Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 juni 2026 - ten laste gelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 19 september 2025, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk geweld heeft gepleegd tegen de beschermde goederen van een internationaal beschermd persoon, waardoor gevaar voor de veiligheid of de vrijheid voor die persoon te duchten was, immers heeft hij, verdachte, met een bijlhamer tegen de intercom en/of met een stootijzer, dan wel een langwerpig ijzeren voorwerp, tegen de ruiten geslagen (van de toegangsdeuren) van een gebouw waarin de Israëlische ambassade gevestigd is, gelegen aan de Johan de Wittlaan;
2.
hij op of omstreeks 19 september 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in/aan een gebouw (waarin de Israëlische ambassade gevestigd is), gelegen aan de Johan de Wittlaan, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten (delen van) het gebouw te duchten was, en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten zich bij de ingang en/of in (de nabijheid van) dat gebouw bevindende personen te duchten was,
door zich met een brandbare en/of brandversnellende vloeistof en/of benzine en/of een aansteker en/of lucifers naar voornoemd gebouw te begeven en/of met een bijlhamer en/of stootijzer de toegangsdeur te openen en/of te forceren om het pand binnen te komen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen
leiden:
hij op of omstreeks 19 september 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk brand te stichten, terwijl daar levensgevaar en/of gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van te duchten is, in/aan een gebouw (waarin de Israëlische ambassade gevestigd is), gelegen aan de Johan de Wittlaan, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, te weten een brandbare en/of brandversnellende vloeistof en/of benzine en/of een aansteker en/of lucifers en/of een bijlhamer en/of stootijzer om de toegangsdeur te openen en/of te forceren om het pand binnen te komen en daar brand te stichten voorhanden heeft gehad;
3.
hij op of omstreeks 19 september 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk de deuren, ruiten en intercom van de toegangsdeur(en) van de Israëlische ambassade, gelegen aan de Johan de Wittlaan in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Israëlische ambassade, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 2 subsidiair:
voorbereiding van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 26 (ZESENTWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 10 (tien) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij zijn aangewezen reclasseringswerkers van Reclassering Nederland en zich blijft melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De meldplicht heeft tot doel de veroordeelde te kunnen begeleiden bij en controleren op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s, waarbij de privacy van de veroordeelde zoveel mogelijk gerespecteerd zal worden. De veroordeelde moet op een constructieve wijze meewerken aan deze gesprekken en openheid van zaken geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- zich gedurende de proeftijd niet bevindt bij de Israëlische ambassade te [adres 2] , Den Haag , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;
- zijn medewerking verleent aan en een actieve inspanning verricht voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van woonruimte, een legaal inkomen en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding. Indien de reclassering dit nodig acht, zal de veroordeelde hierbij samenwerken met de gemeente waarin hij woont en/of met andere instanties;
- zijn medewerking verleent aan gesprekken over ideologie met een door de reclassering aangewezen deskundige, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af;
wijst het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 t/m 5 genoemde voorwerpen, te weten:
STK Aansteker (Omschrijving: PL1500-2025318538-G3389483, blauw);
1 DS Lucifers (Omschrijving: PL1500-2025318538-G3389484);
1 STK Hamer (Omschrijving: PL1500-2025318538-G3389505);
1 STK Gereedschap (Omschrijving: stootijzer/ijzeren staaf PL1500-2025318538-G3389508);
1 STK Moker (Omschrijving: Nummer op moker: dyn64511000, PL1500-2025318538-G3417897).
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,
mr. R.P. van der Weide, rechter,
mr. A. Vink, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2026.
Bijlage I: bewijsmiddelenoverzicht feit 2 subsidiair
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met BVH-nummer 2025318538, van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-West (doorgenummerd pagina 1 t/m 299).
De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring van feit 2 subsidiair de volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 juni 2026, voor zover inhoudende:
Ik was voornemens om op 19 september 2025 brand te stichten in het gebouw aan de Johan de Wittlaan in Den Haag, waarin de Israëlische ambassade is gevestigd. Ik had daarvoor benzine, een aansteker, lucifers, een hamer en een stootijzer bij me. Ik wilde eerst de toegangsdeur van het gebouw forceren, teneinde het gebouw binnen te komen. Als ik binnen was zou ik benzine rond sprenkelen en die in brand steken.
Het was geen plotseling genomen besluit, ik had er al twee maanden over nagedacht. Gedurende die twee maanden voelde de noodzaak om de feiten te plegen eigenlijk alleen maar dringender en overtuigender.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 september 2025, voor zover inhoudende (p. 93):
P1: Hoe had je verwacht dat het zou lopen?V: Als ik binnen was gekomen dan had ik als eerst een beetje benzine in de hal gegooid hebben en aangestoken, zodat ik niet gevolgd kon worden. Vervolgens zou ik doorlopen naar de ambassade van Israël. Uiteindelijk zou ik daar dan de boel in brand steken.
3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 november 2025, voor zover inhoudende (p. 244, 251):
A: Natuurlijk kan er altijd iemand aanwezig zijn, zoals een conciërge. (…)
V: Was je bereid hiervoor dood te gaan?
A: Ja anders had ik het niet gedaan.
4. Het proces-verbaal van bevindingen op p. 109, voor zover inhoudende:
Op donderdag 25 september 2025 ben ik naar de boodschappenbezorgdienst [bedrijf] gevestigd aan de Johan de Wittlaan 5 te 's-Gravenhage gegaan. Ik wilde weten of de medewerkers van het bedrijf op vrijdag 19 september 2025, omstreeks 19.00 uur, overlast of problemen hadden ervaren.
De manager heeft toen in mijn bijzijn een van de medewerkers opgebeld waarvan hij wist dat hij die vrijdagavond aan het werk was geweest. Deze medewerker vertelde dat hij wel had gezien dat er die vrijdagavond politie bij het pand had gestaan maar verder niets had gezien of gehoord wat er was gebeurd.
Op mijn vraag hoeveel mensen er op vrijdagavond 19 september 2025, omstreeks 19.00 uur, aan het werk waren kon hij mij geen precies antwoord geven. Maar gebruikelijk is dat er 2 à 3 mensen binnen zijn die de boodschappen/orders klaar zetten en minimaal 5 mensen die de boodschappen bezorgen. De bezorgers lopen in en uit om hun te bezorgen boodschappen op te halen. [bedrijf] is dagelijks geopend van 08.00-00.00 uur.
Ik zag dat naast de hoofingang aan de linkerzijde op de begane grond gelijk [bedrijf] is gevestigd.