Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:16868

Op 22 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/247179-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:16868. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/247179-25
Datum uitspraak:
22 June 2026
Datum publicatie:
22 June 2026

Indicatie

De rechtbank Den Haag heeft een 55-jarige man veroordeeld voor vernieling en het voorbereiden van brandstichting in het pand waarin de Israëlische ambassade is gevestigd. De verdachte krijgt een celstraf opgelegd van 26 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/247179-25

Datum uitspraak: 22 juni 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 22 december 2025, 16 maart 2026 (pro forma) en 8 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Noort en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. K.J. Zeegers naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 8 juni 2026 - ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 19 september 2025, te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk geweld heeft gepleegd tegen de beschermde goederen van een internationaal beschermd persoon, waardoor gevaar voor de veiligheid of de vrijheid voor die persoon te duchten was, immers heeft hij, verdachte, met een bijlhamer tegen de intercom en/of met een stootijzer, dan wel een langwerpig ijzeren voorwerp, tegen de ruiten geslagen (van de toegangsdeuren) van een gebouw waarin de Israëlische ambassade gevestigd is, gelegen aan de Johan de Wittlaan;

2.

hij op of omstreeks 19 september 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten en/of een ontploffing teweeg te brengen in/aan een gebouw (waarin de Israëlische ambassade gevestigd is), gelegen aan de Johan de Wittlaan, terwijl daarvan

- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten (delen van) het gebouw te duchten was, en/of,

- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten zich bij de ingang en/of in (de nabijheid van) dat gebouw bevindende personen te duchten was,

door zich met een brandbare en/of brandversnellende vloeistof en/of benzine en/of een aansteker en/of lucifers naar voornoemd gebouw te begeven en/of met een bijlhamer en/of stootijzer de toegangsdeur te openen en/of te forceren om het pand binnen te komen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen

leiden:

hij op of omstreeks 19 september 2025 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk brand te stichten, terwijl daar levensgevaar en/of gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van te duchten is, in/aan een gebouw (waarin de Israëlische ambassade gevestigd is), gelegen aan de Johan de Wittlaan, opzettelijk voorwerpen en/of stoffen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, te weten een brandbare en/of brandversnellende vloeistof en/of benzine en/of een aansteker en/of lucifers en/of een bijlhamer en/of stootijzer om de toegangsdeur te openen en/of te forceren om het pand binnen te komen en daar brand te stichten voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 19 september 2025 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk de deuren, ruiten en intercom van de toegangsdeur(en) van de Israëlische ambassade, gelegen aan de Johan de Wittlaan in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Israëlische ambassade, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 1 ten laste gelegde en bewezenverklaring van het onder feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Ten aanzien van feit 2 primair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken omdat nog geen sprake was van een begin van uitvoering, althans dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’. Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de raadsman eveneens betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onderdeel ‘levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander’. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Vrijspraak feit 1

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal de verdachte van dit feit vrijspreken.

3.4

Vrijspraak feit 2 primair

Onder feit 2 primair is de verdachte ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot brandstichting in een gebouw aan de Johan de Wittlaan, waarin onder meer de ambassade van Israël is gevestigd, terwijl daarvan gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.

Tussen de procespartijen staat niet ter discussie dat de verdachte het voornemen had om brand te stichten in voornoemd gebouw en dat de verdachte de benodigdheden om brand te stichten bij zich had. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank op deze punten tot dezelfde conclusie.

Waar wel discussie over bestaat tussen de procespartijen is de vraag of sprake was van een begin van uitvoering van de brandstichting. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering, wanneer de gedragingen van de verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van het misdrijf.  (Voetnoot 1) De vraag of sprake is van zulke gedragingen laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.

Verder volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad dat de voorbereiding van de brandstichting in een ver gevorderd stadium dient te zijn, voordat van een poging daartoe kan worden gesproken. Zo oordeelde de Hoge Raad in het ‘Hoevense brandstichting-arrest’ dat het opvatten van een plan, het maken van afspraken met medeverdachten, het aanschaffen van benzine en het opslaan van die benzine op de achterplaats van het in brand te steken pand onvoldoende was voor het aannemen van een poging tot brandstichting.  (Voetnoot 2) Er moet méér aan de hand zijn, zoals het langdurig in een woning laten stromen van aardgas (Voetnoot 3) of het verspreiden van een ontvlambare substantie rondom een in brand te steken object.  (Voetnoot 4)

Ook in lagere rechtspraak wordt een strenge toets gehanteerd als het gaat om bewezenverklaring van een poging tot brandstichting. Zo oordeelde de rechtbank Zeeland-West-Brabant dat de verdachte die de benodigde middelen had verzameld om brand te stichten, naar de plek was gereisd waar hij brand wilde stichten en een molotovcocktail in gereedheid had gebracht zich niet schuldig had gemaakt aan een poging tot brandstichting, omdat de verdachte niet daadwerkelijk had geprobeerd open vuur in aanraking te brengen met de molotovcocktail. (Voetnoot 5) De rechtbank Gelderland oordeelde dat de verdachte die zichzelf in een huisartsenpraktijk had overgoten met benzine en bovendien een aansteker vasthield, zich niet schuldig had gemaakt aan een poging tot brandstichting, omdat de verdachte de aansteker nog niet had laten branden. (Voetnoot 6)

In onderhavige zaak volgt uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting dat de verdachte een jerrycan en drie zogenaamde petflesjes heeft gevuld met benzine en vervolgens met die benzine, een aansteker, lucifers, een bijlhamer, een moker en een stootijzer vanuit Dieren naar Den Haag is gefietst. Vervolgens heeft hij met de meegebrachte gereedschappen de toegangsdeur en de ramen van het gebouw aan de Johan de Wittlaan 5 vernield, met de bedoeling het gebouw binnen te komen en daarin brand te stichten. Op het moment dat de verdachte werd aangehouden was hij nog bezig met het vernielen van de ruiten en nog niet binnengedrongen in het gebouw. De flessen met benzine zaten nog dicht in zijn tas en zijn aansteker en lucifers zaten nog in zijn broekzak en jaszak.

De rechtbank overweegt dat op grond van deze feiten en omstandigheden niet kan worden vastgesteld dat de verdachte al een beslissende gedraging op weg naar de brandstichting had verricht op het moment dat hij werd aangehouden. Zijn handelingen waren op dat moment naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet gericht op brandstichting, maar op het binnendringen van het pand. Zijn handelingen kunnen daarom niet worden aangemerkt als een begin van uitvoering van brandstichting. De verdachte zal worden vrijgesproken van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot brandstichting.

3.5

Bewezenverklaring feit 2 subsidiair

Onder feit 2 subsidiair is de verdachte het treffen van voorbereidingshandelingen voor brandstichting ten laste gelegd.

Naar aanleiding van het dossier en hetgeen ter zitting aan de orde is gekomen stelt de rechtbank vast dat de verdachte het voornemen had om brand te stichten in het pand aan de Johan de Wittlaan 5 in Den Haag en dat de verdachte de benodigdheden om brand te stichten bij zich had.

Vervolgens is de vraag aan de orde of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was van de voorgenomen brandstichting en of de verdachte opzet had op levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Om aan te nemen dat sprake was van te duchten levensgevaar voor personen is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. (Voetnoot 7)

Uit de bewijsmiddelen volgt dat boodschappenbezorgdienst ‘ [bedrijf] ’ op de begane grond van het pand aan de Johan de Wittlaan 5 is gevestigd en dat dit bedrijf dagelijks van 08:00 tot 00:00 uur open is. Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat het gebruikelijk is dat er twee à drie medewerkers in het pand aanwezig zijn om orders klaar te zetten en minimaal vijf mensen werkzaam zijn om de boodschappen te bezorgen. De bezorgers lopen het pand in en uit om de boodschappen op te halen.

Op grond van deze bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar was dat er mensen in het pand aan de Johan de Wittlaan 5 aanwezig zouden zijn, op het moment dat de verdachte voorbereidingen aan het treffen was om in dat pand brand te stichten.

De verdachte heeft verklaard dat hij direct na binnenkomst in het pand al brand wilde stichten. Gelet op deze verklaring, de locatie van de bezorgdienst - direct naast de hoofdingang - en de omstandigheid dat alleen al door rookontwikkeling levensgevaar voor anderen kan ontstaan, acht de rechtbank de kans dat levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel was ontstaan als er brand was uitgebroken aanmerkelijk. Dat de verdachte deze kans bewust heeft aanvaard volgt daaruit, dat de verdachte heeft verklaard dat hij zich ervan bewust was dat er mensen in het pand aanwezig hadden kunnen zijn en dat hij desondanks zijn handelen heeft voortgezet.

Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde.

3.6

Bewezenverklaring feit 3

De rechtbank zal voor feit 3 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met BVH-nummer 2025318538, van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-West (doorgenummerd pagina 1 t/m 299).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 juni 2026;

2. Het proces-verbaal van bevindingen op p. 9 t/m 11;

3. Het proces-verbaal van aangifte op p. 107 en 108.

3.7

De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

2 subsidiair

hij op 19 september 2025 te ’s-Gravenhage ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk brand stichten, terwijl daar levensgevaar en gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van te duchten is, in een gebouw waarin de Israëlische ambassade gevestigd is, gelegen aan de Johan de Wittlaan, opzettelijk voorwerpen en stoffen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, te weten benzine en een aansteker en lucifers en een bijlhamer en stootijzer om de toegangsdeur te openen of te forceren om het pand binnen te komen en daar brand te stichten voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 19 september 2025 te ’s-Gravenhage opzettelijk en wederrechtelijk de deuren, ruiten en intercom van de toegangsdeuren van de Israëlische ambassade, gelegen aan de Johan de Wittlaan, die aan een ander toebehoorden heeft vernield.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging onder meer rekening te houden met de omstandigheid dat het handelen van de verdachte voortkwam uit frustratie over de situatie in Gaza en de houding van de Nederlandse regering daaromtrent en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft de rechtbank verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter hoogte van het voorarrest en de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen, althans te schorsen.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich op 19 september 2025 schuldig gemaakt aan vernieling en voorbereiding van brandstichting in het pand waarin zich de Israëlische ambassade bevindt.

De verdachte is met meerdere flessen benzine en ontstekers vanuit zijn woonplaats Dieren naar het betreffende pand in Den Haag gegaan en heeft daar geprobeerd het pand binnen te dringen door met een hamer en een stootijzer de deuren en ruiten te vernielen. Als het hem gelukt was om het pand binnen te komen was hij voornemens om direct bij binnenkomst brand te stichten, daarna door te lopen naar de Israëlische ambassade en daar ook brand te stichten. Dat het niet zover is gekomen, is te danken aan het optreden door de politie.

Brandstichting behoort tot één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent, omdat als gevolg van dit delict onbeheersbare en gevaarzettende situaties voor personen en/of goederen kunnen ontstaan. In dit geval is gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten geweest. De verdachte was zich ervan bewust dat er mensen in het pand aanwezig hadden kunnen zijn, maar dit heeft hem niet van zijn voornemen weerhouden. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Ook rekent de rechtbank de verdachte aan dat hij met zijn handelen angst en onrust heeft veroorzaakt in de samenleving.

Over zijn motief voor het plegen van de feiten heeft de verdachte verklaard dat hij een boodschap wilde overbrengen aan de Nederlandse regering, de Nederlandse samenleving en Israël. Hij heeft verklaard dat hij zijn daad gerechtvaardigd vindt vanwege de houding van de Nederlandse regering in het Israël-Gazaconflict, dat hij een morele verplichting en verantwoordelijkheid voelde om iets te doen en dat hij geen spijt heeft van zijn handelen. Ook heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de rechtsorde bewust heeft willen schokken en heeft hij bij de politie verklaard dat hij bereid was om te sterven bij het uitvoeren van zijn actie. Daaruit blijkt (nog immer) de volharding van de verdachte in zijn daden. De rechtbank benadrukt dat onvrede over een politiek standpunt of politieke beslissing geen rechtvaardiging is voor het plegen van strafbare feiten en dat het toepassen van geweld niet de juiste manier is om die onvrede te uiten.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn strafblad van 11 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia-rapport dat op 14 mei 2026 door GZ-psycholoog T. ‘t Hoen en forensisch milieuonderzoeker W. de Kruijf is opgesteld. Deze deskundigen komen tot de conclusie dat de verdachte niet lijdt aan een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening en dat ook ten tijde van het plegen van de feiten geen sprake was van een psychische stoornis. De deskundigen schatten het risico op herhaling van vergelijkbaar delictgedrag in als laag tot hooguit matig. Het risico op recidive van gewelddadig (extremistisch) gedrag schatten zij in als laag. Gezien de afwezigheid van pathologie en het lage recidiverisico adviseren zij niet tot een behandeling in een strafrechtelijk kader.

Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies dat de reclassering op 26 mei 2026 heeft opgesteld. De reclassering heeft opgeschreven dat bij de verdachte geen sprake lijkt te zijn van een links-extremistische ideologie of antisemitisch gedachtegoed, maar wel van ‘single-issue extremisme’, waarbij hij geweld is gaan zien als de enige oplossing om de politieke besluitvorming omtrent de situatie in Gaza te beïnvloeden. De reclassering acht de kans op extremistisch geweld hoog, mede omdat de verdachte geen afstand neemt van het door hem gebruikte extremistische geweld, hij zijn actie zelfstandig heeft uitgevoerd zonder zijn omgeving in te lichten, hij zijn actie zorgvuldig heeft uitgedacht en de situatie in Gaza tot op heden onveranderd is. De reclassering acht het belangrijk om in te zetten op (financiële) stabiliteit en zingeving bij de verdachte. Zij adviseert de rechtbank daarom de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, het meewerken aan een gemeentelijk traject gericht op dagbesteding, financiën en huisvesting, een locatieverbod ten aanzien van de Israëlische ambassade in Den Haag en het meewerken aan gesprekken met een ideologisch deskundige. Gelet op het hoge recidiverisico adviseert de reclassering de rechtbank de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De rechtbank herkent het beeld dat de reclassering heeft geschetst over de verdachte. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting maakt de verdachte op de rechtbank de indruk van een man die zichzelf buiten de rechtsorde plaatst en niet in staat is te reflecteren op het laakbare van zijn handelen. De verdachte heeft lang - meer dan twee maanden en een fietstocht van 140 kilometer van Dieren naar Den Haag - over het plegen van de feiten nagedacht en heeft er ondanks de risico’s niet van afgezien. Sterker, ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat de noodzaak om de feiten te plegen gedurende die twee maanden alleen maar dringender en overtuigender voelde. Deze omstandigheden baren de rechtbank zorgen voor de toekomst en maken dat de rechtbank de reclassering zal volgen in haar conclusie dat het risico op recidive hoog is.

Gelet op de ernst en de gevaarzettende aard van feit 2 subsidiair en de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Omdat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van feit 2 primair zal het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf relatief groter zijn dan de officier van justitie heeft gevorderd. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen en gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op het hoge recidiverisico en de omstandigheden dat de verdachte zijn handelen gerechtvaardigd vindt is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Gelet op deze beslissing zal de rechtbank de verzoeken om opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

7
De inbeslaggenomen voorwerpen
7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over de inbeslaggenomen voorwerpen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen de onder 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

8
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen (bijkomende) straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 46, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9
De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.7 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

voorbereiding van opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

ten aanzien van feit 3:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 26 (ZESENTWINTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 10 (tien) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij zijn aangewezen reclasseringswerkers van Reclassering Nederland en zich blijft melden zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht. Hieronder valt ook het meewerken aan huisbezoeken. De meldplicht heeft tot doel de veroordeelde te kunnen begeleiden bij en controleren op de naleving van de opgelegde bijzondere voorwaarden. De reclassering bepaalt welke gespreksonderwerpen van belang zijn om een inschatting te kunnen maken van de recidive- en veiligheidsrisico’s, waarbij de privacy van de veroordeelde zoveel mogelijk gerespecteerd zal worden. De veroordeelde moet op een constructieve wijze meewerken aan deze gesprekken en openheid van zaken geven over de door de reclassering bepaalde gespreksonderwerpen, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd niet bevindt bij de Israëlische ambassade te [adres 2] , Den Haag , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig acht;

- zijn medewerking verleent aan en een actieve inspanning verricht voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van woonruimte, een legaal inkomen en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding. Indien de reclassering dit nodig acht, zal de veroordeelde hierbij samenwerken met de gemeente waarin hij woont en/of met andere instanties;

- zijn medewerking verleent aan gesprekken over ideologie met een door de reclassering aangewezen deskundige, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis af;

wijst het verzoek tot schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis af;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 t/m 5 genoemde voorwerpen, te weten:

STK Aansteker (Omschrijving: PL1500-2025318538-G3389483, blauw);

1 DS Lucifers (Omschrijving: PL1500-2025318538-G3389484);

1 STK Hamer (Omschrijving: PL1500-2025318538-G3389505);

1 STK Gereedschap (Omschrijving: stootijzer/ijzeren staaf PL1500-2025318538-G3389508);

1 STK Moker (Omschrijving: Nummer op moker: dyn64511000, PL1500-2025318538-G3417897).

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,

mr. R.P. van der Weide, rechter,

mr. A. Vink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2026.

Bijlage I: bewijsmiddelenoverzicht feit 2 subsidiair

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met BVH-nummer 2025318538, van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche Den Haag-West (doorgenummerd pagina 1 t/m 299).

De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring van feit 2 subsidiair de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 8 juni 2026, voor zover inhoudende:

Ik was voornemens om op 19 september 2025 brand te stichten in het gebouw aan de Johan de Wittlaan in Den Haag, waarin de Israëlische ambassade is gevestigd. Ik had daarvoor benzine, een aansteker, lucifers, een hamer en een stootijzer bij me. Ik wilde eerst de toegangsdeur van het gebouw forceren, teneinde het gebouw binnen te komen. Als ik binnen was zou ik benzine rond sprenkelen en die in brand steken.

Het was geen plotseling genomen besluit, ik had er al twee maanden over nagedacht. Gedurende die twee maanden voelde de noodzaak om de feiten te plegen eigenlijk alleen maar dringender en overtuigender.

2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 20 september 2025, voor zover inhoudende (p. 93):

P1: Hoe had je verwacht dat het zou lopen?V: Als ik binnen was gekomen dan had ik als eerst een beetje benzine in de hal gegooid hebben en aangestoken, zodat ik niet gevolgd kon worden. Vervolgens zou ik doorlopen naar de ambassade van Israël. Uiteindelijk zou ik daar dan de boel in brand steken.

3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 13 november 2025, voor zover inhoudende (p. 244, 251):

A: Natuurlijk kan er altijd iemand aanwezig zijn, zoals een conciërge. (…)

V: Was je bereid hiervoor dood te gaan?

A: Ja anders had ik het niet gedaan.

4. Het proces-verbaal van bevindingen op p. 109, voor zover inhoudende:

Op donderdag 25 september 2025 ben ik naar de boodschappenbezorgdienst [bedrijf] gevestigd aan de Johan de Wittlaan 5 te 's-Gravenhage gegaan. Ik wilde weten of de medewerkers van het bedrijf op vrijdag 19 september 2025, omstreeks 19.00 uur, overlast of problemen hadden ervaren.

De manager heeft toen in mijn bijzijn een van de medewerkers opgebeld waarvan hij wist dat hij die vrijdagavond aan het werk was geweest. Deze medewerker vertelde dat hij wel had gezien dat er die vrijdagavond politie bij het pand had gestaan maar verder niets had gezien of gehoord wat er was gebeurd.

Op mijn vraag hoeveel mensen er op vrijdagavond 19 september 2025, omstreeks 19.00 uur, aan het werk waren kon hij mij geen precies antwoord geven. Maar gebruikelijk is dat er 2 à 3 mensen binnen zijn die de boodschappen/orders klaar zetten en minimaal 5 mensen die de boodschappen bezorgen. De bezorgers lopen in en uit om hun te bezorgen boodschappen op te halen. [bedrijf] is dagelijks geopend van 08.00-00.00 uur.

Ik zag dat naast de hoofingang aan de linkerzijde op de begane grond gelijk [bedrijf] is gevestigd.

Voetnoot

Voetnoot 1

o.a. HR 24 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6373.

Voetnoot 2

HR 24 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9006.

Voetnoot 3

HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6709.

Voetnoot 4

HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:762.

Voetnoot 5

Rb Zeeland-West-Brabant 22 november 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:8028.

Voetnoot 6

Rb Gelderland 20 november 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:4803.

Voetnoot 7

O.a. HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG1653.