verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het (impliciet primair) ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van het (impliciet primair) ten laste gelegde feit:
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) jaren;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2]:
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] (steeds) deels toe tot een bedrag van € 45.000,-- per benadeelde en veroordeelt de verdachte om deze bedragen, (steeds) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2024 tot de dag waarop de betreffende vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] en [benadeelde 2];
bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor het overige, te weten de post aan materiële schade ‘nader te onderbouwen’, niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4]:
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] (steeds) deels toe tot een bedrag van € 25.000,-- per benadeelde en veroordeelt de verdachte om deze bedragen, (steeds) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2024 tot de dag waarop de betreffende vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] en [benadeelde 4];
bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4] voor zover het gevorderde bedrag aan shockschade het toegewezen bedrag overstijgt, niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 4], begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6]:
wijst de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] (steeds) deels toe tot een bedrag van € 7.500,-- per benadeelde en veroordeelt de verdachte om deze bedragen, (steeds) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2024 tot de dag waarop de betreffende vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 5] en [benadeelde 6];
bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] voor zover het gevorderde bedrag (aan shockschade) het toegewezen bedrag overstijgt, niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen dit deel van de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6], begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregelen:
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, telkens vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 januari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, van:
€ 45.000,--, ten behoeve van [benadeelde 1];
€ 45.000,--, ten behoeve van [benadeelde 2];
€ 25.000,--, ten behoeve van [benadeelde 3];
€ 25.000,--, ten behoeve van [benadeelde 4];
€ 7.500,--, ten behoeve van [benadeelde 5];
€ 7.500,--, ten behoeve van [benadeelde 6];
bepaalt dat (telkens) als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast,
ten behoeve van [benadeelde 1] voor de duur van 100 dagen;
ten behoeve van [benadeelde 2] voor de duur van 100 dagen;
ten behoeve van [benadeelde 3] voor de duur van 50 dagen;
ten behoeve van [benadeelde 4] voor de duur van 50 dagen;
ten behoeve van [benadeelde 5] voor de duur van 30 dagen;
ten behoeve van [benadeelde 6] voor de duur van 30 dagen;
de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting(en) niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichtingen aan de Staat de betalingsverplichtingen door de verdachte aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partijen de betalingsverplichtingen aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichtingen aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen;
beslissing audio-opnamen
voegt de audio-opnamen van de terechtzitting en de uitspraakzitting toe aan het dossier.
Dit vonnis is gewezen door
mr. drs. H.M. Braam, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. G. Kuijper, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar en MSc. J.I. Poelsma, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2026.