1
Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.J. Huisman, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.J.M. Laurier, naar voren is gebracht.
De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafgeding gevoegd:
- [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4], wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders, allen bijgestaan door mr. S.C. van Bunnik, advocaat.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen, de toelichting daarop op de terechtzitting en van het spreekrecht dat is uitgeoefend.
8
De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partijen hebben zich de hieronder genoemde personen in het strafproces gevoegd. De benadeelde partijen verzoeken tot hoofdelijke toewijzing van de onderstaande vorderingen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde 1] (vader van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, bestaande uit affectieschade.
De benadeelde partij [benadeelde 2] (moeder van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 42.483,84. Dit bedrag bestaat ter hoogte van € 7.483,84, uit materiële schade, welke verband houdt met gemaakte lijkkosten van € 7.383,84 en parkeerkosten van € 100,-. Voor het overige bestaat het gevorderde schadebedrag uit immateriële schade. De immateriële schade houdt verband met € 20.000,- aan affectieschade en € 15.000,- aan schokschade.
De benadeelde partij [benadeelde 3] (broertje van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, bestaande uit affectieschade.
De benadeelde partij [benadeelde 4] (zusje van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, bestaande uit affectieschade.
8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk dienen te worden toegewezen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de namens [benadeelde 2] gevorderde vergoeding van schokschade dient te worden afgewezen.
De verdediging heeft ten aanzien van het overige geen verweer gevoerd.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
8.3.1.
Benadeelde partij [benadeelde 1]
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij tot de kring van gerechtigden behoort die volgens artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak kunnen maken op de vergoeding van affectieschade.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, namelijk ander nadeel dan vermogensschade (affectieschade), door het bewezen verklaarde feit. De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de medeverdachte een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1].
8.3.2.
Benadeelde partij [benadeelde 2]
De materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de lijk-, parkeer- en reiskosten, is door of namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het door de benadeelde partij gevorderde bedrag. De rechtbank zal daarom het in dit verband gevorderde deel van de vordering toewijzen.
De schokschade
De benadeelde partij heeft daarnaast € 15.000,- aan shockschade gevorderd.
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.
Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. (Vgl. ECLI:NL:HR:2022:958).
De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld of sprake is van een causaal verband tussen de (directe) confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit en het ontstane geestelijk letsel (PTSS). Het dossier bevat weliswaar een door de huisarts opgestelde “probleemlijst”, maar daaruit blijkt niet dat de huisarts, of een ander ter zake deskundige, PTSS als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft vastgesteld. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Dit deel van de vordering zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat de benadeelde partij zich hiervoor met een nadere onderbouwing kan wenden tot de burgerlijke rechter.
De affectieschade
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij tot de kring van gerechtigden behoort die volgens artikel 6:108, vierde lid, BW aanspraak kunnen maken op de vergoeding van affectieschade.
Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, namelijk ander nadeel dan vermogensschade (‘affectieschade’), door het bewezen verklaarde feit. De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 27.483,84 bestaande uit € 7.483,84 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiele schade toewijzen met ingang van 18 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.483,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2].
8.3.3.
De benadeelde partijen [benadeelde 3] & [benadeelde 4]
De benadeelde partijen, (broer) [benadeelde 3] en (zusje) [benadeelde 4], wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders, hebben beiden op grond van de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 6:108, vierde 4, onder g, BW, een vergoeding van affectieschade gevorderd ter hoogte van € 17.500,-.
Het vorderen van affectieschade is mede mogelijk voor een beperkte kring van gerechtigden. Het betreft dan partners en kinderen van het slachtoffer, alsmede gevallen waarin sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen het geval zal zijn of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt groot gebracht.
Verder is in artikel 6:108, vierde lid, sub g BW een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die in uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. Als voorbeeld in de Memorie van Toelichting wordt gegeven broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Broers en zussen zijn dus in principe door de wetgever van de regeling tot vergoeding van affectieschade uitgesloten, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals in voornoemd voorbeeld beschreven.
Naar het oordeel van de rechtbank is namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals hierboven beschreven. Het gegeven dat [benadeelde 1] (vader van het slachtoffer) veelal werkt in het buitenland, doet aan dat oordeel niet af omdat daarmee niet zonder meer aan de maatstaf van zeer uitzonderlijke omstandigheden is voldaan.
Aan de benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vorderingen, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen kunnen deze vorderingen daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.3 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken/het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 16 (ZESTIEN) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen een bedrag van € 20.000,-, aan: [benadeelde 1];
vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van: [benadeelde 1];
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij grotendeels en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen een bedrag van € 27.483,84, aan: [benadeelde 2];
vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.483,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van: [benadeelde 2];
bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 150 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,
mr. J.R.K.A.M Waasdorp, rechter,
mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten , griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2026.