Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig materieel strafrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:17059

Op 24 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van materieel strafrecht, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/036748-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:17059. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/036748-24
Datum uitspraak:
24 June 2026
Datum publicatie:
24 June 2026

Indicatie

Artikel 289 Wetboek van Strafrecht; moord ex-partner; voorbedachte raad; femicide; idfo; geënsceneerde zelfmoord; verwurging; zoekopdrachten telefoon; verzoek geluidsopnamen terechtzitting; gevangenisstraf 21 jaar; maatregel 38z; benadeelde partijen; kinderen; affectieschade; shockschade

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/036748-24

Datum uitspraak: 24 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres 1] te [woonplaats],

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats],

locatie [locatie].

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 11 en 13 mei 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. drs. J. Roosma en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Plas en raadsman mr. J.L. L’Homme (hierna gezamenlijk: de verdediging) naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

De verdenking komt er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat de verdachte, al dan niet met voorbedachte raad, op 29 januari 2024 [slachtoffer] door middel van verwurging met een metalen ketting om het leven heeft gebracht.

De volledige tekst van de tenlastelegging luidt dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Leiden [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door een (metalen) ketting, althans een voorwerp om de nek/hals van die [slachtoffer] te plaatsen/doen en vervolgens die ketting of dat voorwerp met kracht aan te trekken en aan te blijven trekken, althans een omsnoerende krachtinwerking ter hoogte van de hals van die [slachtoffer] te veroorzaken, waardoor (enige tijd) de ademhaling van die [slachtoffer] is belet/belemmerd.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Inleiding

Op 29 januari 2024 omstreeks 07.24 uur wordt 112 gebeld door de verdachte, met de melding dat hij net beneden is gekomen en dat zijn partner een zelfmoordpoging heeft gedaan. De verdachte meldt dat zij hier op de grond zit aan een touw dan wel, even later in diezelfde melding, op de grond ligt, met haar buik en gezicht naar beneden. Op de opname van de melding is verder te horen dat de verdachte aanwijzingen krijgt om het touw los te maken, haar op haar rug te leggen en de buitendeur open te zetten. Ongeveer vier minuten na aanvang van de melding, start de centralist met aanwijzingen geven hoe de verdachte de reanimatie moet doen.

Ongeveer vijf minuten na het begin van de melding arriveert de politie en wordt het 112-gesprek beëindigd.

Als de politie arriveert, in de woonkamer van [adres 2], zien zij een vrouw, naar later blijkt de 30-jarige [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), op haar rug op de grond liggen. [slachtoffer] ligt naast de bank die tegen de linkerzijwand staat, met haar hoofd naar het raam en haar voeten richting de keuken. De televisie (tegenover deze bank) staat aan. De verdachte is bezig met de reanimatie. De reanimatie wordt overgenomen door de agenten.

Het gezicht van [slachtoffer] is opgezwollen en heeft een rode/paarse kleur. [slachtoffer] heeft een ketting om haar nek/hals met daaraan vast een stuk van een hondenriem. De ketting betreft een zogenoemde slipketting, bestaande uit metalen schakels. De hondenriem waaraan de metalen ketting is bevestigd, is in twee stukken gedeeld; het andere deel (ongeveer een meter lang) zit vastgeknoopt halverwege een verwarmingsbuis die in de hoek van de woonkamer achter de bank, van de vloer naar het plafond loopt. De verdachte vertelt de politieagenten dat hij [slachtoffer] daar aantrof. Het valt de politieagenten op dat de knoop niet hoog zit voor een verhanging. Het is hen niet duidelijk hoe de door de verdachte (zonder veel details) beschreven verhanging zou hebben plaatsgevonden. Van een klassieke verhanging, waarbij iemand verticaal hangt met de voeten los van de vloer, kan geen sprake zijn geweest.

In de woning bevinden zich behalve de verdachte en [slachtoffer], ook hun twee kinderen, [benadeelde 1] (toen 9 jaar oud) en [benadeelde 2] (toen 7 jaar oud), de inwonende moeder van de verdachte en een kleine hond (chihuahua). Zij bevinden zich als de politie arriveert boven in één van de slaapkamers. Zij zouden volgens de verdachte niets hebben meegekregen van wat zich beneden heeft afgespeeld.

Op de keukentafel staan twee rugzakjes voor de kinderen klaar voor de komende schooldag, gevuld met een verse lunch (fruit, brood en beleg) en hun gymkleding. Er wordt geen afscheidsbrief aangetroffen. Later blijkt dat [slachtoffer] met haar telefoon rond 7.07 uur nog een berichtje heeft gestuurd naar de school van [benadeelde 1] om te melden dat [benadeelde 1] die dag weer naar school komt, maar dat zij naar huis mag komen als ze zich (in verband met een ondergane operatie) niet goed zou voelen (‘misschien kunnen jullie af en toe vragen aan haar hoe het gaat?’). De bril (op sterkte), die [slachtoffer] altijd op heeft, wordt later teruggevonden onder de bank.

De verdachte vertelt de politieagenten dat hij die dag het huis zou verlaten en zijn intrek zou nemen in een woning aan de [straatnaam], verderop in de wijk. Zijn relatie met [slachtoffer] was al enige tijd geëindigd, sinds april 2023.

Een buurvrouw komt haar woning uit en spreekt de politie aan. Zij en haar man hebben die ochtend rond kwart over zeven een gil gehoord die door merg en been ging, een kinder- of vrouwengil.

[slachtoffer] wordt naar het ziekenhuis overgebracht. De kinderen en de moeder van de verdachte worden ondergebracht bij de buren.

De verdachte gaat onder politiebegeleiding naar zijn nieuwe woning. Het valt de politie op dat de woning nog wel wat aandacht nodig heeft om deze (goed) bewoonbaar te maken. De keuken is nog niet functioneel en overal staan vuilniszakken met onuitgepakte spullen.

De volgende dag, op 30 januari 2024, overlijdt [slachtoffer] in het ziekenhuis.

De doodsoorzaak is onderzocht. Op 29 en 30 januari 2024 heeft er in het ziekenhuis onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] plaatsgevonden, aansluitend is er radiologisch onderzoek en een sectie verricht. Er zijn onder andere letsels in de nek/hals geconstateerd die bij leven kunnen zijn ontstaan door een omsnoerende krachtinwerking met een structuur. De dood van [slachtoffer] kan zonder meer verklaard worden door aanhoudende belemmering van de bloedsomloop van het hoofd gedurende één of meerdere minuten, waardoor hersenschade door zuurstofgebrek is ontstaan. Er bestaat – mede gelet op onderzoek door het NFI – geen twijfel dat het letsel in de nek/hals is ontstaan door de genoemde slipketting die bij aantreffen om de hals van [slachtoffer] zat.

Behalve de hiervoor besproken feiten en omstandigheden zijn er uit het tactisch onderzoek en forensisch onderzoek (in aanvulling hierop) een aantal bevindingen naar voren gekomen die hierna zullen worden besproken.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord, dan wel doodslag op [slachtoffer] of dat de verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – verkort en zakelijk weergegeven – gerekwireerd tot bewezenverklaring van het impliciet subsidiair tenlastegelegde, te weten: doodslag. De officier van justitie heeft zich wat betreft het bewijs van de doodslag gebaseerd op de uitkomsten van het tactisch en het forensisch onderzoek. Beide onderzoeken hebben rekening gehouden met twee scenario’s, kort gezegd: zelfmoord en moord/doodslag. Uit dit onderzoek blijkt volgens de officier van justitie dat de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd door haar te verwurgen met een metalen schakelketting. Voor zover relevant zal de rechtbank hierna nader ingaan op hetgeen de officier van justitie met betrekking tot specifieke passages uit het dossier heeft gesteld.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de (impliciet primair) ten laste gelegde moord, nu er onvoldoende bewijs is voor de voorbedachte raad. Niet is komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit. Er kunnen volgens de officier van justitie weliswaar aanknopingspunten worden gevonden voor een vooropgezet plan en ook schuurt het handelen van de verdachte (gevoelsmatig) dicht tegen de voorbedachte raad aan, maar de officier van justitie acht deze aanknopingspunten onvoldoende om tot een bewezenverklaring van moord te komen.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van al het tenlastegelegde. De verdediging heeft hiertoe gewezen op de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft – verkort en zakelijk weergegeven - verklaard dat hij in de ochtend van 29 januari 2024 van de zolder naar de woonkamer liep en [slachtoffer] zittend dan wel hangend aan een touw aantrof, nadat zij kennelijk een zelfmoordpoging had gedaan. De verdachte heeft hierop direct 112 gebeld en op aanwijzingen van de centralist het touw, in het meldgesprek ook ‘kabel’ genoemd, losgeknipt en geprobeerd [slachtoffer] te reanimeren.

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij alleen wil ingaan op wat in de avond en nacht van 28 op 29 januari 2024 heeft plaatsgevonden en niet op de rest van het dossier. De rest van het dossier ziet volgens de verdachte vooral op de relatie(-perikelen) van de verdachte en [slachtoffer], maar geeft een beperkt en eenzijdig beeld. De verdachte heeft binnen de relatie weliswaar fouten gemaakt en zich dwingend opgesteld maar hij heeft nooit geweld gebruikt jegens [slachtoffer]. De verdachte heeft ook aangevoerd dat hij geen motief had om haar om het leven te brengen. Er waren volgens de verdachte wel “meer dan genoeg redenen” waarom [slachtoffer] uiteindelijk zelfmoord heeft gepleegd.

Wat betreft de bevindingen uit het forensisch onderzoek heeft de verdediging gesteld dat het (volgens de verdediging) meest relevante onderdeel, het onderzoek naar het letselbeeld, de verklaring van de verdachte ondersteunt, nu twee forensisch pathologen onafhankelijk van elkaar tot de conclusie zijn gekomen dat het letselbeeld beter past bij verhanging dan bij verwurging. Met betrekking tot het tactisch onderzoek heeft de verdediging gesteld dat de waarnemingen door de politie vanaf het begin gekleurd waren door een eerder bezoek van de politie aan de woning van de verdachte naar aanleiding van een ruzie (ruim een jaar daarvoor) waarbij Veilig Thuis werd ingeschakeld. Later is daar het ‘femicide-frame’ bijgekomen, waarmee allerlei feiten binnen de context van de relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] worden ingekleurd.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft de redengevende feiten en omstandigheden uit de bewijsmiddelen opgenomen in Bijlage I. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank in ieder geval het volgende af.

3.5.

Bewijsoverwegingen

3.5.1.

Ontwikkeling relatie

De verdachte leert [slachtoffer] in 2010 kennen via een internetsite (Hyves). [slachtoffer] is op dat moment vijftien jaar oud. De verdachte is drieëntwintig jaar oud en woont nog bij zijn moeder op [adres 2] (zijn ouderlijk huis). [slachtoffer], die een bewogen puberteit doormaakt, trekt in bij de verdachte en zijn moeder. Na enige tijd verhuizen de verdachte en [slachtoffer] naar een andere woning. De verdachte krijgt, na een aantal studies voortijdig te hebben afgebroken, in 2012 een Wajong-uitkering vanwege arbeidsbeperkingen. [slachtoffer] gaat werken en ontwikkelt zich in de loop van de jaren van een gewaardeerd personeelslid tot vestigingsmanager van een verhuurder van opslagruimte. Op [datum 1] 2014 wordt [benadeelde 1], de dochter van [slachtoffer] en de verdachte geboren. De verdachte is huisman en neemt een deel van de zorg voor zijn rekening. In de zomer van 2016, als [slachtoffer] in verwachting is van [benadeelde 2], verhuizen zij terug naar de woning van de moeder van de verdachte die op dat moment zelf geen gebruik maakt van haar woning in verband met een nieuwe partner. Op [datum 2] 2016 wordt [benadeelde 2] geboren. In 2017, als haar nieuwe partner is overleden, verhuist de moeder van de verdachte terug naar [adres 2]. In 2021 en 2022 zijn er hevige ruzies tussen de verdachte en [slachtoffer]. Op een huwelijksfeest van de ouders van [slachtoffer] in 2021 ontstaat een grote ruzie, samenhangend met het drankgebruik en jaloezie van de verdachte. In 2021 worden er apps op de telefoon van [slachtoffer] geïnstalleerd (spyware), waarmee door de verdachte chats en gespreksgegevens kunnen worden teruggehaald en bekeken. De verdachte heeft hierbij vooral zijn focus op contacten van [slachtoffer] met mannelijke collega’s. Op 27 november 2022 is er opnieuw een grote ruzie waarbij de verdachte veel heeft gedronken. Dit keer wordt de politie ingeschakeld. [slachtoffer] wil naar aanleiding hiervan met de kinderen vertrekken naar haar ouders. De verdachte raakt hierdoor in paniek. De verdachte zegt, in het bijzijn van [slachtoffer], de kinderen en verdachtes moeder, dat hij zichzelf voor de trein zal gooien als zij naar haar ouders vertrekt met de kinderen. Pas als de moeder van de verdachte hem geruststelt, kan [slachtoffer] met de kinderen voor één nacht naar haar ouders vertrekken, maar ook als zij daar is blijft de verdachte [slachtoffer] vele berichtjes sturen. Veilig Thuis wordt ingeschakeld voor de kinderen. De relatie tussen de verdachte en [slachtoffer] wordt weer hersteld. De verdachte en [slachtoffer] maken afspraken om de relatie te verbeteren door meer tijd en aandacht aan elkaar te besteden. Begin 2023 lijkt de relatie tussen hen zich te verbeteren. Er worden trouwplannen gemaakt waarbij een datum wordt geprikt, getuigen worden benaderd en er is de wens om een derde kind te krijgen. Op 10 maart 2023 is [slachtoffer] getuige van een dodelijk verkeersongeval waarbij een kind wordt overreden door een vrachtwagen. [slachtoffer] stopt tijdelijk met haar werk en ondergaat EMDR-therapie. [slachtoffer] rondt de behandeling af na een aantal sessies en meldt dat zij alleen nog een lichte angst heeft voor vrachtwagens. Medio april 2023 gaat zij weer voor het eerst naar haar werk om later, in juni, weer volledig aan het werk te gaan.

In de avond en nacht van 16 op 17 april 2023 komt er een abrupt einde aan de relatie. Uit door de verdachte gemaakt beeldmateriaal blijkt dat die nacht seksueel contact heeft plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en de verdachte waarbij [slachtoffer] zich in een onderworpen positie bevond. [slachtoffer] verbreekt de relatie kort hierna resoluut, zo blijkt uit chats van haar (‘I did it!’; ‘hem eruit getrapt. Ik kon niet meer.’). Wat er die avond en nacht precies is gebeurd, blijft onduidelijk, maar uit verschillende berichten en verklaringen blijkt dat [slachtoffer] niet meer om kan gaan met de bepalende en controlerende houding van de verdachte en zijn overmatig drankgebruik.

De verdachte zelf heeft geweigerd iets te vertellen over die nacht of over de reden van de abrupte relatiebreuk, maar vast staat dat er de ene dag nog werd gesproken over een toekomst samen en de verdachte de volgende dag in alle vroegte met de auto naar [land] is gereden nadat de relatie definitief is beëindigd door [slachtoffer]. De verdachte verblijft een kleine week in [land] en spreekt met [slachtoffer] af om bij thuiskomst aan de kinderen te vertellen dat zij uit elkaar gaan. De verdachte heeft het moeilijk met het einde van de relatie. Ondanks de insteek van de verdachte en [slachtoffer] om de beëindiging van de relatie goed te regelen, met name voor hun twee kinderen, zijn er vanaf 17 april 2023 veel conflicten. Conflicten gaan onder meer over het zonder overleg bestellen van allerlei dure nieuwe spullen door de verdachte voor zijn nieuwe woning en over het verdelen van de zorg voor de kinderen (in het kader van een ouderschapsplan).

De verdachte appt [slachtoffer] veelvuldig als zij aan het werk is. DZowel voor als na de relatiebreuk. Er zijn daarbij dagen dat de verdachte wel 200, 400 of zelfs 600 keer een appje stuurt. In die berichtjes geeft de verdachte blijk van jaloezie naar bepaalde collega’s van [slachtoffer], die hij in de contactenlijst van zijn telefoon lelijke bijnamen geeft. De apps geven ook blijk van afhankelijkheid van [slachtoffer] als hij zaken moet regelen en van angstgevoelens als zij geen tijd heeft voor hem. Zelfs als hij na de relatiebreuk een week in [land] is, controleert de verdachte [slachtoffer] nog steeds. De verdachte heeft het duidelijk moeilijk met de relatiebreuk en het gegeven dat hij alleen verder moet. De verdachte bericht [slachtoffer] dat hij zich sinds 17 april 2023 dood voelt van binnen en dat zijn leven stilstaat. Dit zelfde beeld komt ook uit ‘gesprekken’ naar voren die hij in die tijd met ChatGPT voert, waarin hij aangeeft dat hij zich eenzaam voelt en jaloers is.

Op 2 oktober 2023 krijgt de verdachte de sleutels van zijn nieuwe huurwoning aan de [straatnaam]. De verdachte maakt geen haast om zijn nieuwe woning te betrekken. Kort ervoor heeft hij nog geprobeerd om medehuurder van [adres 2] te worden, maar [slachtoffer] en ook de moeder van de verdachte zien dit niet zitten. De verdachte neemt de tijd om zijn nieuwe woning eerst op te knappen. [slachtoffer] helpt hem hierbij. Tot de laatste dag probeert de verdachte zijn vertrek naar de [straatnaam] uit te stellen. Zo vertelt hij [slachtoffer] dat er een lekkage van het dak is, die pas in de ochtend van 29 januari 2024 kan worden verholpen. Uit informatie van de woningbouwvereniging blijkt echter dat er op dat moment geen lekkages zijn. Er is een lekkende wasmachinekraan vervangen en een vochtvlek verholpen, maar dat was al maanden daarvoor.

Uit berichten van [slachtoffer] aan haar moeder en beeldbellen met haar zus [benadeelde 6] blijkt dat [slachtoffer] wil dat de verdachte sowieso [adres 2] verlaat op 29 januari 2024. [slachtoffer] heeft veel van de nog op [adres 2] aanwezige spullen van de verdachte in vuilniszakken gedaan en klaargezet om ervoor te zorgen dat de verdachte ook daadwerkelijk de woning zal verlaten. Op 28 januari 2024 om 17.04 uur laat zij aan haar moeder weten: ‘Jaa nog eeeeeeen nachtje! Ik heb al gezegd: maakt me niet uit of het af is, je gaat maar.’

3.5.2.

Redenen voor zelfmoord?

De verdachte heeft verklaard dat er volgens hem “meer dan genoeg redenen” waren voor [slachtoffer] om zelfmoord te plegen. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] dagelijks veel alcohol dronk en dat het ongeluk bij haar werk haar nog steeds bezighield. Ook zou zij zijn misbruikt in haar jeugd en zou zij sindsdien aan automutilatie doen (volgens de verdachte zouden hiervan sporen op haar hielen te vinden zijn). Door de verdediging is de mogelijkheid van een silent depression naar voren gebracht, een vorm van depressie waarbij iemand de symptomen angstvallig verborgen houdt voor de buitenwereld.

Het openbaar ministerie heeft gericht onderzoek gedaan naar de omstandigheden die door de verdachte naar voren zijn gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte genoemde “redenen voor zelfmoord” geen bevestiging vinden in het dossier. Het is slechts de verdachte zelf die hierover heeft verklaard. Uit het dossier blijkt niet dat [slachtoffer] een alcoholprobleem had. De rechtbank verwijst hiertoe naar getuigenverklaringen in het dossier met betrekking tot haar alcoholgebruik. Van misbruik in haar jeugd is niet gebleken. Van recente sporen van automutilatie (al dan niet op haar hielen) blijkt evenmin sprake te zijn. Er zijn alleen oude littekentjes aangetroffen, uit de periode rond haar vijftiende. Wat betreft het verkeersongeval waarvan [slachtoffer] getuige was in maart 2023 blijkt uit het dossier dat [slachtoffer] niet lang na het ongeval met goed gevolg een psychotherapeutische behandeling voor traumaverwerking heeft ondergaan (EMDR).

Meer in het algemeen overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet is gebleken dat [slachtoffer] depressieve gevoelens had. Integendeel: het dossier bevat meerdere aanwijzingen dat [slachtoffer] uitzag naar haar nieuwe leven na de scheiding van de verdachte. Dit volgt onder meer uit chatgesprekken en verklaringen van diverse personen uit haar naaste omgeving.

3.5.3.

Bevindingen forensisch onderzoek

Het forensisch onderzoek, meer in het bijzonder het interdisciplinair forensisch onderzoek (IDFO), heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van twee hypotheses, kort gezegd:

1. dat [slachtoffer] zichzelf van het leven heeft beroofd door zichzelf te verhangen aan de verwarmingsbuis in de woonkamer;

2. dat de verdachte [slachtoffer] heeft gestranguleerd (gewurgd) en zelfmoord in scène heeft gezet.

Middels een IDFO (interdisciplinair forensisch onderzoek) kan antwoord verkregen worden op de vraag binnen welk scenario de forensische bevindingen het meest aannemelijk zijn. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat ten behoeve van het zelfmoord-scenario aan de verdediging vooraf is gevraagd om input te leveren ten aanzien van de aannames en contextinformatie, zodat deze achteraf geen onderwerp van discussie zouden worden. Verder heeft de verdachte uitgebreid gelegenheid gekregen om zijn scenario gedetailleerd naar voren te brengen en onjuistheden te corrigeren voordat het IDFO werd uitgevoerd.

Knipuiteinden riem

De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] hangend aan de riem heeft aangetroffen en de riem heeft doorgeknipt tijdens de 112-melding. Volgens die verklaring moet er spanning op de riem hebben gestaan bij het doorknippen. Het NFI heeft onderzoek verricht om te bepalen hoeveel spanning er op de riem moet hebben gestaan om een vervorming van de knipuiteinden te bereiken zoals aangetroffen aan de riem op 29 januari 2024. Daarvoor is een vergelijkbare riem driemaal doorgeknipt, telkens met een ander gewicht eraan.

Uit dit onderzoek blijkt dat de vervorming van de knipuiteinden het meest overeenkomt met de riem zoals gevonden op de plaats delict, indien de riem wordt doorgeknipt terwijl er geen of een beperkt gewicht aan hangt (van 0 tot 12 kilogram). Verder blijkt uit het onderzoek dat het onwaarschijnlijk is dat er sprake is geweest van een belasting van 12 tot 27 kilogram en zeer onwaarschijnlijk dat er sprake is geweest van een hogere belasting dan 27 kilogram. De conclusie van het onderzoek is dat de aangetroffen vervorming van de knipuiteinden iets waarschijnlijker (2-10 maal waarschijnlijker) is als [slachtoffer] niet aan de hondenriem aan de verwarmingsbuis heeft gehangen toen deze werd doorgeknipt, dan wanneer zij wel aan de riem hing bij het doorknippen.

De vorm van de knoop (strakheid) waarmee de riem aan de verwarmingsbuis was bevestigd

Uit het onderzoek naar de strakheid van de knoop is gebleken dat de strakheid van de knoop met alle mogelijke trekkrachten (al bij een gewicht van vijf kilogram) aanzienlijk groter was dan de op 29 januari 2024 aangetroffen knoop. De conclusie van het onderzoek is dan ook dat de aangetroffen – losse – knoop veel waarschijnlijker (100-10.000 maal waarschijnlijker) is als [slachtoffer] niet aan de hondenriem aan de verwarmingsbuis heeft gehangen (en de verdachte dus een onbelaste hondenriem heeft doorgeknipt), dan wanneer [slachtoffer] wél aan de hondenriem hing en de verdachte de op die manier belaste hondenriem heeft doorgeknipt. De verdachte heeft steeds verklaard dat hij niet heeft geprobeerd om de knoop los te trekken, niet vóórdat hij de 112-melding deed en niet tijdens de melding.

De rechtbank gaat er, mede gelet op wat hierover is gerelateerd in het dossier, van uit dat ook niemand anders de knoop heeft aangeraakt nadat deze aan de buis was bevestigd. De knoop bevond zich aan de verwarmingsbuis achter de bank, in de hoek van de kamer, en bij de hulpverlening aan [slachtoffer] was het onnodig dat de knoop zou worden aangeraakt.

DNA-materiaal onder nagels [slachtoffer]

In de bemonstering van de nagels van de linker- en rechterhand van [slachtoffer] is 3,9 nanogram DNA-materiaal aangetroffen dat een match oplevert met het DNA-profiel van de verdachte. De aanwezigheid van deze hoeveelheid DNA is zeven maal waarschijnlijker als [slachtoffer] is gewurgd en zich daarbij krabbend heeft verweerd, dan wanneer zij zichzelf heeft verhangen.

Letselbeeld

Uit het IDFO volgt dat het letselbeeld bij [slachtoffer] 10-100 maal waarschijnlijker is als zij zichzelf met een slipketting om haar nek heeft verhangen in een knielende en voorovergebogen of een liggende positie zoals aangegeven door de verdachte, dan wanneer [slachtoffer] met de slipketting is gewurgd. Redengevend hiervoor is – kort gezegd – :

- het verloop van het snoerteken (de afdruk van de ketting) in de hals. Dit verliep horizontaal in plaats van opstijgend. Bij een verhanging wordt doorgaans een opstijgend verloop waargenomen, maar bij specifieke gevallen van (onvolledige) verhanging kan ook een horizontaal verlopend snoerteken voorkomen;

- het ontbreken van (duidelijke) af- en verweerletsels en overig letsel,

- de enkelvoudigheid van het snoerteken (er was één enkel snoerteken aanwezig, en niet meerdere, terwijl dat laatste meer past bij een wurging waarbij het slachtoffer zich verzet), en de beperkte en gelokaliseerde onderliggende letsels, die passen bij een weinig dynamische context (zonder dat er een reden is gegeven voor de afwezigheid van verzet door het slachtoffer).

Conclusie IDFO

De conclusie van het IDFO, waarbij alle bewijskrachtberekeningen van de hiervoor opgenomen bevindingen uitgaande van de twee scenario’s worden meegewogen, is dat de forensische onderzoeksbevindingen (gezamenlijk) 7 tot 700 keer waarschijnlijker zijn indien wordt uitgegaan van het scenario dat de verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht door haar te wurgen met de slipketting, dan wanneer het scenario wordt gevolgd dat [slachtoffer] zichzelf heeft verhangen.

Het NFI komt tot deze conclusie door de bewijskracht van de eerder genoemde bevindingen met elkaar te vermenigvuldigen. Daarbij wordt binnen de genoemde bandbreedten (zoals ‘10-100 maal waarschijnlijker’) telkens uitgegaan van de bewijskracht die het meest in het voordeel van de verdachte is.

In deze berekening zijn de bevindingen over de knipuiteinden van de knoop niet meegenomen. Deze bevindingen zijn volgens het NFI namelijk conditioneel afhankelijk: de strakheid van de knoop en de vorm van de knipuiteinden hangen immers beide samen met de trekkracht op de riem. Om een dubbeltelling te voorkomen, zijn de bevindingen over de knipuiteinden daarom, in het voordeel van verdachte, in het geheel niet meegenomen.

3.5.4.

Bevindingen tactisch onderzoek

Behalve de bevindingen uit het forensisch onderzoek, heeft de rechtbank acht geslagen op de bevindingen uit het tactisch onderzoek en het overige politieonderzoek. In dit onderzoek is met name gekeken naar de gedragingen van de verdachte, voorafgaand aan het gebeurde, voor zover dit kan worden nagegaan.

3.5.4.1. Zoekopdrachten op mobiele telefoon en webgeschiedenis

De telefoon van de verdachte is onderzocht. Daaruit is gebleken dat (een deel van) de webgeschiedenis handmatig of automatisch is verwijderd, zodat niet precies kan worden nagegaan welke sites met behulp van deze telefoon zijn bezocht. Wel zijn er in de zogenoemde cache-map van de telefoon van de verdachte cachebestanden (met name afbeeldingen) aangetroffen. De functie van cachebestanden op een telefoon is het tijdelijk opslaan van data. Dit zorgt ervoor dat apps en websites sneller laden omdat de telefoon niet elke keer opnieuw gegevens hoeft te downloaden. Uit onderzoek naar deze afbeeldingen kan met betrekking tot de vanaf deze telefoon bezochte websites – ondanks de gewiste webgeschiedenis – het volgende worden vastgesteld.

Op 27 september 2023 om 18.53 uur is op rechtspraak.nl gezocht naar jurisprudentie met betrekking tot de zoekterm ‘zelfmoord’.

Op 1 oktober 2023 om 23.24 uur is gekeken hoe een strop kan worden geknoopt.

Op 10 oktober 2023 vanaf 00.10 uur zijn twee wetenschappelijke artikelen geraadpleegd waarin het onderscheid tussen moord en zelfmoord door strangulatie wordt besproken. Het zijn artikelen die informatie verschaffen over de (forensische) kenmerken van beide scenario’s zodat zelfmoord kan worden onderscheiden van moord.

Uit de webgeschiedenis die nog kon worden achterhaald, blijkt dat op 19 november 2023 van 10.29 uur tot 11.49 uur onderzoek is gedaan naar de werking van de stof ethyleenglycol (antivries), een zeer giftige stof. Eerst werd op Wikipedia gekeken, daarna werd er gekeken wat de letale dosis is van deze stof. Ook werd er gekeken hoe snel bloed stolt.

Dat niet de verdachte maar [slachtoffer] genoemde informatie zou hebben gezocht met behulp van de telefoon van de verdachte, acht de rechtbank niet aannemelijk. Behalve de verklaring van de verdachte is er in het dossier niets dat hierop wijst. Het klopt niet in de tijdlijn, [slachtoffer] is op sommige tijdstippen van zoekopdrachten niet bij de verdachte en zijn telefoon, en het komt de rechtbank ook zeer onwaarschijnlijk voor in het licht van het feit dat de verdachte met deze zelfde telefoon app-contact heeft met een vriend over hoe hij [slachtoffer] het best kan manipuleren in het proces van de scheiding en app-contact heeft met meerdere potentieel nieuwe partners.

3.5.4.2. Aanschaf en gebruik hondenriem en metalen slipketting

Op 5 december 2023 heeft de verdachte op de website van Action een type hondenriem bekeken zoals aangetroffen op 29 januari 2024 op de plaats delict. De verdachte heeft deze (vervolgens) aangeschaft. De metalen slipketting zou de verdachte naar eigen zeggen kort daarvoor al hebben aangeschaft. De hondenriem met slipketting zou volgens de verdachte zijn gebruikt om [naam hond], de chihuahua van het gezin, mee uit te laten (‘Gewoon om een wat stoerdere look te geven aan het hondje.’). Later heeft de verdachte verklaard dat het om een grapje ging, de ketting was veel te groot en zwaar voor hun chihuahua. In de (nieuwe) woning van de verdachte is nog eenzelfde soort slipketting aangetroffen tussen de administratie, in een ordner. Uit camerabeelden van de deurbel van de overburen blijkt dat de slipketting niet is gebruikt om [naam hond] uit te laten. Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de verdachte zelf, blijkt dat de combinatie van deze hondenriem met slipketting na de aanschaf aan de kapstok heeft gehangen in de gang van de woning, klaar voor gebruik.

3.5.4.3. Onderzoek stappenteller en gebruik Netflix in woonkamer

Uit het onderzoek naar de stappentellers op de telefoons van de verdachte en [slachtoffer] komt naar voren dat het aantal getelde stappen niet (altijd) overeenkomt met het aantal werkelijk genomen stappen. Daar komt bij dat stappen alleen worden geregistreerd op het moment dat de telefoon wordt meegenomen door de persoon die de stappen zet.

De officier van justitie en de verdediging geven verschillende interpretaties van de gegevens uit de stappentellers.

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de telefoon van de verdachte geen stappen meer heeft geregistreerd in de avond van 28 januari 2024 (vanaf 18.10 uur) zodat het goed zou kunnen dat de verdachte de gehele nacht beneden (in de woonkamer) is gebleven. De verdachte heeft die nacht tot 01.10 uur op zijn telefoon gezeten. Pas tussen 6.40 en 6.50 uur zijn er weer stappen geregistreerd op de telefoon van de verdachte. Vanaf 3.54 uur is er Netflix gestreamd in de woonkamer. De officier van justitie acht het aannemelijk dat het de verdachte is geweest die dit heeft gedaan.

De verdediging acht het aannemelijk dat het [slachtoffer] is geweest die Netflix heeft gekeken in de woonkamer, ook al zijn de eerste stappen op haar telefoon die dag pas geregistreerd om 4.12 uur. De verdediging benadrukt dat [slachtoffer] om 3.24 uur al actief was op haar telefoon. De overige activiteiten op haar telefoon en geregistreerde stappen zouden dit scenario nog aannemelijker maken.

De rechtbank zal geen conclusies verbinden aan het aantal stappen dat volgens de stappenteller met de telefoon (in de hand) is gezet, al dan niet in combinatie met het overige gebruik van de telefoons en het streamen van Netflix in de woonkamer. De rechtbank overweegt hiertoe dat geen van beide scenario’s voldoende sluitend is om hieraan conclusies te verbinden. Er zijn bovendien te veel variabelen die invloed hebben op het al dan niet (correct) registreren van stappen op een telefoon.

3.5.4.4. Tussenconclusie: de verdachte heeft [slachtoffer] om het leven gebracht

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de hiervoor besproken bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [slachtoffer] op 29 januari 2024 heeft gewurgd met een metalen ketting en dat zij hieraan is overleden.

3.5.5.

Voorbedachte raad

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad vast moet komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte dient de gelegenheid te hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechtbank het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De officier van justitie concludeert uit de hiervoor besproken zoekopdrachten op de telefoon van de verdachte dat de verdachte zich kennelijk heeft georiënteerd op het doden van [slachtoffer] en het ensceneren van zelfmoord. Die oriëntatie maakt volgens de officier van justitie echter nog niet dat van voorbedachte raad sprake is geweest, al zijn er wel elementen die daar dicht tegenaan liggen.

De rechtbank, die de zoekopdrachten en de aanschaf van de hondenriem en slipketting, gezamenlijk beschouwt binnen de context van de afwikkeling van een turbulente relatie zoals hiervoor beschreven, ziet hierin een plan van de verdachte om [slachtoffer] om het leven te brengen. Dit plan behelst naar het oordeel van de rechtbank niet alleen om [slachtoffer] van het leven te beroven, maar ook om dit op zelfmoord te laten lijken (ook voor de politie en forensisch pathologen). In de wurging, het nadien ophangen van het andere uiteinde van de doorgeknipte hondenriem aan de verwarmingsbuis en zijn verklaringen dat hij [slachtoffer] hangend zou hebben aangetroffen, ziet de rechtbank de uitvoering door de verdachte van dit plan. De voorbereiding van dit plan is verspreid over een langere periode – een periode waarin de verdachte had kunnen nadenken over zijn voornemen en de consequenties daarvan.

Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank de voorbedachte raad bewezen verklaren.

De rechtbank gaat hiermee voorbij aan de (niet nader onderbouwde) stelling van de verdediging dat de (specifieke) zoekopdrachten van de verdachte samenhingen met de zelfmoord van verdachtes oom [naam 1] in 2014. Ook aan de door de verdediging overgelegde chats met zijn nicht hierover, chats die niet zijn aangetroffen in de telefoon of op de laptop van de verdachte maar (kennelijk) door die nicht zijn aangeleverd, komt geen betekenis toe waar het gaat om de zoekopdrachten van de verdachte.

3.6.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het (impliciet primair) ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Leiden [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door een (metalen) ketting om de nek/hals van die [slachtoffer] te plaatsen/doen en vervolgens die ketting met kracht aan te trekken en aan te blijven trekken, althans een omsnoerende krachtinwerking ter hoogte van de hals van die [slachtoffer] te veroorzaken, waardoor (enige tijd) de ademhaling van die [slachtoffer] is belet/belemmerd.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van achttien jaren en de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging gevorderd.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd, inhoudende dat de gevorderde gevangenisstraf te hoog is gelet op soortgelijke zaken. Voorts heeft de verdediging betoogd dat niet aan de vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan. Voor zover relevant zal de rechtbank hierna nader ingaan op hetgeen de verdediging hiertoe heeft gesteld.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zijn ex-partner [slachtoffer] in hun woning op gewelddadige wijze vermoord door haar te wurgen met een metalen ketting. Voor de verdachte was onverteerbaar dat niet alleen zijn relatie met [slachtoffer] na bijna 14 jaar definitief was beëindigd maar ook dat het gezin zoals hij dat had, uiteen zou vallen en hij de woning moest verlaten waarin hij was opgegroeid. De verdachte ensceneerde een zelfmoord, maar uit forensisch en tactisch onderzoek bleek dat de verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht en dat hij deze moord in de maanden voorafgaand hieraan heeft voorbereid. Deze voorbereiding betrof niet alleen het uitvoeren van de moord maar ook de verhulling ervan.

Met zijn daad heeft de verdachte [slachtoffer] haar kostbaarste bezit, haar leven, ontnomen. Door een einde te maken aan haar leven, heeft de verdachte hun kinderen, haar ouders en zussen en de overige nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. De kinderen van de verdachte zullen verder moeten leven zonder hun moeder, in de wetenschap dat het hun eigen vader is geweest die haar van het leven heeft beroofd. Uit de slachtofferverklaringen van [slachtoffer]’s moeder en zussen is gebleken hoe enorm groot de impact is van de moord op hun geliefde dochter en zus.

In zijn poging de moord te doen voorkomen als zelfmoord heeft de verdachte verklaringen afgelegd over de persoon die [slachtoffer] was. Die verklaringen zijn overwegend onjuist gebleken en zijn grievend en beschadigend voor de kinderen en overige familie. Dit draagt bij aan de ernst van het feit.

Moord is het meest ernstige delict dat ons Wetboek van Strafrecht kent.

In deze zaak is er bovendien sprake van ex-partnerdoding. Dit veroorzaakt in de samenleving ook bij niet direct betrokkenen gevoelens van afschuw en van angst en onveiligheid De maatschappelijke aandacht voor wat in de media en wetenschappelijke stukken als femicide of vrouwenmoord wordt aangeduid, maakt de samenleving bewust van de potentiële kwetsbaarheid van vrouwen wanneer zij eigen keuzes gaan maken in hun leven die door hun partner niet gewenst zijn, zeker wanneer die partner in dat leven geen plaats meer heeft.

Persoon van de verdachte

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een misdrijf.

Er is een ‘Triple onderzoek Pro Justitia’ (gedragskundig onderzoek) gedaan door [naam 2], psychiater, [naam 3], klinisch psycholoog en [naam 4], forensisch milieuonderzoeker. Daarvan is op 24 maart 2025 een geïntegreerd rapport uitgebracht. Hieruit blijkt – voor zover relevant – het volgende.

De verdachte heeft zijn medewerking aan het onderzoek niet geweigerd, maar inhoudelijk bleef hij zeer terughoudend, (aan-) klagend, ontkennend en externaliserend. Toestemming voor relevante informatie uit andere professionele bron werd niet verkregen (huisarts, UWV, inrichtingspsycholoog). De onderzoekscontacten verliepen bij momenten moeizaam en weinig vruchtbaar. Dit hangt samen met zijn procespositie, maar ook met zijn persoonlijkheid. Hierdoor kent het onderzoek beperkingen, al kon met alle verzamelde informatie wel tot diagnostische conclusies worden gekomen.

Toerekenbaarheid

De verdachte lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis. De vraag in hoeverre deze stoornis heeft doorgewerkt in de vrijheid van de verdachte om zijn handelen te bepalen, met name ten aanzien van het tenlastegelegde, kan niet worden beantwoord, nu de verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft omgebracht. Daarmee vervalt de mogelijkheid voor de deskundigen om een advies te geven in verband met de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Recidivegevaar en maatregel (tbs)

De vraag naar het risico op recidive kan, gelet op het ontbreken van een delictscenario/-analyse en de daaruit komende risicotaxatie, niet door de deskundigen worden beantwoord. Wel wordt opgemerkt dat de verdachte een blanco strafblad heeft, op grond waarvan het risico op algemeen geweld laag wordt ingeschat. Voorts stellen de deskundigen dat het recidiverisico bij partnerdoding relatief laag is. Daarbij wordt de kanttekening gemaakt dat destructieve interactionele patronen binnen relaties (indien bewezen) zich kunnen herhalen. Dergelijke patronen kennen een geleidelijk beloop en kunnen lange tijd uit het zicht van de omgeving blijven.

De deskundigen kunnen, gelet op de genoemde beperkingen, in het onderzoek geen interventieadvies geven. Wel kan worden gesteld dat de bij de verdachte geconstateerde problematiek hardnekkig is en dat eventuele verandering pas bewerkstelligd kan worden na een langdurige en intensieve behandeling. Hierbij is een vrijwillig kader niet toereikend, aangezien de verdachte geen probleeminzicht toont en niet gemotiveerd is om behandeling te onderaan.

De reclassering heeft geen advies uit kunnen brengen, gelet op de proceshouding van de verdachte. Wel heeft de reclassering een risicoanalyse uitgevoerd. Uit die analyse volgt dat de kans op recidive laag wordt ingeschat.

De rechtbank zal, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen terbeschikkingstelling aan de verdachte opleggen. De rechtbank overweegt hiertoe dat naar haar oordeel niet is voldaan aan de voorwaarden die artikel 37a Wetboek van Strafrecht (Sr) stelt, meer in het bijzonder: het gevaarscriterium. Zowel de gedragsdeskundigen als de reclassering schatten de kans op recidive, in zaken als de onderhavige, laag in. Deze conclusie is gebaseerd op het blanco strafblad van de verdachte en het gegeven dat in het algemeen het recidiverisico bij partnerdoding relatief laag is. Wel wordt aangegeven dat interactionele patronen binnen relaties zich kunnen herhalen.

Gevangenisstraf

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een langdurige gevangenisstraf, gelet op wat is overwogen over de ernst van het feit en alle genoemde omstandigheden, passend en geboden is. Wat betreft de hoogte hiervan overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank zoekt bij haar beslissing over de hoogte van de straf doorgaans aansluiting bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten en jurisprudentie. Ten aanzien van moord en doodslag zijn er geen landelijke oriëntatiepunten. Daarom kijkt de rechtbank naar straffen die rechters in soortgelijke zaken hebben opgelegd. Daaruit kan worden afgeleid dat voor een enkelvoudige moord een gevangenisstraf tussen de 15 en 20 jaren passend en geboden is. In uitzonderlijke gevallen wordt een hogere straf opgelegd. In dit geval zijn naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden aanwezig die een hogere straf rechtvaardigen. De rechtbank wijst hierbij met name op het onvoorstelbare leed dat de verdachte zijn eigen kinderen, die voor hun verzorging en opvoeding van hem en [slachtoffer] afhankelijk waren, heeft aangedaan door hun moeder met voorbedachte raad om het leven te brengen. Ook zijn poging de nagedachtenis van [slachtoffer] te besmeuren, weegt de rechtbank mee voor een hogere straf. De rechtbank zal, alles overwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 21 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr is voldaan. De verdachte heeft zich immers schuldig gemaakt aan moord. Dit is een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam. Aan de verdachte wordt voor dit strafbare feit een gevangenisstraf opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de bevindingen van de deskundigen dat interactionele patronen zich op termijn zouden kunnen herhalen en lang uit het zicht zouden kunnen blijven van de omgeving, de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom de maatregel opleggen.

7
Verzoek geluidsopname terechtzitting

Namens de kinderen van de verdachte is door Jeugdbescherming west verzocht om de audio-opnames van de terechtzitting beschikbaar te stellen zodat de kinderen hiervan kennis kunnen nemen op het moment dat zij daaraan (in de toekomst) behoefte hebben.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich niet tegen toewijzing van dit verzoek verzet.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het standpunt ingenomen dat de kinderen in de gelegenheid dienen te worden gesteld om kennis te nemen van de geluidsopnamen van de terechtzitting indien zij hier behoefte aan hebben. Dit zou moeten plaatsvinden op de rechtbank. De verdediging heeft zich evenwel verzet tegen de verstrekking van deze opnamen aan Jeugdbescherming west. De verdediging vreest dat de geluidsopnamen verder verspreid zullen worden hetgeen een grote inbreuk op de privacy van de verdachte veroorzaakt.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, bij gebrek aan een specifieke regeling op dit moment, en vooruitlopend op artikel 4.2.69 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, de geluidsopnamen van de terechtzitting en van de uitspraak bij de processtukken voegen. De advocaat van de kinderen heeft toegang hiertoe en de Jeugdbescherming zal zich tot hem moeten wenden voor kennisneming door de kinderen op enig moment.

8
De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen
8.1.1.

De vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

[benadeelde 1], de dochter van het overleden slachtoffer en de verdachte, heeft zich via haar wettelijk vertegenwoordiger stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van in totaal € 70.000,--, bestaande uit een bedrag van € 30.000,-- aan materiële schade (gederfd levensonderhoud € 25.000,--; nader te onderbouwen schade € 5.000,--), een bedrag van € 20.000,-- aan immateriële schade (wegens aantasting in de persoon op andere wijze) en een bedrag van € 20.000,-- aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde 2], de zoon van het overleden slachtoffer en de verdachte, heeft zich via zijn wettelijk vertegenwoordiger stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van in totaal € 70.000,--, bestaande uit een bedrag van € 30.000,-- aan materiële schade (gederfd levensonderhoud € 25.000,--; nader te onderbouwen schade € 5.000,--), een bedrag van € 20.000,-- aan immateriële schade (wegens aantasting in de persoon op andere wijze) en een bedrag van € 20.000,-- aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.2.

De vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

[benadeelde 3], de moeder van het overleden slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van in totaal € 42.500,--, bestaande uit een bedrag van € 25.000,--, bestaande uit shockschade (subsidiair aantasting in de persoon anderszins) en een bedrag van € 17.500,-- aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde 4], de vader van het overleden slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 42.500,--, bestaande uit een bedrag van € 25.000,--, bestaande uit shockschade (subsidiair aantasting in de persoon anderszins) en een bedrag van € 17.500,-- aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.3.

De vorderingen van [benadeelde 5] en [benadeelde 6]

[benadeelde 5], de zus van het overleden slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20,000,--, bestaande uit shockschade (subsidiair aantasting in de persoon anderszins), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde 6], de zus van het overleden slachtoffer, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20.000,--, bestaande uit shockschade (subsidiair aantasting in de persoon anderszins), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met vermeerdering van de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.3.

Het standpunt van de verdediging

8.3.1.

De vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen gelet op de bepleite integrale vrijspraak. De gevorderde affectieschade is door de verdediging niet betwist. De gevorderde overlijdensschade, de post ‘nader te onderbouwen’ en de aanvullende immateriële schade wegens aantasting in de persoon worden wel betwist, nu deze onvoldoende concreet zijn onderbouwd en nader civielrechtelijk onderzoek vergen. De aanvullende immateriële schade wordt bovendien al voldoende gedekt door de gevorderde affectieschade. De verdediging verzoekt de benadeelde partijen voor wat betreft de genoemde overlijdensschade, de post ‘nader te onderbouwen’ en de aanvullende immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vorderingen ten aanzien van de shockschade af te wijzen.

8.3.2.

De vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen gelet op de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging de vorderingen voor wat betreft de affectieschade niet betwist, nu deze voldoende is onderbouwd. De gevorderde shockschade heeft de verdediging wel betwist, inhoudende dat onvoldoende is gebleken uit de vorderingen op welke wijze de benadeelden rechtstreeks of onverhoeds zijn geconfronteerd met het ten laste gelegde feit of de directe gevolgen daarvan, alsmede waaruit het geestelijk letsel bestaat nu daarvoor een onderbouwing ontbreekt; de behandeling is nog niet gestart en er is geen diagnose gesteld. De verdediging verzoekt de benadeelde partijen voor wat betreft de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vorderingen ten aanzien van de shockschade af te wijzen.

8.3.3.

De vorderingen van [benadeelde 5] en [benadeelde 6]

De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen gelet op de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging ten aanzien van de gevorderde shockschade bepleit onderscheid te maken tussen verdriet om het verlies en schade door een afzonderlijke shock (waarop de vordering ziet).

De verdediging heeft met betrekking tot de vordering van [benadeelde 5] gesteld dat zij is geconfronteerd met het stoffelijk overschot van de overledene en zij heeft medische informatie overgelegd waaruit psychische klachten blijken. De verdediging refereert zich ten aanzien van haar vordering aan het oordeel van de rechtbank, maar verzoekt wel het gevorderde bedrag bij toewijzing te matigen. De verdediging heeft hiertoe verwezen naar de Rotterdamse schaal en de daarin genoemde bedragen.

De vordering van [benadeelde 6] is door de verdediging betwist, inhoudende dat onvoldoende is gebleken uit de vordering op welke wijze de benadeelde rechtstreeks of onverhoeds is geconfronteerd met het ten laste gelegde feit of de directe gevolgen daarvan, nu de toelichting in belangrijke mate ziet op het overlijden van haar zus, de juridische nasleep, rouw, verdriet en spanningsklachten, hetgeen niet valt onder shockschade. De subsidiair in de vordering genoemde grondslag van aantasting in de persoon wordt eveneens betwist, nu de onderbouwing hiervan niet anders is. De verdediging verzoekt de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel de vordering ten aanzien van de shockschade af te wijzen.

8.4.

Het oordeel van de rechtbank

8.4.1.

Het juridisch kader

De rechtbank stelt voorop dat buiten twijfel staat dat de nabestaanden diep zijn getroffen door het overlijden van hun moeder, dochter en zus. Er is sprake van groot verdriet en leed. De vorderingen moeten desondanks worden beoordeeld binnen de wettelijke kaders en jurisprudentie. De rechtbank zal daarom eerst het toepasselijke juridische kader schetsen, waarna de vorderingen worden beoordeeld.

Gesloten stelsel

Derden die als gevolg van het overlijden van iemand schade lijden, hebben slechts de aanspraken op schadevergoeding waarin artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) voorziet. Dit betreft een gesloten stelsel. Het gaat dan om derving van levensonderhoud (lid 1), kosten van lijkbezorging (lid 2) en affectieschade (lid 3). Schade als bedoeld in artikel 6:106 BW (immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze) komt voor derden niet voor vergoeding in aanmerking. De persoon van de benadeelde in artikel 6:106 aanhef en onder b, BW betreft namelijk degene die zelf is getroffen door de onrechtmatige daad, dat is in dit geval het overleden slachtoffer. De grenzen van dit stelsel zijn in de rechtspraak bevestigd en het stelsel wordt alleen doorbroken in het zeer bijzondere geval dat de aansprakelijke het oogmerk had om de derde te kwetsen door zijn of haar naaste te schaden. Naast vergoeding voor de hierna te bespreken affectieschade is in de rechtspraak wel aanvaard dat het wettelijk stelsel enige ruimte laat voor vergoeding van schade die iemand lijdt door confrontatie met een schokkende gebeurtenis, de zogenoemde shockschade. Ook die schade wordt hierna besproken.

Affectieschade

Sinds 1 januari 2019 is het voor nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Vergoeding van affectieschade is in beginsel slechts toewijsbaar aan personen die behoren tot de kring van gerechtigden, die in artikel 6:108, lid 4 , onder a tot en met f, BW worden opgesomd. Broers en zussen van het overleden slachtoffer vallen niet onder deze opsomming. Op grond van de zogenoemde hardheidsclausule die in artikel 6:108, lid 4, onder g, BW is opgenomen, kan in uitzonderlijke gevallen affectieschade worden toegekend aan een persoon die niet tot de in wet genoemde kring van gerechtigden behoort. Het is aan de nabestaande om een nauwe persoonlijke relatie aannemelijk te maken, waarvoor een affectieve relatie moet worden aangetoond. In het Besluit vergoeding affectieschade is geregeld op welk bedrag personen die tot de kring van gerechtigden behoren, aanspraak kunnen maken.

Shockschade

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van zogenoemde shockschade mogelijk. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het tenlastegelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond.

Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.

8.4.2.

De vorderingen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2]

Materiële schade

De vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de post ‘gederfd levensonderhoud’, zijn namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partijen voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen van € 25.000,--.

De rechtbank zal, voor zover de vorderingen betrekking hebben op de post ‘nader te onderbouwen’, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen. Dit deel van de vorderingen is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vorderingen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Immateriële schade

De gestelde immateriële schade van de benadeelde partijen, bestaat uit de schadeposten affectieschade en ‘aantasting in de persoon op andere wijze’.

Zoals uit het hiervoor onder 7.4.1. genoemde gesloten stelsel kan worden afgeleid, komen nabestaanden niet in aanmerking voor vergoeding van immateriële schade wegens aantasting in de persoon op andere wijze als bedoeld in art. 6:106, onder b, BW.De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen met betrekking tot deze posten niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank acht de vorderingen met betrekking tot de post affectieschade, bestaande uit een bedrag van € 20.000,-- per vordering voor toewijzing vatbaar. Dit deel van de vorderingen is namens de verdachte niet betwist. De minderjarige kinderen van het overleden slachtoffer moeten op grond van artikel 6:108, vierde lid, onder d, BW als naasten worden aangemerkt die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. De gevorderde bedragen komen overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade voor deze naasten heeft vastgesteld.

De rechtbank zal de vorderingen dan ook toewijzen voor wat betreft de gevorderde affectieschade.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vorderingen (steeds) toewijzen tot een bedrag van € 45.000,--, bestaande uit € 25.000,-- aan materiële schade en € 20.000,-- aan immateriële schade per benadeelde partij.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 januari 2024, omdat vast is komen te staan dat de toe te wijzen schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vorderingen deels worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

8.4.3.

De vorderingen van [benadeelde 3] en [benadeelde 4]

Immateriële schade

De gestelde immateriële schade van de benadeelde partijen, bestaat uit de schadeposten affectieschade en shockschade (dan wel: ‘aantasting in de persoon’).

De rechtbank acht de vorderingen met betrekking tot de post affectieschade, bestaande uit een bedrag van € 17.500,-- per vordering voor toewijzing vatbaar. Dit deel van de vorderingen is namens de verdachte niet betwist. De ouders van het overleden slachtoffer moeten op grond van artikel 6:108, vierde lid, onder c, BW als naasten worden aangemerkt die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade. De gevorderde bedragen komen overeen met het schadebedrag dat de wetgever in het Besluit vergoeding affectieschade voor deze naasten heeft vastgesteld.

De rechtbank zal de vorderingen dan ook toewijzen voor wat betreft de gevorderde affectieschade.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden in de zin van shockschade door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partijen ter toelichting op de vorderingen is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade in de zin van shockschade toewijzen tot een bedrag van (steeds) € 7.500,--. De rechtbank zal de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen tot vergoeding van de genoemde shockschade. Dit deel van de vorderingen is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vorderingen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vorderingen (steeds) toewijzen tot een bedrag van € 25.000,--, aan immateriële schade, bestaande uit € 17.500,-- aan affectieschade en € 7.500,-- aan shockschade, per benadeelde partij.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 januari 2024, omdat vast is komen te staan dat de toe te wijzen schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vorderingen deels worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

8.4.4.

De vorderingen van [benadeelde 5] en [benadeelde 6]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden in de zin van shockschade door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partijen ter toelichting op de vorderingen is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade in de zin van shockschade toewijzen tot een bedrag van (steeds) € 7.500,--. De rechtbank zal de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen tot vergoeding van de genoemde shockschade. Dit deel van de vorderingen is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vorderingen zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vorderingen (steeds) toewijzen tot een bedrag van € 7.500,--, aan immateriële schade (shockschade), per benadeelde partij.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 januari 2024, omdat vast is komen te staan dat de toe te wijzen schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Omdat de vorderingen deels worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

9
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 38z, 60a, 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10
De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het (impliciet primair) ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van het (impliciet primair) ten laste gelegde feit:

moord;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;

ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]:

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (steeds) deels toe tot een bedrag van € 45.000,-- per benadeelde en veroordeelt de verdachte om deze bedragen, (steeds) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2024 tot de dag waarop de betreffende vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2];

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor het overige, te weten de post aan materiële schade ‘nader te onderbouwen’, niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4]:

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] (steeds) deels toe tot een bedrag van € 25.000,-- per benadeelde en veroordeelt de verdachte om deze bedragen, (steeds) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2024 tot de dag waarop de betreffende vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] en [benadeelde 4];

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] voor zover het gevorderde bedrag aan shockschade het toegewezen bedrag overstijgt, niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4], begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6]:

wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] (steeds) deels toe tot een bedrag van € 7.500,-- per benadeelde en veroordeelt de verdachte om deze bedragen, (steeds) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2024 tot de dag waarop de betreffende vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6];

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] voor zover het gevorderde bedrag (aan shockschade) het toegewezen bedrag overstijgt, niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6], begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregelen:

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, van:

€ 45.000,--, ten behoeve van [benadeelde 1];

€ 45.000,--, ten behoeve van [benadeelde 2];

€ 25.000,--, ten behoeve van [benadeelde 3];

€ 25.000,--, ten behoeve van [benadeelde 4];

€ 7.500,--, ten behoeve van [benadeelde 5];

€ 7.500,--, ten behoeve van [benadeelde 6];

bepaalt dat (telkens) als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast,

ten behoeve van [benadeelde 1] voor de duur van 100 dagen;

ten behoeve van [benadeelde 2] voor de duur van 100 dagen;

ten behoeve van [benadeelde 3] voor de duur van 50 dagen;

ten behoeve van [benadeelde 4] voor de duur van 50 dagen;

ten behoeve van [benadeelde 5] voor de duur van 30 dagen;

ten behoeve van [benadeelde 6] voor de duur van 30 dagen;

de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting(en) niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;

beslissing audio-opnamen

voegt de audio-opnamen van de terechtzitting en de uitspraakzitting toe aan het dossier.

Dit vonnis is gewezen door

mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. G. Kuijper, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar en MSc. J.I. Poelsma, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2026.