de markt. Met concentratietoetsing wordt toegezien op eerlijke concurrentie en marktwerking bij fusies, overnames en joint ventures.
Daarnaast vindt investeringstoetsing plaats door het Bureau Toetsing Investeringen (BTI), dat opereert onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Economische Zaken. Investeringstoetsing ziet toe op risico’s voor de nationale veiligheid bij een beoogde overname. (…)
Deze toetsen maken deel uit van een proces van onafhankelijke beoordeling door de daartoe aangewezen toezichthouders. De overname zal niet eerder plaatsvinden dan nadat zowel de concentratietoets door de ACM als de investeringstoetsing door het BTI volledig zijn afgerond. Het kabinet wacht het oordeel van deze onafhankelijke toezichthouders af alvorens verdere stappen te zetten.
2. Integrale weging
De lopende risicoanalyses en adviezen in deze casus worden binnen de TFEV, onder voorzitterschap van de NCTV, nader besproken. De TFEV is een ambtelijk orgaan dat zich richt op economische veiligheidsrisico’s die de Nederlandse nationale veiligheidsbelangen kunnen raken. De integrale bespreking is ondersteunend aan de strategische afwegingen van het kabinet.
3. Verkenning mitigerende maatregelen in de klantrelatie met Solvinity
Daarnaast heeft BZK vanuit de positie van de overheid als klant van dienstverlening van Solvinity de Taskforce Continuïteit ICT Dienstverlening verzocht een aantal onderzoeken uit te zetten om tot een risico-inschatting en handelingsperspectief in deze casus te komen. Ook is wekelijks overleg ingesteld met de betrokken overheidsorganisaties. Hierbij is het eerste risicobeeld voor de dienstverlening bij de overname in kaart gebracht en is onderzoek uitgezet bij de Landsadvocaat.
Het onderzoek van de Landsadvocaat wijst uit dat Solvinity in geval van overname door Kyndryl binnen het bereik valt van bepaalde Amerikaanse wetgeving met extraterritoriale werking. De gevolgen hiervan voor de data-integriteit en continuïteit van dienstverlening worden momenteel onderzocht als onderdeel van de integrale risico-afweging.
Onder coördinatie van BZK worden gesprekken gevoerd met de Landsadvocaat, Solvinity en Kyndryl over generieke aanvullende maatregelen ten aanzien van dataveiligheid, zeggenschap en continuïteit om bepaalde risico’s welke zijn geconstateerd in het risicobeeld te mitigeren. Logius en JenV maken tevens apart afspraken met Solvinity over specifieke technische risico-mitigerende maatregelen geldend voor de specifieke dienstverlening die zij van Solvinity afnemen. Deze gesprekken zijn nog gaande.”
2.9.
Op 16 april 2026 is in de Volkskrant het artikel ‘Privacy-adviseur Binnenlandse Zaken: overname van DigiD bedreigt veiligheid van Nederland’ verschenen.
2.10.
Naar aanleiding van voornoemd krantenartikel is om een kabinetsreactie gevraagd. Bij brief van 21 april 2026 heeft de staatssecretaris de Tweede Kamer als volgt geïnformeerd:
“Het artikel in de Volkskrant geeft de zorgen weer over de risico’s van de overname van Solvinity door Kyndryl, Deze zorgen betreffen het risico op uitval van DigiD, mijnoverheid.nl en onrechtmatig gebruik van persoonsgegevens. De uitspraken van de betreffende medewerker in het artikel zijn gedaan op persoonlijke titel, dus niet namens de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat of Logius.
Ook uw Kamer heeft dergelijke zorgen geuit in de technische briefing en het plenair debat van 11 februari jl. De strekking van dit debat en de moties naar aanleiding van het debat van 11 februari jl. neem ik uiterst serieus. Juist vanwege die zorgen is een aanpak gekozen via drie sporen zoals eerder aangegeven in de Kamerbrief en hieronder nader toegelicht, en wordt deze zorgvuldig doorlopen. Het artikel in de Volkskrant geeft geen aanleiding om de al bestaande inzet verder aan te scherpen.
(…)
Lopende sporen
Zoals in de Kamerbrief van afgelopen februari vermeld worden in deze casus drie sporen doorlopen, die nog gaande zijn:
1. Investeringstoetsing
De Autoriteit Consument & Markt heeft haar beoordeling in het kader van concentratietoets afgerond en vastgesteld dat het geen concurrentieproblemen ziet ontstaan of versterkt ziet worden als gevolg van de overname. Het heeft de beoogde overname op die gronden goedgekeurd. De investeringstoetsing door het Bureau Toetsing Investeringen (BTI), ziet toe op de risico's voor de nationale veiligheid bij de beoogde overname, Dit onderzoek voor een zorgvuldige en integrale afweging van risico's wordt doorlopen. Het advies van deze onafhankelijke toezichthouder wordt afgewacht.
2. Integrale weging
De lopende risicoanalyses en adviezen in deze casus worden binnen de Taskforce Economische Veiligheid (TFEV), onder voorzitterschap van de NCTV, nader besproken voor een zorgvuldige integrale afweging. De TFEV is een vertrouwelijk interdepartementaal hoogambtelijk orgaan dat zich richt op economische veiligheidsrisico's die de Nederlandse nationale veiligheidsbelangen kunnen raken. De integrale bespreking is ondersteunend aan de strategische afwegingen van het kabinet.
3. Verkenning mitigerende maatregelen in de klantrelatie met Solvinity
Onder coördinatie van BZK, Taskforce Continuïteit ICT dienstverlening, worden gesprekken gevoerd met de Landsadvocaat, Solvinity en Kyndryl om te verkennen welke generieke aanvullende maatregelen er zijn ten aanzien van dataveiligheid, zeggenschap en continuïteit om bepaalde risico’s welke zijn geconstateerd in het risicobeeld, tegen te gaan. Daarnaast zijn Logius en het ministerie van Justitie en Veiligheid in gesprek met Solvinity over specifieke technische risico-mitigerende maatregelen geldend voor de specifieke dienstverlening die zij van Solvinity afnemen.”
2.11.
Op 29 april 2026 zijn Kamervragen gesteld over de (voorgenomen) verlenging van de overeenkomst met Solvinity:
“Vraag 1
Klopt het dat op 27 maart 2026 besloten is om het DigiD-contract met Solvinity nogmaals voor twee jaar te verlengen?
Vraag 2
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan deze keuze? Is het niet verlengen van het contract serieus overwogen?
Vraag 3
Welke andere opties heeft u overwogen, behalve het contract met twee jaar verlengen? Waarom zijn deze opties afgevallen?
Vraag 4
Welke mogelijkheden heeft u om vóór het definitieve beslismoment begin mei alsnog af te zien van de contractverlenging van twee jaar? Kunt u een beroep doen op een voorwaarde in het contract of sen wettelijke bevoegdheid om dit vervroegd te doen?
Vraag 5
Zo niet, heeft u de mogelijkheid om het contract slechts onder voorbehoud te verlengen zolang Solvinity niet door een Amerikaans bedrijf wordt overgenomen? Bent u bereid om zo’n voorbehoud te maken?
Vraag 6
Heeft u de aangenomen motie-Stoffer c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 1467) en de twee moties-Kathmann c.s. (Kamerstuk 21 501-33, nr. 1190) (Kamerstuk 26 643, nr. 1507) meegewogen in dit besluit? Zo ja, hoe?
Vraag 7
Kunt u concreet uitleggen hoe de continuïteit en veiligheid van de dienstverlening in gevaar komt als het contract niet was verlengd? Op basis van welke onderzoeken concludeert u dat?”
3.1.
Eisers vorderen, na vermeerdering van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
? de Staat te verbieden over te gaan tot verlenging van de overeenkomst met Solvinity;
Subsidiair
? de Staat te gebieden onverwijld gebruik te maken van zijn contractuele ontbindingsbevoegdheid op grond van artikel 30.3 van de Algemene Rijksvoorwaarden bij IT-overeenkomsten (ARBIT), jegens Solvinity, indien en zodra sprake is van een wijziging in de zeggenschap over Solvinity als gevolg van de overname van (de aandelen in) Solvinity door Kyndryl, met dien verstande dat de ontbinding zodanig wordt vormgegeven dat de overeenkomst uitsluitend voortduurt voor zover en zolang dat strikt noodzakelijk is om:
- de continuïteit, veiligheid en beschikbaarheid van de betrokken overheidsdienstverlening te waarborgen; en
- de Staat in staat te stellen een nieuwe, geschikte en onafhankelijke leverancier te selecteren en te contracteren;
althans een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend en geboden acht;
Meer subsidiair
? de Staat te verbieden over te gaan tot verlenging van de overeenkomst met Solvinity, tenzij aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:
a) dat de voorgenomen gegevensverwerking in het kader van de verlenging is getoetst aan de artikelen 35 en 36 AVG, inhoudende dat een gegevensbeschermingseffectbeoordeling (Data Protection Impact Assessment) is uitgevoerd, dat geadviseerd is door de Functionaris Gegevensbescherming en dat voorafgaand aan de verwerking, indien uit die beoordeling blijkt dat het risico niet kan worden beperkt, overleg heeft plaatsgevonden met de Autoriteit Persoonsgegevens; en
b) dat in elk geval wordt gewacht tot 1 juni 2026, zodat de Tweede Kamer voldoende is geïnformeerd over de verlenging;
Primair, subsidiair en meer subsidiair
? de Staat te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voeren eisers – samengevat – het volgende aan. De Staat handelt onrechtmatig door de overeenkomst met Solvinity te verlengen, omdat dit tot gevolg heeft dat persoonsgegevens van Nederlandse burgers, waaronder eisers, toegankelijk worden voor de Amerikaanse autoriteiten. Dit is in strijd met fundamentele rechten en dient te worden voorkomen. Door de verlenging van de overeenkomst zullen de persoonsgegevens van eisers onvoldoende beschermd zijn tegen gebruik daarvan door de Amerikaanse overheid. Eisers dreigen dan ook schade te lijden. Eisers hebben er belang bij dat de Staat wordt verboden om de overeenkomst met Solvinity te verlengen (tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan), dan wel dat de Staat wordt geboden om de overeenkomst met Solvinity te ontbinden indien de voorgenomen overname plaatsvindt.
3.3.
De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Overwegingen
4
De beoordeling van het geschil
4.1.
Eisers verlangen dat de Staat wordt verboden de overeenkomst met Solvinity te verlengen dan wel, als dat verbod niet wordt opgelegd, dat wordt bepaald dat de Staat die overeenkomst alleen onder bepaalde, strikte, voorwaarden mag verlengen.
4.2.
Uitgangspunt is dat de Staat een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij de uitvoering van de publieke taak. Die ruime beleidsvrijheid heeft de Staat ook bij een beslissing die in deze zaak aan de orde is, namelijk of de overeenkomst met Solvinity voor de maximale duur van twee jaar wordt verlengd. De afweging om al dan niet tot verlenging over te gaan behoort bij uitstek tot het domein van de uitvoerende macht. Dit brengt mee dat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling terughoudend moet opstellen. Alleen als evident sprake is van (dreigend) onrechtmatig handelen van de Staat bij verlenging van de overeenkomst met Solvinity, kan er plaats zijn voor rechterlijk ingrijpen. (Voetnoot 2) De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval voor ingrijpen geen grond is. Dat wordt hieronder toegelicht.
Primair en meer subsidiair
4.3.
Eisers willen voorkomen dat de Staat de overeenkomst met Solvinity verlengt. Die verlenging zal in de visie van eisers - door de overname door Kyndryl van Solvinity die volgens eisers op ieder moment kan plaatsvinden - tot gevolg hebben dat alle persoonsgegevens van eisers (en andere Nederlandse burgers) binnen handbereik van de Amerikaanse overheid komen. De Staat handelt hiermee onrechtmatig, aldus eisers. De Staat betwist dit.
4.4.
Uit de stellingen van de Staat kan worden afgeleid dat de Staat de zorgen van eisers onderkent en reëel acht. De Staat betwist wel dat als de overname een feit is, privacygevoelige data regelrecht bij de Amerikaanse overheid terechtkomen. Solvinity heeft volgens de Staat geen zicht op de data die in de applicaties op het Picard-platform worden verwerkt, maar de Staat weerspreekt niet dat het voor Solvinity mogelijk is bij die privacygevoelige data te komen. Dat er risico’s zijn, beaamt de Staat dan ook. Eisers verdedigen in zoverre - naast hun eigen privacybelangen - ook een groot maatschappelijk belang.
4.5.
Volgens de Staat kan hij op dit moment echter niet anders dan de overeenkomst met Solvinity verlengen. De dienstverlening van Solvinity is van cruciaal belang voor de continuïteit en veiligheid van het Picard-platform en daarmee de digitale overheid. Het niet verlengen van de overeenkomst komt er in feite op neer dat het veilig gebruik van essentiële overheidsapplicaties zoals DigiD en MijnOverheid op losse schroeven komt te staan. DigiD is van wezenlijk belang voor het digitale contact tussen de overheid en de burger en wordt onder meer gebruikt voor het doen van belastingaangiften en het aanvragen van toeslagen. Er is dan ook een zwaarwegend maatschappelijk belang bij het kunnen waarborgen van de beschikbaarheid en veiligheid van de op het Picard-platform draaiende overheidsapplicaties, aldus de Staat. Dit door de Staat geschetste zwaarwegende belang op zichzelf hebben eisers niet weersproken. Eisers stellen dat het door de Staat geschetste risico kan worden ondervangen door het beheer van het Picard-platform over te dragen aan een andere dienstverlener; eisers voeren aan dat verschillende deskundigen en enkele bedrijven kenbaar hebben gemaakt dat een overstap snel, binnen enkele maanden, gerealiseerd moet kunnen worden. De Staat voert hiertegen aan dat hij al heeft onderzocht of het (technisch) mogelijk is om op korte termijn op een veilige en verantwoorde wijze over te stappen naar een andere leverancier of om het Picard-platform zelf in beheer te nemen, maar dat dit zonder onaanvaardbare risico’s niet haalbaar is gebleken. Dit heeft met name te maken met de technische complexiteit van het Picard-platform en de tijd die gemoeid is met een zorgvuldige overdracht, aldus de Staat. De Staat meent dat een verantwoorde overstap zeker een periode van zes tot acht maanden vergt.
4.6.
Nu eisers niet voldoende hebben kunnen concretiseren dat een overstap naar een opvolger na Solvinity op korte termijn en op een deskundige en veilige wijze kan worden gerealiseerd, is - tegenover het gemotiveerde betoog van de Staat - niet aannemelijk geworden dat als de Staat de overeenkomst met Solvinity niet nu verlengt, geen groot maatschappelijk probleem zal ontstaan. Om die reden kan de Staat - ook al is er na de verlenging én de daaropvolgende overname van Solvinity door Kyndryl een potentieel risico op (kort gezegd) inmenging van de Amerikaanse overheid - niet worden verboden de relatie met Solvinity nog enige tijd voort te zetten. In dit oordeel weegt nog mee dat de Staat momenteel een risicoanalyse uitvoert en in gesprek is met Solvinity en Kyndryl om te bezien op welke wijze de geschetste risico’s kunnen worden gemitigeerd zodat de belangen van de Nederlandse burgers en daarmee ook van eisers op het gebied van veiligheid en privacy voldoende kunnen worden gewaarborgd. Hoewel nu nog niet duidelijk is of dat overleg tot een adequate bescherming van de privacy van burgers zoals eisers zal kunnen leiden, kan wel worden geconstateerd dat de Staat de zorgen serieus neemt en zich ervoor inzet de privacybelangen van Nederlandse burgers zoveel mogelijk te beschermen.
4.7.
Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de Staat onrechtmatig handelt door de overeenkomst met Solvinity te verlengen. De primaire vordering van eisers is daarom niet toewijsbaar.
4.8.
Eisers vorderen meer subsidiair dat de Staat wordt verboden om tot verlenging over te gaan, tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan (zie 3.1). Een van die voorwaarden is dat wordt gewacht tot 1 juni 2026. Toewijzing van deze vordering heeft eveneens tot gevolg dat de Staat de overeenkomst met Solvinity niet kan verlengen, omdat de Staat de gewenste verlenging uiterlijk op 6 mei 2026 schriftelijk aan Solvinity kenbaar moet maken. In het voorgaande is voldoende duidelijk geworden dat stopzetting van de dienstverlening door Solvinity tot ontwrichting van het digitale contact met de overheid na 6 augustus 2026 zal kunnen leiden, zodat ook deze vordering niet toewijsbaar is.
4.9.
Met deze vordering beogen eisers de Staat ertoe te dwingen om de overeenkomst met Solvinity op grond van artikel 30.3 van de ARBIT te ontbinden zodra de voorgenomen overname een feit is en om de samenwerking met Solvinity vanaf dat moment te beperken tot het strikt noodzakelijke voor een zorgvuldige en veilige afwikkeling van de relatie met Solvinity bij de overgang naar een opvolgende dienstverlener. De Staat stelt zich op het standpunt dat van een definitieve overname van Solvinity op dit moment nog geen sprake is en de Staat daarom ook nog niet heeft besloten of hij gebruik zal maken van een eventueel aan hem toekomende ontbindingsbevoegdheid. Van een dreigende onrechtmatige daad is daarom geen sprake, aldus de Staat.
4.10.
De voorzieningenrechter moet beoordelen of de Staat onrechtmatig handelt door de overeenkomst met Solvinity na de overname door Kyndryl alsnog voort te zetten. Artikel 30.3 van de ARBIT, die op de overeenkomst van toepassing zijn, bepaalt dat de opdrachtgever de overeenkomst met Solvinity schriftelijk met onmiddellijke ingang kan ontbinden indien sprake is van een ingrijpende wijziging in de zeggenschap over de activiteiten van Solvinity (‘change of control’). Voldoende aannemelijk is dat als de voorgenomen overname doorgang vindt, een wijziging in de zeggenschap als hiervoor bedoeld plaatsvindt. Dat zou de Staat de mogelijkheid geven om de overeenkomst met Solvinity op grond van artikel 30.3 ARBIT met onmiddellijke ingang te ontbinden. De vordering van eisers is er echter op gericht dat de Staat zich op artikel 30.3 van de ARBIT beroept en dus de overeenkomst ontbindt, maar de overeenkomst tegelijkertijd deels in stand laat zodat de dienstverlening van Solvinity na de ontbinding zal worden voortgezet totdat de Staat een nieuwe geschikte partij heeft gevonden. Eisers gaan er hierbij vanuit dat de ARBIT de Staat als opdrachtgever deze ruimte bieden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dat twijfelachtig. In artikel 30.3 ARBIT staat enkel dat de overeenkomst met onmiddellijke ingang kan worden ontbonden, en daarmee lijkt (afgaande op de tekst van deze standaardvoorwaarden) te zijn bedoeld: de gehele overeenkomst met onmiddellijke ingang ontbinden. Eisers zien kennelijk voor zich dat de Staat wel ontbindt maar verlangt dat Solvinity de dienstverlening desondanks voortzet tot een moment dat de Staat klaar is voor de overstap naar een opvolger. Het heeft er alle schijn van dat de Staat daarvoor de instemming van Solvinity nodig heeft. Onduidelijk is of Solvinity daartoe bereid is. Voor een voorziening zoals eisers vorderen is alleen om deze reden al geen plaats. Of de Staat zou willen trachten op de wijze zoals eisers voorstaan de relatie met Solvinity een beperkte periode (dus korter dan twee jaar) voort te zetten en daarover in overleg zou willen treden met Solvinity (en Kyndryl) moet aan de Staat worden overgelaten.
4.11.
Al eerder kwam aan de orde dat de Staat, als onderdeel van het driesporenbeleid (zie 2.8), in overleg is met Solvinity en Kyndryl om de impact van de voorgenomen overname te beperken en de Staat voldoende waarborgen te bieden om veilig te kunnen werken. De gesprekken zijn nog niet afgerond en de uitkomst van die gesprekken is onzeker. Dat betekent dat op dit moment niet kan worden gezegd dat niet op een verantwoorde wijze met Solvinity kan worden doorgewerkt als de overname eenmaal een feit is. Om die reden is (nog) niet aannemelijk dat de Staat onrechtmatig handelt of dreigt te handelen als hij geen gebruikmaakt van de mogelijkheid om de overeenkomst met Solvinity te ontbinden. Ook daarom is de subsidiaire vordering niet voor toewijzing vatbaar.
Conclusie en proceskosten
4.12.
De conclusie van het voorgaande is dat alle vorderingen van eisers worden afgewezen.
4.13.
Eisers zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat € 1.177,00
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beslissing
- wijst de vorderingen af;
- veroordeelt eisers in de proceskosten van € 2.101,00 (te weten griffierecht € 735,00, salaris advocaat € 1.177,00, nakosten € 189,00 (plus na te melden verhoging)), te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als eisers niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten eisers € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
- veroordeelt eisers in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
- verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.