Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:16894

Op 22 June 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/224672-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:16894. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/224672-25
Datum uitspraak:
22 June 2026
Datum publicatie:
22 June 2026

Indicatie

Veroordeling voor medeplegen gekwalificeerde doodslag. Gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren met aftrek van het voorarrest. Vorderingen benadeelde partij t.a.v. de shockschade wordt niet ontvankelijk verklaard. Vorderingen affectieschade van broer en zus worden niet ontvankelijk verklaard. Vorderingen tot affectieschade voor ouders worden toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/224672-25

Datum uitspraak: 22 juni 2025

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats].

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. E.J. Huisman, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.J.M. Laurier, naar voren is gebracht.

De volgende benadeelde partijen hebben zich in het strafgeding gevoegd:

- [benadeelde 1], [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4], wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders, allen bijgestaan door mr. S.C. van Bunnik, advocaat.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen, de toelichting daarop op de terechtzitting en van het spreekrecht dat is uitgeoefend.

2
Inleiding

Op vrijdagavond 18 april 2025, even voor 20.00 uur, ontving de politie een melding van een schietincident aan de [straatnaam 1] in Den Haag waarbij een man gewond zou zijn geraakt. Het slachtoffer bleek [slachtoffer] te zijn. Hij had meerdere schotwonden en is later in het Westeinde ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden. [slachtoffer] is slechts 21 jaar oud geworden. Na onderzoek van de politie kwamen twee personen als verdachten van het schietincident in beeld. Een van deze personen was de verdachte.

3
De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 april 2025 te 's-Gravenhage en/of Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet met eenvuurwapen een (aantal) kogel(s) in/door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten,ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld (in vereniging), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Beslissing

4
De bewijsbeslissing
4.1.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor het ten laste gelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025127699, onderzoeksnummer: DHRAB25002 / TGO_BRAVO25, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 955).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 8 juni 2026:

U, voorzitter, zegt mij dat ik bij de rechter-commissaris heb verklaard dat ik op 18 april 2025 in Den Haag de schutter was die [slachtoffer] meerdere keren heeft beschoten en dat ik met de medeverdachte een plan had om het slachtoffer te beroven van zijn cocaïne. U vraagt mij of dit klopt. Ja, dat klopt. Het klopt dat de medeverdachte [medeverdachte] mij had benaderd voor de cocaïne, maar dat was niet om het te kopen. Het plan was om de cocaïne te stelen van [slachtoffer]. Het was nooit de intentie om het te kopen. Ik heb ook nooit geld meegenomen naar de afspraak met [slachtoffer].

U vraagt mij of wij, de medeverdachte [medeverdachte] en ik, hadden afgesproken om een vuurwapen mee te nemen. Ja. Het vuurwapen lag in de auto. Wij gingen ervan uit, als wij de cocaïne hadden gestolen, dat hij ons dan zou wegtippen bij de politie. Bij een ripdeal kun je geen aangifte doen namelijk. Ik heb mij voor de afspraak met [slachtoffer] omgekleed, omdat ik niet herkend wilde worden. Als ik netjes de cocaïne zou gaan betalen, dan zou ik niet speciaal daarvoor van outfit veranderen.

U vraagt mij of ik mij heb omgekleed vanwege de ripdeal. Ja.

U vraagt mij waarom en wanneer de fatbike is klaargezet. Dat was even voor de afspraak met [slachtoffer] en die is daar neergezet voor de vluchtroute.

U vraagt mij waarom ik vlak voor de afspraak met [slachtoffer] uit de auto van de medeverdachte [medeverdachte] was gestapt en waarom ik vervolgens naar de bosjes toe liep. Dat hadden wij afgesproken. Ik ben uit de auto van [medeverdachte] gestapt en ben toen achter een boom gaan staan. Ik had vanuit deze plek zicht op de auto van [medeverdachte], waarbij [slachtoffer] zou instappen. Ik had al een bivakmuts op gedaan. Ik ben toen versneld richting de auto gerend. Het was de bedoeling om het wapen te laten zien, zodat [slachtoffer] de cocaïne zou achterlaten. Ik zou dan weer de auto instappen. Ik rende achter [slachtoffer] met het wapen. Ik wilde de cocaïne. Tijdens de schermutseling tussen [slachtoffer] en mij voor [horecagelegenheid] had ik het wapen vast en is het meerdere keren afgegaan.

2. Een schriftelijk bescheid, te weten het definitief deskundigenrapport forensische pathologie van eurofins TMFI, opgemaakt op 22 april 2025, in zijn geheel (p. 235-242).

4.2.

Conclusie

De rechtbank stelt op grond van de feiten en omstandigheden als vervat in de bewijsmiddelen vast dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.3.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 18 april 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een vuurwapen een aantal kogels in/door het lichaam van die [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten een diefstal met geweld in vereniging, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken en het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

5
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7
De strafoplegging
7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de proceshouding van de verdachte, namelijk het feit dat hij openheid van zaken heeft gegeven, een gevangenisstraf van maximaal twaalf jaren als uitgangspunt genomen dient te worden.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

Op 18 april 2025 heeft de verdachte, bij een ripdeal, de 21-jarige [slachtoffer] van het leven beroofd door meerdere keren met een vuurwapen op hem te schieten. De medeverdachte had met [slachtoffer] een koopafspraak gemaakt voor een kilogram cocaine. De verdachte en de medeverdachte waren echter van plan om [slachtoffer] van drugs te beroven en hiervoor niet te betalen.

De verdachte is door de medeverdachte enkele uren voor de bewuste afspraak opgehaald met een auto. Zij hebben de kentekenplaten van de auto verwisseld en een fatbike klaargezet voor de vlucht. Vervolgens zijn zij richting de [straatnaam 2] in Rijswijk gereden, alwaar de afspraak zou plaatsvinden. Kort voor en in de buurt van de ontmoetingsplek met [slachtoffer] is de verdachte uit de auto gestapt om zich een stukje verderop achter een boom te verschuilen met daarbij zicht op de bewuste ontmoetingsplek. Op het moment dat [slachtoffer] bij de medeverdachte instapte, is hij met een bivakmuts op overgestoken en naar de auto toegerend. De verdachte is met een getrokken vuurwapen op [slachtoffer] afgegaan om hem van de cocaïne te beroven. Tussen de verdachte en [slachtoffer] is een schermutseling ontstaan. Daarbij is door de verdachte een eerste schot afgevuurd. [slachtoffer] is rennend weggevlucht over de [straatnaam 3]. De verdachten zijn hierop samen in de auto en met hoge snelheid achter hem aan gereden waarbij [slachtoffer] bijna is aangereden. De auto is nabij [slachtoffer] tot stilstand gebracht, waarop de verdachte is uitgestapt en met een vuurwapen in zijn hand achter hem is aangerend.

Tijdens de achtervolging is [slachtoffer] ten val gekomen, waarna opnieuw een schermutseling tussen hem en de verdachte plaatsvond. De verdachte heeft hierbij viermaal een schot met het vuurwapen afgevuurd. Als gevolg daarvan is [slachtoffer] levensbedreigend gewond geraakt. De verdachte heeft het blok cocaïne gepakt en is vervolgens met de medeverdachte met hoge snelheid weggereden. Het slachtoffer is in zeer kritieke toestand achtergelaten en is kort daarna in het ziekenhuis overleden.

De verdachte is afgezet nabij de van tevoren klaargezette fatbike. Met deze fatbike is de verdachte verder op de vlucht gegaan. De verdachte heeft hierna een vriend gebeld, aan wie hij even later een zwarte rugtas heeft overhandigd met daarin het vuurwapen en de buit gemaakte cocaïne.

De verdachte en de medeverdachte zijn doelgericht en georganiseerd te werk gegaan. Het gemeenschappelijk doel hierbij was om één kilogram cocaïne te beroven van [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft de verzilvering van dat doel met zijn leven moeten bekopen. De verdachte heeft daarbij enkel aan zijn eigen geldelijke gewin gedacht en [slachtoffer] zijn meest fundamentele bezit, het leven, ontnomen.

Dit strafbare feit behoort dan ook tot één van de zwaarste delicten die de Nederlandse strafwetgeving kent. Daar komt bij dat dit heeft plaatsgevonden op klaarlichte dag in een woonomgeving waarbij toevallige voorbijgangers en aanwezigen getuigen waren van het schietincident. Dit leidt dan ook zonder meer tot een ernstig geschokte samenleving. Dat de rechtbank dit feit de verdachte zwaar aanrekent, behoeft dan ook geen betoog.

De dood van [slachtoffer] laat diepe sporen na in het leven van de nabestaanden, alsook in die van anderen in zijn nabijheid. Uit het op de terechtzitting uitgeoefende spreekrecht blijkt sterk de impact voor de nabestaanden. De ouders van [slachtoffer] zullen hun zoon moeten blijven missen. Hen is het geluk ontnomen om de ontplooiing van zijn verdere leven mee te maken. Ook het minderjarig zusje van [slachtoffer] heeft moedig verwoord welk leed en verdriet haar door de verdachte is aangedaan. Voor haar en haar broer geldt eveneens dat hen de kans is ontnomen in hun verdere leven met [slachtoffer] herinneringen te maken.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 mei 2026. Daaruit blijkt onder meer dat de verdachte is veroordeeld in verband met opiumwetfeiten, waarbij ook aan hem een gevangenisstraf is opgelegd. Voorts blijkt daaruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

PJ-rapportages

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van een dubbel Pro-Justitia rapportage, waarin psychiater A.C. Hoek en gezondheidszorgpsycholoog H. Baas, respectievelijk op 11 februari 2026 en 9 februari 2026, over de verdachte hebben gerapporteerd. Uit het rapport van A.C. Hoek blijkt dat bij de verdachte geen ziekelijke stoornis van de geestvermogen is vastgesteld. Evenmin zijn aspecten naar voren gekomen die zijn keuzevrijheid

hebben beperkt. Wel zijn bij de verdachte aanwijzingen voor antisociale persoonlijkheidskenmerken, waarbij hij impulsief gedrag kan vertonen. Als beschermende factor is naar voren gekomen dat de verdachte op sociaal maatschappelijk gebied weinig problemen lijkt te hebben in het functioneren. Volgens de rapporteur is er geen aanleiding om het gepleegde feit in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Vanuit gedragsdeskundige oogpunt is dan ook geen zorg- of behandeltraject geadviseerd. Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt als matig ingeschat.

Uit het rapport van H. Baas blijkt eveneens dat bij de verdachte geen stoornis vastgesteld kan worden. Wel is volgens de rapporteur sprake van trekken van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, die ook aanwezig waren op het moment van het gepleegde feit. Mogelijk is bij de verdachte sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, maar het onderzoek bevat onvoldoende aanwijzingen om dit duidelijk vast te kunnen stellen. De rapporteur is van mening dat geen sprake is van een doorwerking van de antisociale trekken in de uitvoering van het gepleegde feit. Geadviseerd wordt dan ook om dit volledig aan de verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico op gewelddadig gedrag wordt op matig ingeschat en het risico op acuut dreigend geweld op laag. Verder blijkt uit het rapport dat uit gedragsdeskundig oogpunt geen gedragsdeskundige interventie worden geadviseerd.

De straf

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet de ernst van het feit, niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een zeer langdurige vrijheidsbenemende gevangenisstraf. Het belang daarvan dient in het bijzonder ter vergelding voor het toegebrachte leed aan de nabestaanden en vormt daarnaast een waarschuwing aan de samenleving ter voorkoming van een dergelijk ernstig delict. De rechtbank acht, alles afwegend, een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

8
De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partijen hebben zich de hieronder genoemde personen in het strafproces gevoegd. De benadeelde partijen verzoeken tot hoofdelijke toewijzing van de onderstaande vorderingen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [benadeelde 1] (vader van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 20.000,-, bestaande uit affectieschade.

De benadeelde partij [benadeelde 2] (moeder van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 42.483,84. Dit bedrag bestaat ter hoogte van € 7.483,84, uit materiële schade, welke verband houdt met gemaakte lijkkosten van € 7.383,84 en parkeerkosten van € 100,-. Voor het overige bestaat het gevorderde schadebedrag uit immateriële schade. De immateriële schade houdt verband met € 20.000,- aan affectieschade en € 15.000,- aan schokschade.

De benadeelde partij [benadeelde 3] (broertje van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, bestaande uit affectieschade.

De benadeelde partij [benadeelde 4] (zusje van het slachtoffer) vordert een schadevergoeding van € 17.500,-, bestaande uit affectieschade.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk dienen te worden toegewezen, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de namens [benadeelde 2] gevorderde vergoeding van schokschade dient te worden afgewezen.

De verdediging heeft ten aanzien van het overige geen verweer gevoerd.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

8.3.1.

Benadeelde partij [benadeelde 1]

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij tot de kring van gerechtigden behoort die volgens artikel 6:108, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak kunnen maken op de vergoeding van affectieschade.

Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, namelijk ander nadeel dan vermogensschade (affectieschade), door het bewezen verklaarde feit. De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de medeverdachte een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1].

8.3.2.

Benadeelde partij [benadeelde 2]

De materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de lijk-, parkeer- en reiskosten, is door of namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van het door de benadeelde partij gevorderde bedrag. De rechtbank zal daarom het in dit verband gevorderde deel van de vordering toewijzen.

De schokschade

De benadeelde partij heeft daarnaast € 15.000,- aan shockschade gevorderd.

Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.

Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. (Vgl. ECLI:NL:HR:2022:958).

De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld of sprake is van een causaal verband tussen de (directe) confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit en het ontstane geestelijk letsel (PTSS). Het dossier bevat weliswaar een door de huisarts opgestelde “probleemlijst”, maar daaruit blijkt niet dat de huisarts, of een ander ter zake deskundige, PTSS als gevolg van het bewezen verklaarde feit heeft vastgesteld. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Dit deel van de vordering zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard, zodat de benadeelde partij zich hiervoor met een nadere onderbouwing kan wenden tot de burgerlijke rechter.

De affectieschade

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij tot de kring van gerechtigden behoort die volgens artikel 6:108, vierde lid, BW aanspraak kunnen maken op de vergoeding van affectieschade.

Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, namelijk ander nadeel dan vermogensschade (‘affectieschade’), door het bewezen verklaarde feit. De vordering is namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 27.483,84 bestaande uit € 7.483,84 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente ten aanzien van de materiele schade toewijzen met ingang van 18 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.483,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 2].

8.3.3.

De benadeelde partijen [benadeelde 3] & [benadeelde 4]

De benadeelde partijen, (broer) [benadeelde 3] en (zusje) [benadeelde 4], wettelijk vertegenwoordigd door haar ouders, hebben beiden op grond van de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 6:108, vierde 4, onder g, BW, een vergoeding van affectieschade gevorderd ter hoogte van € 17.500,-.

Het vorderen van affectieschade is mede mogelijk voor een beperkte kring van gerechtigden. Het betreft dan partners en kinderen van het slachtoffer, alsmede gevallen waarin sprake is van een duurzame zorgrelatie in gezinsverband, zoals bij pleegkinderen het geval zal zijn of bij het kleinkind dat door een grootouder wordt groot gebracht.

Verder is in artikel 6:108, vierde lid, sub g BW een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die in uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan een persoon die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoort. Als voorbeeld in de Memorie van Toelichting wordt gegeven broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. Broers en zussen zijn dus in principe door de wetgever van de regeling tot vergoeding van affectieschade uitgesloten, tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals in voornoemd voorbeeld beschreven.

Naar het oordeel van de rechtbank is namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd dat sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden zoals hierboven beschreven. Het gegeven dat [benadeelde 1] (vader van het slachtoffer) veelal werkt in het buitenland, doet aan dat oordeel niet af omdat daarmee niet zonder meer aan de maatstaf van zeer uitzonderlijke omstandigheden is voldaan.

Aan de benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vorderingen, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De vorderingen van de benadeelde partijen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partijen kunnen deze vorderingen daarom slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.

9
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 63 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10
De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 4.3 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken/het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 16 (ZESTIEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen een bedrag van € 20.000,-, aan: [benadeelde 1];

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 20.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van: [benadeelde 1];

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 125 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij grotendeels en hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om te betalen een bedrag van € 27.483,84, aan: [benadeelde 2];

vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 27.483,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van: [benadeelde 2];

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 150 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.M. Zandbergen, voorzitter,

mr. J.R.K.A.M Waasdorp, rechter,

mr. A. Tsjapanova, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten , griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2026.