1
[eiseressen sub 1] B.V. te
[vestigingsplaats],
2. [eiseressen sub 2] B.V. te [vestigingsplaats],
eiseressen,
advocaat mr. D.G. Lasschuit te Leiden,
GEMEENTE NOORDWIJK te Noordwijk (ZH),
gedaagde,
advocaten mrs. L.J.W. Mingelen en R.R. Oudijk te Den Haag.
Eiseres sub 1 wordt hierna aangeduid als ‘[eiseressen sub 1]’ en eiseres sub 2 als ‘[eiseressen sub 2]’. Gezamenlijk worden zij ‘eiseressen’ genoemd. Gedaagde wordt hierna ‘de Gemeente’ genoemd.
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eiseressen sub 1] is eigenaar van het woon-/kantoorpand op de hoek van [straatnaam 1]/[straatnaam 2] te [plaats], plaatselijk bekend [straatnaam 2] [huisnummers 1] en [straatnaam 1] [huisnummers 2] en [huisnummer] te [plaats] (hierna ook: het pand). De heer [naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [eiseressen sub 1].
2.2.
In het pand bevinden zich twee woningen op de begane grond aan de [straatnaam 2] (nummers [huisnummers 1]), twee woningen aan [straatnaam 1] ([huisnummers 2]) en kantoorruimte aan [straatnaam 1] [huisnummer], met uitzicht op de [straatnaam 2]. De woningen worden onder andere verhuurd aan arbeidskrachten van buiten Nederland die tijdelijk in Nederland werken. De kantoorruimte is door [eiseressen sub 1] verhuurd aan [eiseressen sub 2].
2.3.
Op de hoek van de [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] wordt in opdracht van [bedrijfsnaam] door [bouwbedrijf] B.V. (hierna: [bouwbedrijf]) een nieuwbouwproject gerealiseerd. Het project ziet op de bouw van winkelruimten, 42 appartementen en een parkeergarage. Het bouwproject ligt in het centrum van [plaats] en is ingesloten door woningen, winkels en andere bestaande bebouwing.
2.4.
Ten behoeve van het bouwproject is aanvankelijk een bouwkeet (bestaande uit zes in twee verdiepingen gestapelde containers) (hierna: de bouwkeet) geplaatst naast een drietal parkeerplaatsen aan de [straatnaam 2]. Eind week 6 van 2026 is de bouwkeet verplaatst om plaats te maken voor een nieuw transformatorstation. De bouwkeet is daarop op (ongeveer) 2.30 meter afstand van de zijgevel van het pand geplaatst, zoals zichtbaar op onderstaande foto (productie 7 eiseressen). De bouwkeet is zonder vergunning geplaatst, op grond van de Gemeente die de bestemming ‘verkeer’ heeft. Voordat de bouwkeet is geplaatst op de plaats waar deze nu staat, hebben de Gemeente, [bedrijfsnaam] en [bouwbedrijf] gezocht naar alternatieve locaties.
2.5.
Bij de woning aan de [adres 1] wordt het zicht vanuit de woonkamer geheel ontnomen door de bouwkeet en het zicht vanuit de slaapkamer wordt grotendeels ontnomen door de bouwkeet. De ingang van de bouwkeet ligt direct tegenover de slaapkamer. Bij de woning aan de [adres 2] wordt het zicht vanuit de slaapkamer geheel ontnomen door de bouwkeet en het zicht vanuit de woonkamer wordt grotendeels benomen door de bouwkeet. Vanuit de kantoorruimte, die bereikbaar is via de entree aan de voorzijde van het pand en die gelegen is op de eerste etage, wordt het blikveld naar buiten richting de [straatnaam 2] grotendeels ontnomen door de bouwkeet. Aanvankelijk was er vanuit de eerste verdieping van de keet direct zicht naar binnen bij het kantoor, maar inmiddels zijn de ramen van de bouwkeet afgedekt met folie.
2.6.
Eiseressen hebben bij de Gemeente bezwaar geuit tegen de plaatsing van de bouwkeet. Zij hebben daarop vernomen dat er geen alternatieve plaats voor de bouwkeet beschikbaar is en dat de situatie tot eind december 2026 zal voortduren. Ook heeft de Gemeente zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 2.10 APV het plaatsen van een bouwkeet vergunningsvrij is omdat de bouwkeet functioneel is aan de bouwwerkzaamheden (waarvoor een vergunning is verleend) en omdat de bouwkeet is geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van het terrein waarop die werkzaamheden worden verricht.
2.7.
Op 26 februari 2026 heeft de huurder van de [adres 3] te [plaats] de huur van de woning opgezegd. In de opzeggingsbrief wordt als reden voor de opzegging vermeld: het verlies van privacy, het gebrek aan natuurlijk licht, overmatige geluidsoverlast, stof- en luchtkwaliteitsproblemen en een beperkte toegang tot de woning. Ook andere huurders van het pand hebben bij [eiseressen sub 2] geklaagd over het gebrek aan privacy en de geluidsoverlast vanwege de aanwezigheid van de bouwkeet.
3.1.
Eiseressen vorderen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de Gemeente te gebieden om binnen 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis de bouwkeet van de huidige locatie te laten verwijderen, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor iedere dag waarop, twee dagen na betekening van het vonnis, daaraan niet wordt voldaan, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding.
3.2.
Daartoe voeren eiseressen – samengevat – het volgende aan.
De bouwkeet is pal naast de gevel van het pand geplaatst en dat levert onrechtmatige hinder op in de zin van artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek (BW). De Gemeente handelt in strijd met het openbare bestemmingsplan en met artikel 2:10 van de APV Noordwijk door zonder toestemming van eiseressen toe te staan dat de bouwkeet is geplaatst. Er is sprake van een onacceptabel verlies van uitzicht en er is een sociaal onveilige situatie voor de huurders van [eiseressen sub 1] ontstaan, zodat ook sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht en het gebruiksrecht van eiseressen. Dat de bouwkeet er tot het einde van het jaar zal staan, zoals eiseressen voor ogen hebben, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
3.3.
De Gemeente voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
Overwegingen
4
De beoordeling van het geschil
4.1.
De Gemeente stelt dat eiseressen in hun vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat i) eiseressen in feite een bestuursrechtelijk handhavingsverzoek verpakken als een vordering op grond van onrechtmatige hinder, en ii) omdat eiseressen de verkeerde partij hebben gedagvaard aangezien de Gemeente geen eigenaar is van de bouwkeet en het dus ook niet in haar macht heeft om de bouwkeet te verwijderen, als dat de uitkomst van dit kort geding zou zijn.
4.2.
De voorzieningenrechter gaat aan deze formele verweren voorbij. Daarvoor is van belang dat in dit specifieke geval de Gemeente nauw betrokken is geweest bij de keuze van de huidige plaats van de bouwkeet. Uit het als productie 7 door de Gemeente overgelegde document dat door de heer [naam 2] van [bouwbedrijf] is opgesteld, volgt dat zowel [bouwbedrijf] als de Gemeente hebben gezocht naar een plaats voor de bouwkeet en dat de Gemeente uiteindelijk de huidige positie kenbaar heeft gemaakt. Deze feitelijke aanwijzing door de Gemeente, die de basis vormt van de door eiseressen gestelde onrechtmatige hinder, kan onder de gegeven omstandigheden ter toetsing aan de civiele voorzieningenrechter worden voorgelegd.
De omstandigheid dat de Gemeente geen eigenaar is van de bouwkeet doet daar niet aan af. Het moet ervoor worden gehouden dat de Gemeente, als eigenaar van de grond en als partij die met [bouwbedrijf] (en [bedrijfsnaam]) nauw betrokken is geweest bij de zoektocht naar een nieuwe plaats voor de bouwkeet, het in haar macht heeft om te bewerkstelligen dat [bouwbedrijf] de bouwkeet verwijdert en naar elders verplaatst, indien daarvoor in dit kort geding aanleiding wordt gezien. Oproeping van [bouwbedrijf], als eigenaar van de bouwkeet, in dit kort geding is daarvoor geen voorwaarde. Overigens gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de Gemeente op juiste grond het standpunt inneemt dat de bouwkeet niet vergunningsplichtig is en dan ook niet in strijd met artikel 2.10 APV is geplaatst. Artikel 3a onder j van het Algemeen aanwijzingsbesluit APV Noordwijk 2021 bepaalt dat een uitzondering geldt voor voorwerpen die op een openbare plaats worden geplaats ten behoeve van werkzaamheden waarvoor een vergunning is verleend (in dit geval: het bouwproject), en voor zover die werkzaamheden daardoor worden gedekt en voor het overige aan de voorwaarden en voorschriften wordt voldaan. Voorshands wordt aangenomen dat aan die voorwaarden is voldaan.
4.3.
Ook aan de stelling dat eiseressen geen spoedeisend belang zouden hebben bij hun vorderingen wordt voorbij gegaan. Eiseressen leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat sprake is van doorlopende onrechtmatige hinder. Niet in geschil is dat [bouwbedrijf] voornemens is de bouwkeet nog langdurig te gebruiken en dat zij deze pas eind december 2026 zal demonteren. Vanwege de duur van het voorgenomen gebruik is het spoedeisend belang van eiseressen bij hun vorderingen gegeven.
4.4.
Anders dan de Gemeente heeft aangevoerd is de voorzieningenrechter van oordeel dat plaatsing van de bouwkeet pal naast het pand, niet alleen hinderlijk is, maar dat deze hinder ook als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Dat geldt in relatie tot [eiseressen sub 1] als eigenaar van de woningen aan de [adres 1] en [adres 2]. Zoals tijdens de descente is geconstateerd, en overigens ook wel blijkt uit de foto’s die door eiseressen zijn overgelegd, brengt de plaatsing van de bouwkeet een aanzienlijk verlies van uitzicht en lichtinval met zich in deze woningen. Daarbij is door plaatsing van de keet een smalle steeg ontstaan die de aanloop naar de woningen nadelig beïnvloedt. Ook is het aannemelijk dat op werkdagen, de aankomst van personeel dat in de bouwkeet kantoor houdt en personeel van de bouwplaats, extra geluidsoverlast met zich brengt. De hinder is weliswaar in tijd beperkt nu de Gemeente heeft gesteld dat de bouwkeet eind december 2026 gedemonteerd zal worden, maar deze periode is alsnog aanzienlijk. Al met al gaat de hinder verder dan wat men in een stedelijke omgeving mag verwachten en zou moeten dulden, zodat aangenomen wordt dat sprake is van onrechtmatige hinder.
4.5.
Dat de bouwkeet ook voor [eiseressen sub 2] tot onrechtmatig hinder leidt, is niet aannemelijk geworden. Daarvoor is van belang dat de entree van het kantoor zich aan de voorkant van het pand bevindt, en dus bij de bouwkeet om de hoek ligt. Personeel, klanten en bezoekers van het kantoor worden daarmee niet gehinderd. Weliswaar was er aanvankelijk vanuit de bouwkeet uitzicht op en in de kamers van het kantoor, maar inmiddels zijn de ramen van de bouwkeet aan de zijde tegenover het kantoor afgeplakt, waarmee op dat punt aan de klachten van [eiseressen sub 2] tegemoet is gekomen. De lichtinval die wordt weggenomen door de bouwkeet kwalificeert gezien de beperkte mate waarin die inval wordt weggenomen voorshands niet als onrechtmatige hinder jegens [eiseressen sub 2].
4.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onrechtmatige hinder die de bouwkeet voor [eiseressen sub 1] met zich brengt, toch niet tot toewijzing van het gevorderde kan leiden. De Gemeente heeft namelijk aannemelijk gemaakt dat een alternatieve locatie voor de bouwkeet niet beschikbaar is, en het belang van de voortgang van het bouwproject (waar de bouwkeet als essentieel onderdeel mee verbonden is) geldt als een zwaarwegend maatschappelijk belang dat maakt dat de onrechtmatige hinder door [eiseressen sub 1] moet worden geduld (artikel 6:168 BW).
4.7.
Eiseressen hebben in de stukken drie alternatieve locaties voor de bouwkeet aangedragen. Bij de plaatsopneming zijn deze locaties bekeken en partijen hebben toegelicht waarom deze wel (volgens eiseressen) of niet (volgens de Gemeente, vergezeld van betrokkenen van [bouwbedrijf] en [bedrijfsnaam]) geschikt zijn voor plaatsing van de bouwkeet.
Braakliggend perceel aan [straatnaam 1]-[straatnaam 2] ([perceel 1])
Van de zijde van de Gemeente is afdoende toegelicht dat deze locatie niet als deugdelijk alternatief kan dienen. Het perceel is particulier eigendom. Van [bedrijfsnaam] en [bouwbedrijf] kan niet worden verlangd dat zij overgaan tot de aankoop van het perceel tegen de aanzienlijke koopsom (van in de miljoenen euro’s) die de eigenaar verlangt, naast de aanzienlijke kosten voor verplaatsing van de bouwkeet, enkel en alleen om daarop een bouwkeet te plaatsen. Ook heeft [bouwbedrijf] zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het aanbieden van een overdekte parkeerplaats aan de eigenaar als tegenprestatie van het gebruik, niet van haar verlangd kan worden, nog daargelaten dat de Gemeente te kennen heeft gegeven dat zij bij uitgifte daarvan geen medewerking kan verlenen.
Braakliggend perceel [straatnamen] ([perceel 2])
Medewerkers van [bedrijfsnaam] en [bouwbedrijf] hebben toegelicht dat er vanaf dit perceel, in tegenstelling tot de huidige locatie, geen zicht is op de bouwplaats. Het is daarbij ook verder van de bouwplaats af gelegen. Ook hebben zij afdoende toegelicht dat met het oog op het in goede banen leiden van bouwverkeer van en naar de bouwplaats deze voorgestelde locatie niet werkbaar zal zijn. Daarbij is dit perceel ook particulier eigendom en grenst het direct aan percelen van derden, zodat het aannemelijk is dat bij verplaatsing van de bouwkeet de hinder voor [eiseressen sub 1] weliswaar wordt weggenomen, maar dat daarvoor hinder voor anderen in de plaats zal komen. Al met al heeft de Gemeente met juistheid aangevoerd dat deze locatie niet als geschikt alternatief kan dienen.
Parkeerterrein aan [straatnaam 4] ([perceel 3])
Het parkeerterrein is weliswaar eigendom van de Gemeente, die het daardoor ook gemakkelijker beschikbaar zou kunnen stellen, maar [bedrijfsnaam] en [bouwbedrijf] hebben toegelicht dat vanuit deze locatie geen zicht is op de bouw. Tussen de voorgestelde locatie en de bouwplaats ligt een (drukke) winkelstraat. Ook geldt voor deze locatie dat de afstand tot de bouwplaats langer is dan vanaf de huidige locatie. Daar komt bij dat het in goede banen leiden van bouwverkeer van en naar de bouwplaats vanuit deze huidige bezwaarlijk is. Om naast de bouwkeet ook nog een eenpersoonskeet nabij de huidige locatie neer te zetten van waaruit het verkeer in de gaten kan worden gehouden en worden begeleid, is voorshands eveneens te bezwaarlijk, omdat aannemelijk is geworden dat de ontvangst van het bouwverkeer niet alleen het regelen van dat verkeer omvat, maar ook het voeren van bouwregie. Ook voor deze locatie geldt dat het niet als een deugdelijke alternatief kan dienen.
Parkeerplaats op/naast de bouwplaats
Tijdens de descente hebben eiseressen nog de mogelijkheid opgeworpen om de bouwkeet op, althans naast de bouwplaats, te plaatsen. De bouwplaats zelf is geen reële mogelijkheid gezien de krapte op de bouwplaats, de huidige en toekomstige opslag van materialen en het geplaatste steigerwerk. Met het vorderen van de bouw zal er daarbij ook telkens minder ruimte beschikbaar zijn. Ook de voorgestelde locatie naast de bouwplaats kan niet als bruikbaar alternatief dienen. Deze locatie is niet alleen klein en staat direct naast woningen (waardoor de hinder voor [eiseressen sub 1] zich zal verplaatsen), maar de Gemeente heeft ook toegelicht dat rondom de voorgestelde plaats nog tijdens de bouw rioleringswerkzaamheden uitgevoerd zullen worden, zodat deze locatie geen reële optie is.
4.8.
Bij gebrek aan een alternatieve locatie voor de bouwkeet dient [eiseressen sub 1] de onrechtmatige hinder als gevolg van de geplaatste bouwkeet te dulden. Het belang van het op een zo veilig mogelijk wijze voort kunnen zetten van het bouwproject (dat onder meer zorgt voor de bouw van 42 appartementen), weegt zwaarder dan het belang van [eiseressen sub 1] om verstoken te blijven van deze hinder. Conform artikel 6:168 BW behoudt de benadeelde zijn recht op vergoeding van de schade, maar die vraag gaat het bestek van deze procedure te buiten.
4.9.
Het door eiseressen gevorderde zal gelet op het voorgaande worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Reden daarvoor is dat is gebleken dat in ieder geval tot aan de descente/mondelinge behandeling de Gemeente heeft miskend dat sprake is van (doorlopende) onrechtmatige hinder jegens [eiseressen sub 1], waardoor een mogelijke oplossing buiten rechte niet (eerder) in beeld is gekomen.