Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:18604

Op 7 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/230926-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:18604. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/230926-25
Datum uitspraak:
7 July 2026
Datum publicatie:
7 July 2026

Indicatie

Bewezenverklaring van het plegen van ontucht met vier minderjarige meisjes beneden de zestien jaar, aanranding van drie minderjarige meisjes beneden de twaalf jaar, het heimelijk filmen van achttien minderjarige meisjes, het bezitten, verspreiden en vervaardigen van kinderpornografisch materiaal, het bezit van vier kindersekspoppen en het aanwezig hebben van GHB. De verdachte heeft gedurende een periode van ruim 5,5 jaar minderjarige meisjes op de basisschool waar hij werkzaam was heimelijk gefilmd. Daarbij heeft hij in een aantal gevallen ook hun (intieme) lichaamsdelen aangeraakt. Hij heeft op deze wijze kinderpornografisch beeldmateriaal vervaardigd en dit materiaal in drie gevallen ook verspreid. Verminderde toerekeningsvatbaarheid. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, tbs met dwangverpleging en een beroepsverbod voor de duur van tien jaren. Meerdere vorderingen benadeelde partij.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/230926-25

Datum uitspraak: 7 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1968 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd.

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 23 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.A. Breetveld naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding en de op de terechtzitting van 23 juni 2026 toegelaten vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Kort samengevat is het verwijt dat de verdachte zich over een periode van meerdere jaren schuldig heeft gemaakt aan het heimelijk filmen en vervaardigen, bezitten en in sommige gevallen ook verspreiden van kinderpornografisch materiaal van achttien minderjarige meisjes op de basisschool waar hij als conciërge werkzaam was, het plegen van ontuchtige handelingen met vier van die meisjes en de aanranding van drie van die meisjes. Daarnaast is het verwijt dat de verdachte een zeer grote hoeveelheid ander kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad en heeft verspreid. Tot slot wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij meerdere kindersekspoppen in bezit heeft gehad en dat hij een hoeveelheid GHB aanwezig heeft gehad.

3
De geldigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 1
3.1.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 partieel nietig is, nu daarin niet per verweten handeling is gespecificeerd of deze onder de oude of de nieuwe wetgeving van het Wetboek van Strafrecht (Sr) valt. Het onderscheid tussen het begrip ‘ontuchtige handelingen’ in artikel 247 Sr (oud) en het begrip ‘seksuele handelingen’ in artikel 249 Sr (nieuw) is volgens de verdediging materieel relevant, zodat de keuze voor het toepasselijk recht niet als een louter technische kwestie kan worden afgedaan.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging voldoende duidelijk is en dat het verweer daarom moet worden verworpen.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet de dagvaarding een opgave inhouden van de ten laste gelegde feiten, met vermelding van de tijd en plaats waar de feiten zijn begaan en de wettelijke voorschriften waarbij de feiten strafbaar zijn gesteld. Die opgave mag niet innerlijk tegenstrijdig zijn en moet voldoende feitelijk en duidelijk zijn, in die zin dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen en duidelijk is wat de rechtbank precies moet onderzoeken.

In de tenlastelegging is per verweten gedraging aangegeven of de bewuste gedraging onder het oude dan wel onder het nieuwe recht valt en op welk slachtoffer (zaaksdossier) de gedraging betrekking heeft. Het moet de verdachte daarmee duidelijk zijn geweest tegen welke beschuldigingen hij zich moest verdedigen. Ter zitting is ook niet gebleken dat de verdachte niet zou weten welke verwijten hem worden gemaakt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 voldoet aan de vereisten van artikel 261 Sv en dus geldig is. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Beslissing

4
De bewijsbeslissing
4.1.

Inleiding

Medio 2025 is het strafrechtelijk onderzoek 15Mombas gestart naar aanleiding van op

26 juni 2025 bij het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de Eenheid Landelijke Opsporing en Interventies binnengekomen informatie dat een gebruiker van de applicatie Teleguard diverse videobestanden had gedeeld waarop kinderpornografisch beeldmateriaal was te zien.

Onderzoek naar onder meer het IP-adres van deze gebruiker leidde de politie naar de verdachte. De verdachte was sinds 2019 werkzaam als conciërge op basisschool [naam school] in [plaats] . Zijn woning is doorzocht en daar zijn onder meer gegevensdragers in beslag genomen, waar door de politie onderzoek naar is gedaan. Dat onderzoek leidde de politie onder meer tot de conclusie dat de verdachte beeldmateriaal had vervaardigd van meisjes op [naam school] , waar hij werkzaam was. In onderzoek 15Mombas zijn uiteindelijk zeventien meisjes geïdentificeerd, van één meisje is de identiteit niet bekend geworden.

4.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.

4.3.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 1 en 5 ten laste gelegde bepleit. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2, 3, 4 en 6 ten laste gelegde met betrekking tot sommige onderdelen vrijspraak bepleit en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.4.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 (ontucht en aanranding)

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte bij de meisjes 1, 2, 5 en 6 ontuchtige handelingen in de zin van artikel 247 Sr (oud) heeft verricht en of de verdachte bij de meisjes 3, 8 en 9 seksuele handelingen in de zin van artikel 249 Sr (nieuw) heeft verricht.

Juridisch kader

Ontuchtige handelingen en seksuele handelingen in de zin van de genoemde bepalingen zijn handelingen gericht op seksueel contact, althans contact van seksuele aard in strijd met de sociaal ethische norm. Een precieze afbakening van wat wel en niet onder ontuchtige dan wel seksuele handelingen valt, kan niet worden gegeven. De beoordeling of een handeling als ontuchtig of seksueel heeft te gelden, hangt niet alleen af van de subjectieve beleving van het slachtoffer, maar onder meer ook van de aard van de handeling, de context waarbinnen de handeling plaatsvindt, het betrokken lichaamsdeel en de omstandigheden van het geval. Ook de bedoeling van de dader en de verhouding tussen dader en het slachtoffer zijn daarbij relevante factoren.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte zeven minderjarige meisjes heeft aangeraakt op (intieme) lichaamsdelen, waaronder hun bovenbenen, billen en vagina.

De verdachte heeft verklaard dat deze aanrakingen hebben plaatsgevonden in het kader van zijn werkzaamheden, waarbij hij de meisjes onder andere hielp met het verschonen na een plasongelukje of het plakken van een pleister. De verdachte stelt daarbij niet verder te zijn gegaan dan noodzakelijk in het kader van die werkzaamheden. Hij heeft aangevoerd dat hij weliswaar seksuele intenties had bij het filmen van de meisjes, maar dat de aanrakingen daar los van staan en onderdeel uitmaakten van de reguliere uitvoering van zijn werkzaamheden. Seksuele fantasieën hierover kwamen pas achteraf, aldus de verdachte.

De rechtbank ziet dit anders. De door de verdachte heimelijk gemaakte filmopnames van de handelingen laten namelijk een evident ander beeld zien. De rechtbank heeft deze opnames bekeken en merkt op dat de wijze waarop de zedenrechercheurs de beelden hebben beschreven, overeenstemt met wat de rechtbank heeft gezien. Op de beelden is te zien dat de verdachte gericht op zoek gaat naar de meisjes. De verdachte benadert de meisjes, blijft met hen in gesprek, en in de gevallen waarin hij helpt bij omkleden of het plakken van een pleister, is te zien dat de verdachte veel tijd rekt en de meisjes bewust zodanig positioneert dat hij bepaalde lichaamsdelen – voornamelijk bovenbenen, billen en vagina – zo duidelijk en zo lang mogelijk in beeld kan brengen. Het is binnen deze context van tijd rekken en expliciete beelden maken, dat de verdachte ook zoekt naar gelegenheid om de meisjes op de genoemde plekken aan te raken. Hij merkt bijvoorbeeld op dat ergens nog een stukje wc-papier moet worden weggehaald of dat er nog een pleister op een andere plek moet worden geplakt. In een andere zaak plaatst hij meermaals de hand van een meisje zo ongemerkt mogelijk op of nabij zijn geslachtsdeel.

Gezien deze context van het bewust zoeken naar gelegenheid, het tijd rekken en het zo veel mogelijk in beeld brengen, ziet de rechtbank ook in de aanrakingen onmiskenbaar seksuele intenties. Op de inbeslaggenomen gegevensdragers bevinden zich chatgesprekken waarin de verdachte zeer expliciet met anderen praat over zijn handelingen met de meisjes. Hieruit komen zijn seksuele bedoelingen, alsmede zijn welbewuste pogingen om ongemerkt zo veel mogelijk aanrakingen van de intieme delen van de meisjes te laten plaatsvinden, zonneklaar naar voren. Van een scheidslijn tussen het verrichten van werkzaamheden zonder enige bijbedoeling en het daarover achteraf fantaseren is geen enkele sprake en kan in een geval als dit ook geen sprake zijn. De rechtbank merkt daarbij nog op dat de verdachte meermaals is verzocht om het behulpzaam zijn bij het verschonen aan anderen over te laten. De verdachte heeft deze verzoeken welbewust naast zich neergelegd.

Dat, zoals de verdachte heeft verklaard, de meisjes hem vaak zelf opzochten, maakt het voorgaande op geen enkele wijze anders – in tegendeel. Uit het dossier is gebleken dat het de verdachte zelf is geweest die, in plaats van de vereiste professionele distantie in acht te nemen, deze situatie heeft gecreëerd, door de meisjes veel aandacht te geven, knuffels en aanrakingen aan te moedigen met lieve woordjes en in sommige gevallen snoepjes en cadeautjes aan de meisjes te geven. De rechtbank wenst hier met zo veel woorden op te merken dat wat er is gebeurd op geen enkele wijze, en dus ook niet indirect, aan de nog zeer jonge slachtoffertjes is te wijten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop en de plaatsen waar de meisjes zijn aangeraakt, in onderlinge samenhang bezien met de overige omstandigheden, maken dat sprake is geweest van het plegen van ontuchtige handelingen (artikel 247 (oud) Sr) en seksuele handelingen (artikel 249 lid 2 (nieuw) Sr).

De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de beschreven handelingen genoemd in gedachtestreepje 4 inzake meisje 1. Zij heeft verklaard dat de verdachte haar heeft opgetild en een kus op de mond heeft gegeven. Van deze handeling zijn geen beelden aangetroffen. De verklaring van het meisje wordt slechts ondersteund door de verklaring van haar moeder, aan wie zij heeft verteld dat dit incident zich heeft voorgedaan. Deze verklaring is afgeleid van wat het meisje haar heeft verteld en vindt geen steun in ander onafhankelijk bewijsmateriaal. Nu de verklaring uit één bron afkomstig is, acht de rechtbank dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Conclusie

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde – voor het overige – wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 (vervaardigen, bezitten en verspreiden kinderpornografisch materiaal)

De rechtbank is – anders dan de verdediging heeft bepleit – van oordeel dat de verdachte, ook wat betreft het materiaal waarop de meisjes gekleed zijn, kinderpornografisch materiaal heeft vervaardigd. De strafbaarheid van het materiaal dient te worden beoordeeld aan de hand van de inhoud en strekking van de opnames in samenhang met de wijze van vervaardiging daarvan. De beelden hebben onmiskenbaar een seksuele strekking. Zo wordt er ingezoomd op bepaalde lichaamsdelen, met name op de bovenbenen, billen en vagina. Waar het gaat om de wijze van vervaardiging neemt de rechtbank in aanmerking dat deze beelden heimelijk zijn gemaakt. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte drie van deze kinderpornografische afbeeldingen ook heeft verspreid.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 4 (kinderpornografisch materiaal)

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de door de politie gehanteerde telling en de wijze waarop de afbeeldingen en video’s zijn geïnventariseerd.

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank acht daarbij, gelet op de grote hoeveelheid materiaal en de lange periode, ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Ten aanzien van feit 5 (kindersekspoppen)

Het onder 5 ten laste gelegde feit is toegesneden op artikel 253a Sr. Dit artikel omvat – kort gezegd – een verbod op seksattributen, zoals poppen, die een uiterlijke verschijningsvorm hebben van een kind.

Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn onder meer vijf poppen aangetroffen. De rechtbank moet beoordelen of dit poppen zijn met de uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en die bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten. Artikel 253a Sr is een (relatief) nieuwe bepaling, die in werking is getreden op 1 januari 2025. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van dit feit kijken naar de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 253a Sr. (Voetnoot 1)

Bij de vraag of sprake is van een voorwerp met de uiterlijke verschijningsvormen van een kind jonger dan zestien jaren, geldt dat gekeken moet worden naar de uiterlijke kenmerken van het desbetreffende voorwerp. Er hoeft geen sprake te zijn van een anatomisch correcte replica of een volledige pop. Vereist is een realistische uiterlijke verschijningsvorm van een kind of een lichaamsdeel van een kind. In geval van kindersekspoppen kunnen bijvoorbeeld de lichaamsafmeting en -verhouding van belang zijn. Dat aan het voorwerp lichaamskenmerken zijn toegevoegd die passen bij een volwassene (bijvoorbeeld, (grote) borsten, billen of volle lippen), hoeft niet in de weg te staan aan de vaststelling dat sprake is van een uiterlijke verschijningsvorm van een kind (of een lichaamsdeel van een kind) jonger dan zestien jaren. (Voetnoot 2)

Bij de vraag of een voorwerp bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, gaat het om de aard van het voorwerp en niet om de intentie van degene die het in bezit heeft. Of het voorwerp bestemd is voor het verrichten van seksuele handelingen moet worden beoordeeld op basis van zijn uiterlijke kenmerken, zoals aanwezige lichaamsopeningen geschikt voor seksueel binnendringen of andere functies voor seksueel gebruik (bijvoorbeeld geslachtsorganen). (Voetnoot 3)

Verder moet ten minste sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Dit betekent dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans moet hebben aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft. Het opzet van de verdachte hoeft zich niet uit te strekken tot de daadwerkelijke kinderleeftijd die aan het voorwerp op basis van zijn uiterlijke kenmerken kan worden toegekend. Voor een bewezenverklaring is enkel van belang dat de pop op basis van zijn uiterlijke kenmerken als kind is aan te merken en dat de verdachte hierop (voorwaardelijk) opzet heeft gehad. (Voetnoot 4)

Oordeel van de rechtbank

In de woning van de verdachte zijn in de slaapkamer twee poppen (pop 1 en 2) en in de voorraadkamer drie poppen (pop 3, 4 en 5) aangetroffen. Volgens de verdachte zijn geen van deze poppen kindersekspoppen, maar zijn pop 1, 2, en 3 normale sekspoppen en zijn pop 4 en 5 normale babypoppen.

Pop 1, 2 en 3

Niet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had bestemd zijn om seksuele handelingen mee te verrichten.

De rechtbank overweegt ten aanzien van pop 2 en pop 3 dat hun uiterlijke verschijningsvorm die van een kind jonger dan zestien jaar is. De rechtbank neemt daarbij met name de afmetingen van de poppen en de platte borst in aanmerking. Deze kenmerken geven de poppen het uiterlijk van een minderjarige jonger dan zestien jaar. Anders dan de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat voor beide poppen geldt dat deze eerder geassocieerd worden met een kind jonger dan zestien jaren dan met een volwassene, zodat de gemiddelde kijker aanstonds meent dat de poppen het lichaam van een minderjarige beneden de zestien jaren moeten voorstellen. (Voetnoot 5)

Ten aanzien van pop 1 komt de rechtbank tot een ander oordeel. Gelet op de omvang van de borstpartij, en het ontbreken van duidelijke uiterlijke kenmerken die passen bij een minderjarige, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze pop naar haar uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren voorstelt.

Uit de omstandigheden dat de poppen 2 en 3 aanstonds lijken op lichamen van kinderen jonger dan zestien jaren, iets waarvan de verdachte zich bewust had moeten zijn, leidt de rechtbank voorts af dat de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat de verdachte pop 2 en 3 vóór de inwerkingtreding van artikel 253a Sr op een reguliere website heeft aangeschaft, doet hieraan niets af.

Pop 4 en 5

Niet ter discussie staat dat de poppen die de verdachte in bezit had naar hun uiterlijke verschijningsvorm een kind jonger dan zestien jaren – namelijk een baby – betreffen.

De rechtbank overweegt dat het niet gaat om normale speelgoed babypoppen, maar dat uit hun uiterlijke kenmerken blijkt dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de poppen zijn vervaardigd van siliconen, een materiaal dat niet gebruikelijk is voor een normale speelgoed babypop. Daarnaast beschikken de poppen over anatomische kenmerken, waaronder een opening bij de mond en weergegeven geslachtsdelen. Deze kenmerken maken dat de rechtbank van oordeel is dat de poppen zijn bestemd om seksuele handelingen mee te verrichten. Dat de opening van de mond slechts beperkt van omvang is, doet aan dat oordeel niet af. De seksuele handelingen hoeven immers niet beperkt te zijn tot (volledige) penetratie van de pop.

De verdachte had uit de uiterlijke kenmerken van de poppen kunnen afleiden dat de poppen een seksuele bestemming hadden. Dat geldt des te meer nu hij zelf heeft verklaard dat hij de poppen in huis had voor een seksdate met andere mensen, waarbij die poppen werden gebruikt. Daaruit leidt de rechtbank af dat de verdachte op z’n minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een op een kind gelijkend voorwerp als bedoeld in artikel 253a Sr in bezit heeft gehad. Dat pop 4 en 5 naar zeggen van de verdachte niet door hemzelf zijn aangeschaft, doet aan dat oordeel niets af.

Conclusie

Alleen pop 1 is niet aan te merken als een kindersekspop als bedoeld in artikel 253a Sr. De overige vier poppen zijn dat wel. De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde bezit van meerdere kindersekspoppen dus wettig en overtuigend bewezen.

4.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] meermalen, met meerdere kinderen die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt en aan zijn zorg en waakzaamheid waren toevertrouwd, te weten:

* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,

* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,

* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,

* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,

buiten echt, een of meerdere ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten door:

* Zaaksdossier 1:

- meermalen de trui van meisje 1 omhoog te schuiven en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 te gaan en (daarbij) haar rug aan te raken en

- meisje 1 bij haar middel te pakken en tegen zich aan te trekken waarbij hij haar beide

benen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de verdachte

komt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje

1. met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en/of de buik van de verdachte komt te liggen en

- meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel te leggen en te houden en

* Zaaksdossier 2:

- de trui van meisje 2 omhoog te trekken en het onderbroekje van meisje 2 (deels) naar

beneden te trekken en met zijn hand en/of vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, te wrijven en meermalen over de onderbroek op haar billen te wrijven en

* Zaaksdossier 5:

- met zijn hand en/of vinger(s) over de onderbroek van meisje 5 te wrijven ter hoogte van

haar billen en aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar

billen, te wrijven en

* Zaaksdossier 6:

- meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het voorraadhok te plaatsen en met wc-

papier over de binnenzijde van haar been en over haar vagina te wrijven, waarbij de

buitenste schaamlip(pen) naar buiten werden geduwd en

- de billen van meisje 6 vast te pakken en te spreiden, waardoor er zicht is op haar anus en

- over de (ontblote) billen van meisje 6 te wrijven en

met meerdere kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten:

* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,

* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,

* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten:

* Zaaksdossier 3:

- meisje 3 met beide armen (toestaan) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen/billen vast te laten houden en meermalen tegen meisje 3 te zeggen "Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?" en “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter

hoogte van zijn kruis/geslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt en

* Zaaksdossier 8:

- het jurkje van meisje 8 omhoog te trekken en meermalen over de binnenzijde van het

(ontblote) bovenbeen van meisje 8 te wrijven en

* Zaaksdossier 9:

- zijn, verdachtes, arm om meisje 9 heen te slaan en te zeggen: "He kutje, hoe is het?" en

hierbij met zijn hand over haar rug te wrijven en meermalen op de billen van meisje 9 te

slaan,

en welke aanranding werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang:

- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en

- er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen de verdachte in zijn hoedanigheid als

conciërge/medewerker van de school en de meisjes in hun hoedanigheid als leerlingen;

2.

hij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens

(in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024)

- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen, te weten foto’s en video’s en

- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons

en SD-kaarten, bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te weten foto’s en video’s,

van (een) seksuele gedraging(en), waarbij:

* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,

* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,

* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,

* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,

* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,

* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,

* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,

* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,

* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,

* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,

* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,

* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,

* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 15] 2017,

* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,

* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,

zijn betrokken of schijnbaar zijn betrokken, heeft vervaardigd en in bezit gehad en

(in de periode 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025)

visuele weergaven van seksuele aard en met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij:

* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019,

* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015,

* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,

* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015,

waren betrokken of schijnbaar waren betrokken, heeft vervaardigd en in bezit gehad,

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - (telkens) bestonden uit:

* Zaaksdossier 1:

- de bilspleet van meisje 1 (gericht) te filmen (zaaksdossier 1, #01 in toonmap) en

- meermalen (gericht) de onderbroek en/of de ontblote billen en/of vagina van meisje 1 te

filmen (zaaksdossier 1, #02 en #03 in toonmap) en

- onder het rokje van meisje 1 te filmen, waardoor haar onderbroek en billen in beeld

komen (zaaksdossier 1, #04 in toonmap) en

- meerdere screenshots van een filmpje waarop (onder andere) de ontblote vagina van meisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, #05 in toonmap)

- te filmen dat hij, verdachte, meermalen, de trui van meisje 1 omhoog schuift en met zijn vingers onder de trui van meisje 1 gaat en (daarbij) haar rug aanraakt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, meisje 1 bij haar middel pakt en tegen zich aan trekt waarbij hij haar beide benen over zijn benen heen legt, waardoor meisje 1 zijdelings op schoot bij de

verdachte komt te zitten en waarbij hij, verdachte, zijn benen op en neer beweegt, waardoor meisje 1 met haar billen tussen de benen van de verdachte valt en met haar bovenlichaam tegen het kruis en/of de buik van de verdachte komt te liggen (zaaksdossier 1, #06 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, meermalen de hand van meisje 1 op zijn, verdachtes, geslachtsdeel legt en houdt (zaaksdossier 1, #06 in toonmap),

* Zaaksdossier 2:

- de ontblote billen en vagina van meisje 2 (gericht) te filmen, waarbij hij, verdachte, de

benen van meisje 2 uit elkaar haalt (zaaksdossier 2, #02 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, de trui van meisje 2 omhoog trekt en het onderbroekje van

meisje 2 (deels) naar beneden trekt en met zijn hand en/of vinger(s) aan de binnenzijde van

haar onderbroek, langs de rand ter hoogte van haar billen, wrijft en meermalen over de onderbroek op haar billen wrijft (zaaksdossier 2, #02 in toonmap),

* Zaaksdossier 3:

- meermalen meisje 3 te filmen in haar onderbroek en hemd, waarbij de nadruk ligt op haar onderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 3, #01 t/m #04 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, meisje 3 met beide armen (toestaat) hem, verdachte, ter hoogte van zijn heupen/billen vast te houden en meermalen tegen meisje 3 zegt "Je mag wel zitten, maar niet happen en wil je even niet aan mijn jas eten, of wel?" en/of “niet happen” (en haar daarbij uit te dagen), waarop meisje 3 meermalen haar hoofd tegen de jas van verdachte drukt, ter hoogte van zijn kruis/geslachtsdeel, en daarbij haar hoofd heen en weer beweegt (zaaksdossier 3, #05 en #06 in toonmap),

* Zaaksdossier 4:

- onder het rokje, de blote benen en de blote buik van meisje 4 te filmen (zaaksdossier 4,

#03 in toonmap) en

- te filmen dat verdachte zich aftrekt en (waarbij hij) zijn penis/eikel naast de foto van

meisje 4 houdt (zaaksdossier 4, #04 in toonmap) en

- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt

gehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het

gezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t/m #07),

* Zaaksdossier 5:

- meermalen de ontblote bovenlijf, bilspleet, billen, borsten en onderbroek (gericht) te

filmen (zaaksdossier 5, #01 t/m #03 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, over de onderbroek van meisje 5 wrijft ter hoogte van haar

billen en met zijn hand en/of vinger(s) aan de binnenzijde van haar onderbroek, langs de

rand ter hoogte van haar billen, wrijft (zaaksdossier 5, #02 in toonmap),

* Zaaksdossier 6:

- te filmen dat hij, verdachte, meisje 6 met ontbloot onderlichaam op een stoel in het

voorraadhok plaatst (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, meermalen het rokje van meisje 6 omhoog tilt/schuift en haar benen uit elkaar trekt en daarbij de ontblote billen en vagina van meisje 6 (gericht) filmt (zaaksdossier 6, #01 en #02 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, met wc-papier over de binnenzijde van haar been en over

haar vagina wrijft, waarbij de buitenste schaamlippen naar buiten worden geduwd

(zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, de billen van meisje 6 vastpakt en spreidt, waardoor er zicht is

op haar anus (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, over de (ontblote) billen van meisje 6 wrijft (zaaksdossier 6, #02 in toonmap) en

- screenshots te maken van voornoemde filmpjes van meisje 6, waarbij de nadruk ligt op

haar vagina en billen (zaaksdossier 6, #03 t/m #07 in toonmap),

* Zaaksdossier 7:

- een foto van het gezicht van meisje 7 meermalen te bewerken (onder andere) met stijve

penissen op haar gezicht en een witte substantie gelijkend op sperma op haar gezicht en de tekst “Cum Slut” en

“Daddy slut” op haar gezicht, in elk geval voornoemde bewerkte foto’s in bezit heeft gehad

(zaaksdossier 7, #05 en #06 in toonmap) en

- een foto waarin een stijve penis bij de foto van meisje 7 wordt gehouden heeft gemaakt, in

elk geval in bezit heeft gehad (zaaksdossier 7, #07 in toonmap),

* Zaaksdossier 8:

- meermalen onder het rokje en jurkje van meisje 8 te filmen, waardoor zicht is op haar

onderbroek, vagina en billen (zaaksdossier 8, #01, #02, #03, #06 en #07 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, het rokje en jurkje van meisje 8 omhoog schuift en gericht

haar onderbroek, vagina en billen filmt, waarbij wordt ingezoomd op de vagina en billen van meisje 8 (zaaksdossier 8 #06 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, het jurkje van meisje 8 omhoog trekt en meermalen over de

binnenzijde van het (ontblote) bovenbeen van meisje 8 wrijft (zaaksdossier 8, #07 in

toonmap) en

- screenshots te maken van voornoemd filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03),

waarbij de nadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05

in toonmap),

* Zaaksdossier 9:

- meermalen onder het rokje van meisje 9 te filmen, waardoor zicht is op haar billen en

onderbroek (zaaksdossier 9, #05 en #06 in toonmap) en

- te filmen dat hij, verdachte, zijn arm om meisje 9 heen slaat en te zeggen: “He kutje, hoe is

het?” en hierbij met zijn hand over haar rug wrijft en meermalen op de billen van meisje 9

slaat (zaaksdossier 9, #02 in toonmap),

* Zaaksdossier 10:

- de onderbroek van meisje 10 (gericht) te filmen (zaaksdossier 10, #03 in toonmap),

*Zaaksdossier 11:

- onder het rokje van meisje 11 (gericht) te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek

(zaaksdossier 11, #01 in toonmap) en

- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek van

meisje 11 (zaaksdossier 11, #02 en #03 in toonmap),

* Zaaksdossier 12:

- meermalen onder het rokje en/of jurkje van meisje 12 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en/of vagina (zaaksdossier 12, #01 en #08 in toonmap) en

- de (geklede) billen van meisje 12 (gericht) te filmen (zaaksdossier 12, #03 in toonmap) en

- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en het

onderlichaam van meisje 12 (zaaksdossier 12, #02 t/m 07 in toonmap),

* Zaaksdossier 13:

- de (geklede) billen/onderlichaam van meisje 13 (gericht) te filmen (zaaksdossier 13, #01 in

toonmap),

* Zaaksdossier 14:

- meisje 14 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 14, #01 en #03 in toonmap),

* Zaaksdossier 15:

- onder het rokje van meisje 15 te filmen, waardoor zicht is op haar onderbroek en (de

contouren van) haar vagina en billen (zaaksdossier 15, #01 in toonmap) en

- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en (de contouren van) de vagina en/of billen van meisje 15 (zaaksdossier 15, #02 en #03 in toonmap),

* Zaaksdossier 16:

- meisje 16 te filmen in haar onderbroek en hemd en (daarbij) gericht op haar billen

(zaaksdossier 16, #01 in toonmap) en

- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de onderbroek en billen van meisje 16 (zaaksdossier 16, #02 t/m #04 in toonmap),

* Zaaksdossier 17:

- meisje 17 te filmen in haar onderbroek en hemd (zaaksdossier 17, #01 in toonmap),

* Zaaksdossier 18:

- de (geklede) billen van meisje 18 (gericht) te filmen (zaaksdossier 18, #01 in toonmao) en

- screenshots te maken van voornoemd filmpje, waarbij de nadruk ligt op de billen en buik van meisje 18 (zaaksdossier 18, #02 t/m #04 in toonmap),

en via social media heeft verspreid:

* Zaaksdossier 1:

- een screenshot van een door verdachte vervaardigde video waarop de ontblote vagina van

meisje 1 te zien is (zaaksdossier 1, vervolg zaak 1, #01 in toonmap),

* Zaaksdossier 4:

- foto’s van een penis die naast de (digitale) foto van het gezicht van meisje 4 wordt

gehouden en met een witte substantie gelijkend op sperma op de (digitale) foto van het

gezicht van meisje 4 (zaaksdossier 4, #05 t/m #07),

* Zaaksdossier 8:

- ( een) screenshots van een filmpje van meisje 8 (zaaksdossier 8, toonmap #03), waarbij de

nadruk ligt op de ontblote bovenbenen van meisje 8 (zaaksdossier 8, #04 en 05 in toonmap),

waarbij die afbeelding(en) (aldus) een onmiskenbaar seksuele strekking had(den) en strekte(n) tot seksuele prikkeling,

van welk misdrijf hij, verdachte, een gewoonte heeft gemaakt;

3.

hij in de periode van 1 december 2019 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van meerdere kinderen:

* Zaaksdossier 1: meisje 1, geboren op [geboortedatum 2] 2015,

* Zaaksdossier 2: meisje 2, geboren op [geboortedatum 3] 2019,

* Zaaksdossier 3: meisje 3, geboren op [geboortedatum 6] 2019

* Zaaksdossier 4: meisje 4, geboren op [geboortedatum 18] 2015

* Zaaksdossier 5: meisje 5, geboren op [geboortedatum 4] 2019,

* Zaaksdossier 6: meisje 6, geboren op [geboortedatum 5] 2018,

* Zaaksdossier 7: meisje 7, geboren op [geboortedatum 9] 2011,

* Zaaksdossier 8: meisje 8, geboren op [geboortedatum 7] 2019,

* Zaaksdossier 9: meisje 9, geboren op [geboortedatum 8] 2015

* Zaaksdossier 10: meisje 10, geschatte leeftijd van tussen de 4 en 6 jaar,

* Zaaksdossier 11: meisje 11, geboren op [geboortedatum 10] 2013,

* Zaaksdossier 12: meisje 12, geboren op [geboortedatum 11] 2016,

* Zaaksdossier 13: meisje 13, geboren op [geboortedatum 12] 2019,

* Zaaksdossier 14: meisje 14, geboren op [geboortedatum 13] 2017,

* Zaaksdossier 15: meisje 15, geboren op [geboortedatum 14] 2016,

* Zaaksdossier 16: meisje 16, geboren op [geboortedatum 9] 2017,

* Zaaksdossier 17: meisje 17, geboren op [geboortedatum 16] 2017,

* Zaaksdossier 18: meisje 18, geboren op [geboortedatum 17] 2013,

aanwezig op een niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten het schoolgebouw van

[naam school] meerdere afbeeldingen heeft vervaardigd;

4.

hij in de periode van 28 april 2009 tot en met 9 juli 2025 te [plaats] , meermalen, telkens

- een (zeer grote) hoeveelheid afbeeldingen (ongeveer 199.105 afbeeldingen), te weten foto’s en video’s en

- meerdere digitale gegevensdragers, waaronder laptops, externe harde schijven, telefoons,

SD-kaarten, desktops en USB-sticks bevattende (een grote hoeveelheid) afbeeldingen, te

weten foto’s en video’s, van seksuele gedragingen en visuele weergaven van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, heeft:

- verspreid via social media (waaronder via Telegram en Teleguard)

- aangeboden,

- verworven,

- in bezit gehad en

- zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een

communicatiedienst de toegang heeft verschaft,

welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:

- het met de penis, vinger/hand, voorwerp en/of mond/tong oraal, vaginaal en/of anaal

penetreren van het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet

had bereikt en

- het met de penis, mond/tong en/of vinger/hand oraal, vaginaal en/of anaal penetreren van

het lichaam van een (ander) persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar

nog niet had bereikt en

- het met de vinger/hand en/of voorwerp vaginaal en/of anaal penetreren van het eigen

lichaam door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en

* zie toonmap reguliere KP #01 t/m 08, #34, #35 en #37

- het met de penis, vinger/hand, tong betasten en/of aanraken van de geslachtsdelen, billen, borsten en/of andere lichaamsdelen van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en

- het met de hand en/of mond/tong betasten en/of aanraken van het geslachtsdeel van een ander persoon door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en

- het met de hand betasten en/of aanraken van het eigen geslachtsdeel, de billen en/of borsten door een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en

* zie toonmap reguliere KP #09 t/m #16

- het door een dier likken van het geslachtsdeel van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en

* zie toonmap reguliere KP #17

- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij deze persoon gekleed is en/of opgemaakt is en/of poseert in een omgeving en/of met een voorwerp en/of in een erotisch getinte houding (op een wijze) die niet bij zijn/haar leeftijd past/passen en/of door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van deze persoon en/of de uitsnede van de foto's /film(s) nadrukkelijk het (ontblote) geslachtsdeel, de borsten en/of billen van deze persoon in beeld gebracht worden (waarbij) de afbeelding (aldus) (telkens) een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en/of strekt tot seksuele prikkeling en

* zie toonmap reguliere KP #18 t/m #27

- het masturberen boven/bij en/of ejaculeren op het gezicht en/of lichaam van een persoon

die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

- het houden van een (stijve) penis bij/naast het gezicht en/of lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt, waarbij op dat gezicht/lichaam een op sperma gelijkende substantie zichtbaar is

* zie toonmap reguliere KP #28 t/m #33, #36 en #38

waarbij de afbeelding telkens een onmiskenbaar seksuele strekking heeft en strekt tot seksuele prikkeling en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt;

5.

hij op 9 juli 2025 te [plaats] voorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind of van een lichaamsdeel van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, die bestemd waren om seksuele handelingen mee te verrichten, te weten meerdere kindersekspoppen, voorzien van een anus en/of vagina en/of een opening bij de mond, in bezit heeft gehad;

6.

hij op 9 juli 2025 te [plaats] opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 680 milliliter GHB aanwezig heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7
De oplegging van straffen en maatregel
7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: dwangverpleging). Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ingevolge artikel 38z Sr wordt opgelegd.

Verder heeft de officier van justitie gevorderd de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v Sr op te leggen in de vorm van een contactverbod met alle slachtoffers voor de duur van vijf jaren, en een locatieverbod voor twee postcodes in [plaats] voor de duur van tien jaren. De officier van justitie heeft verzocht deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tot slot vordert de officier van justitie op te leggen dat de verdachte wordt ontzet uit het recht tot uitoefening van elk beroep waardoor de verdachte in aanraking met minderjarigen onder de twaalf jaar zou kunnen komen, voor de duur van tien jaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim vijfeneenhalf jaar schuldig gemaakt aan het heimelijk filmen en aan het vervaardigen, bezitten en verspreiden van kindermisbruikmateriaal/kinderporno van jonge meisjes op een basisschool. In zijn hoedanigheid van conciërge heeft hij ernstig misbruik gemaakt van zijn positie door deze meisjes te filmen, onder meer wanneer zij naar het toilet gingen of geholpen moesten worden met verschonen na een plasongelukje. Daarbij lag de focus telkens op de intieme lichaamsdelen. In zeven gevallen heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen en seksuele handelingen, door de slachtoffers op (intieme) lichaamsdelen aan te raken. Hiermee heeft hij hun lichamelijke en geestelijke integriteit ernstig geschonden. De verdachte is planmatig en doelgericht te werk gegaan. Hij gaf de meisjes regelmatig snoepjes en knuffels en wist op die manier een vertrouwensband met hen op te bouwen. De verdachte heeft hen daarnaast bewust opgezocht, aangestuurd en zodanig gepositioneerd dat hij hen beter kon filmen.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem mochten hebben en van het overwicht dat hij als volwassene had op de nog zeer jonge slachtoffertjes. Te meer wordt dit de verdachte aangerekend nu hij reeds in behandeling was voor zijn pedofiele stoornis, maar er desondanks en tegen het dringende advies van zijn behandelaar in, toch voor heeft gekozen een baan aan te nemen op een basisschool waar hij in contact zou komen met veel minderjarige meisjes. Dat de verdachte, zoals hij zelf naar voren heeft gebracht, geen andere keuze had dan de baan als conciërge te accepteren omdat hij anders zijn uitkering zou verliezen, is niet geloofwaardig en miskent zijn eigen verantwoordelijkheid in de gang van zaken. Zou de verdachte immers open kaart hebben gespeeld over zijn stoornis, dan had geen enkele uitkeringsinstantie hem naar nota bene een basisschool gestuurd. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen op school in een veilige omgeving verblijven en dat hen daar niets overkomt. Door het handelen van de verdachte is dat vertrouwen ernstig geschonden. Zijn handelen heeft diepe sporen nagelaten in de betrokken gezinnen. Wat de precieze gevolgen voor de meisjes zullen zijn, zal de toekomst moeten uitwijzen. De gevolgen voor de ouders en naasten van de betrokken kinderen, zijn naar voren gekomen uit het ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht. Uit de verklaringen van de ouders komt naar voren dat het handelen van de verdachte ook hen veel pijn en verdriet heeft toegebracht. De ouders hebben toegelicht dat zij kampen met schuldgevoelens en onzekerheid met betrekking tot de vraag of en in welke mate dit gevolgen zal hebben op de verdere ontwikkeling van hun kinderen.

Daarnaast heeft de verdachte gedurende een periode van meer dan zestien jaar een gewoonte gemaakt van het bezitten en verspreiden van een grote hoeveelheid kinderpornografisch materiaal. Op de aangetroffen afbeeldingen en video’s zijn verregaande seksuele handelingen met (jonge) kinderen te zien. Bij de vervaardiging van dergelijk materiaal worden kinderen seksueel misbruikt en uitgebuit, met alle emotionele en lichamelijke schadelijke gevolgen voor hen van dien. Zij kunnen nog lange tijd achtervolgd worden door de gevolgen van de verspreiding van de beelden, doordat het vrijwel onmogelijk is om een afbeelding of video die op het internet is gezet, daarvan af te halen. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de vraag naar dergelijk kindermisbruikmateriaal en daarmee aan de instandhouding van dat misbruik en de uitbuiting van minderjarigen. Met de gevolgen voor de kinderen heeft hij geen rekening gehouden.

De verdachte heeft verder meerdere kindersekspoppen in bezit gehad. Het bezit van dergelijke seksattributen draagt bij aan het in stand houden van een markt voor voorwerpen die seksualisering van kinderen in de hand werken en het creëren van een subcultuur die seks met kinderen als normaal gedrag afspiegelt. Tot slot heeft de verdachte een hoeveelheid GHB aanwezig gehad.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgesteld door psychiater dr. [psychiater] en van de Pro Justitia-rapportage van 8 april 2026, opgesteld door klinisch psycholoog drs. [klinisch psycholoog] .

De psychiater komt tot de conclusie dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. In het verleden is een aandachtsdeficiëntie- en hyperactiviteitsstoornis vastgesteld en de verdachte gebruikt medicatie die verschijnselen van deze stoornis onderdrukt. De pedofiele stoornis was aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Het uit de pedofiele stoornis voortkomende sterke verlangen naar seksueel contact met prepuberale meisjes, in combinatie met de cognitieve vertekeningen, zorgde ervoor dat de verdachte doorging met het verzamelen van kinderporno, het filmen en ontuchtig aanraken van de kinderen op de school. De psychiater adviseert de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten in een verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Om het door de psychiater op matig ingeschatte risico op recidive te verlagen wordt geadviseerd een behandeling op te leggen en deze klinisch te laten beginnen. Daarna zullen toezicht en begeleiding een grote rol moeten spelen. De psychiater adviseert deze behandeling, indien de strafmaat dit toelaat, op te leggen in het kader van tbs met voorwaarden. Een behandeling op basis van een voorwaardelijk strafdeel zal onvoldoende bescherming bieden tegen recidive. Het opleggen van tbs met dwangverpleging wordt niet geadviseerd.

De psycholoog concludeert, net als de psychiater, dat de verdachte lijdt aan een pedofiele stoornis. Daarnaast is sprake van een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met paranoïde, schizoïde, vermijdende, dwangmatige en antisociale trekken. Er is sprake van een doorwerking van deze stoornissen in aanloop tot en ten tijde van het plegen van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde. Om deze reden adviseert de psycholoog het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Het risico op een nieuw hands-on delict wordt ingeschat als matig, maar dit risico stijgt indien het ten laste gelegde bewezen wordt verklaard. Om het risico op recidive terug te dringen is het wenselijk dat de verdachte behandeld wordt voor zijn pedofiele stoornis. Dit kan middels cognitieve gedragstherapie of andere vormen van psychotherapie. De psycholoog adviseert om deze behandeling klinisch te laten starten. Een behandeling als onderdeel van een voorwaardelijke straf is hiervoor onvoldoende; wanneer de verdachte niet zou meewerken, resteert de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegd strafdeel. Dat is volgens de psycholoog zorgelijk, zeker omdat het recidiverisico matig is. Er is langdurige zorg en toezicht nodig, maar er is geen hoog beveiligingsniveau nodig. Om die reden lijkt volgens de psycholoog, indien de strafmaat dit toelaat, tbs met voorwaarden meer passend dan tbs met dwangverpleging. Daarnaast wordt geadviseerd om aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen.

Nu de conclusies van de psychiater en de psycholoog worden gedragen door hun bevindingen, neemt de rechtbank de conclusies van de psychiater en de psycholoog, dat het onder 1, 2, 3 en 4 bewezen verklaarde de verdachte in verminderde mate moet worden toegerekend, over en maakt die tot de hare. De rechtbank rekent het bewezen verklaarde dus in zoverre in verminderde mate aan de verdachte toe, maar houdt daarbij ook rekening met het feit dat de verdachte geraffineerd te werk ging door telkens heimelijk opnames te maken met speciale software om niet te worden betrapt. De verdachte was er dus van doordrongen dat wat hij deed onacceptabel was.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 2 juni 2026. Uit de rapportage volgt dat de reclassering zich in grote lijnen aansluit bij hetgeen door de psychiater en psycholoog is geconcludeerd. De reclassering schat het risico op recidive in als gemiddeld. De reclassering heeft bij een veroordeling positief geadviseerd over tbs met voorwaarden. Ondanks de ambivalente houding van de verdachte ten aanzien van een klinische opname, is de reclassering van mening dat alleen een langdurig traject met een stevige stok achter de deur de verdachte kan helpen om niet opnieuw de fout in te gaan. De reclassering adviseert deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast wordt geadviseerd een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking aan de verdachte op te leggen, vanwege de problematiek bij de verdachte die langdurig zal blijven bestaan en een langdurig toezicht zal vragen na de tbs-maatregel.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting en bij wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd. De oriëntatiepunten gaan voor het maken van een gewoonte van het vervaardigen van kinderporno uit van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Voor het maken van een gewoonte van het verspreiden van kinderporno geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar. Voor ontucht en seksuele handelingen met minderjarigen zoals in deze zaak aan de orde zijn geen oriëntatiepunten voorhanden. Ook is er geen oriëntatiepunt voor het bezit van de kindersekspoppen. Tot slot staat op het bezit van 680 milliliter GHB volgens de oriëntatiepunten een taakstraf.

Naast de oriëntatiepunten neemt de rechtbank de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd – zoals hiervoor al besproken – in aanmerking. De rechtbank acht het zeer kwalijk dat de verdachte, terwijl hij wist dat hij leed aan een pedofiele stoornis en daarvoor in behandeling was, voor een basisschool is gaan werken. Hij heeft een basisschool, wat een veilige plek voor jonge kinderen moet zijn, gebruikt om zijn eigen lustgevoelens te bevredigen. Het vertrouwen dat men moet kunnen hebben in een basisschool als een veilige plaats voor kinderen, is beschaamd. De zaak heeft mede daarom tot veel maatschappelijke beroering en onbegrip geleid.

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de lange periode waarover de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en het grote aantal slachtoffers, concludeert de rechtbank dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal aan de verdachte dan ook een gevangenisstraf opleggen voor de duur van zeven jaren.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

De op te leggen maatregel

Aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van tbs is voldaan. De onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn misdrijven genoemd in artikel 37a, eerste lid, onder 2°, Sr. Ten tijde van het begaan van deze feiten was bij de verdachte sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Op grond van de aard van de feiten, de inhoud van de Pro Justitia-rapportages en het reclasseringsadvies, is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op het gemiddelde recidiverisico, de veiligheid van anderen eist dat aan de verdachte tbs wordt opgelegd.

De rechtbank onderkent dat beide deskundigen van de Pro Justitia-rapportages en de reclassering tbs met voorwaarden (en niet tbs met dwangverpleging) hebben geadviseerd. Dit lijkt dan ook het meest passende kader voor de verdachte te zijn. De oplegging van een gevangenisstraf van meer dan vijf jaren staat echter aan het opleggen van tbs met voorwaarden in de weg. Doordat een gevangenisstraf van zeven jaar aan de verdachte wordt opgelegd, is het op grond van de wet niet mogelijk om tbs met voorwaarden op te leggen. De rechtbank is daarmee beperkt in haar mogelijkheden. Aangezien geen lichter of ander kader resteert om de noodzakelijke behandeling dwingend vorm te geven en het risico op recidive te beperken, eist de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel van tbs met dwangverpleging.

De maatregel wordt (mede) opgelegd voor zedenfeiten, en derhalve voor misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De maatregel is dus niet gemaximeerd en kan daarom langer duren dan vier jaren.

De 38v- en 38z-maatregel

Nu de verdachte eerst het resterende deel van de opgelegde gevangenisstraf moet ondergaan

en daarna zal worden behandeld in het kader van de tbs met dwangverpleging, ziet de rechtbank geen aanleiding om een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid in de vorm van een contact- en locatieverbod op te leggen. Hetzelfde geldt voor de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.

Beroepsverbod

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten in de uitoefening van zijn beroep begaan. Om het gevaar in te perken dat de verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van soortgelijke feiten, legt de rechtbank een verbod op aan de verdachte tot het uitoefenen van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen. De rechtbank acht een duur van tien jaren passend en geboden.

8
De vorderingen van de benadeelde partijen

In totaal hebben negentien benadeelde partijen zich gevoegd in dit strafproces. Deze benadeelde partijen vorderen de verdachte te veroordelen om een schadevergoeding te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In de tabel hieronder wordt het door hen gevorderde weergegeven.

Benadeelde partij

Materiële schade

Immateriële schade

Totaal

Zaak 1: [benadeelde 1]

€ 8.612,15

€ 135.712,50

€ 144.324,65

Zaak 1: [benadeelde 2]

€ 5.564,06

€ 20.000,-

€ 25.564,06

Zaak 2: [benadeelde 3]

€ 8.100,-

€ 16.000,-

€ 24.100,-

Zaak 3: [benadeelde 4]

€ 6.526,90

€ 16.125,-

€ 22.651,90

Zaak 4: [benadeelde 5]

-

€ 5.000,-

€ 5.000,-

Zaak 5: [benadeelde 6]

€ 12.946,04

€ 10.000,-

€ 22.946,04

Zaak 6: [benadeelde 7]

€ 5.112,05

€ 13.750,-

€ 18.862,05

Zaak 6: [benadeelde 8]

€ 13,86

€ 10.000,-

€ 10.013,86

Zaak 6: [benadeelde 9]

€ 206,80

€ 10.000,-

€ 10.206,80

Zaak 7: [benadeelde 10]

€ 6.553,39

€ 11.250,-

€ 17.803,39

Zaak 8: [benadeelde 11]

-

€ 6.000,-

€ 6.000,-

Zaak 11: [benadeelde 12]

€ 15,04

€ 3.125,-

€ 3.140,04

Zaak 12: [benadeelde 13]

€ 12.038,72

€ 3.125,-

€ 18.288,72

Zaak 13: [benadeelde 14]

€ 3.125,-

Zaak 14: [benadeelde 15]

-

€ 3.500,-

€ 3.500,-

Zaak 15: [benadeelde 16]

€ 5.274,97

€ 3.125,-

€ 8.399,97

Zaak 16: [benadeelde 17]

-

€ 3.500,-

€ 3.500,-

Zaak 17: [benadeelde 18]

€ 5.327,-

€ 1.875,-

€ 7.202,-

Zaak 18: [benadeelde 19]

-

€ 4.000,-

€ 4.000,-

8.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde materiële schade in de zaken 2 en 11 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde materiële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.827,20 voor het slachtoffer en € 24,51 voor haar moeder, in zaak 3 tot € 1.526,90, in zaak 5 tot € 154,06, in zaak 7 tot € 1.553,39 en in zaak 17 tot € 327,-. Voor het overige dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de gevorderde immateriële schade op het standpunt gesteld dat deze in de zaken 2, 4, 5, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 geheel kan worden toegewezen. De gevorderde immateriële schade in zaak 1 kan worden toegewezen tot een bedrag van € 28.000,- voor het slachtoffer en € 3.000,- voor haar moeder, in zaak 3 tot € 7.500,- en in zaak 6 tot € 10.000,-. De ouders van slachtoffer 6 dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding, nu geen sprake lijkt te zijn van shockschade.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft met betrekking tot de gevorderde materiële schadevergoeding ten aanzien van de vorderingen in de zaken 1, 3 en 7 zich primair op het standpunt gesteld dat deze te complex zijn voor behandeling en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, en subsidiair dat deze dienen te worden afgewezen. Met betrekking tot de gevorderde reis- en parkeerkosten in de zaken 5, 6, 11, 12, 13, 15 en 17 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade in de zaken 2, 5, 6, 12, 13 en 17 dienen de benadeelde partijen (voor het overige) niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vorderingen.

Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat de gevorderde onvoorziene kosten (zaken 1, 3, 4, 6, 7, 12, 13, 15 en 17) niet zijn onderbouwd, onvoldoende blijkt dat de uitjes (zaak 1) noodzakelijk waren, er onvoldoende verband is tussen de studievertraging (zaak 2) en de ten laste gelegde feiten, en dat de kosten van het opnemen van verlof (zaak 5) geen direct gevolg zijn van het handelen van de verdachte.

De raadsman heeft ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding in het algemeen opgemerkt dat de Rotterdamse schaal als uitgangspunt genomen moet worden bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding. De raadsman heeft dit vervolgens nader geconcretiseerd en bepleit dat de volgende bedragen aan immateriële schade passend zijn:

- een bedrag van € 2.500,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 2, 4, 7, 12 en 13;

- een bedrag van € 2.000,00 voor de benadeelde partij in zaak 6;

- een bedrag van € 1.500,00 voor de benadeelde partij in zaak 1;

- een bedrag van € 1.000,00 voor elk van de benadeelde partijen in de zaken 3, 5, 8, 11, 14, 15, 16 en 17;

- een bedrag van € 500,00 voor de benadeelde partij in zaak 18.

Verder heeft de raadsman ten aanzien van de vorderingen van de ouders in de zaken 1 en 6 verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Daartoe heeft de raadsman het standpunt ingenomen dat geen sprake kan zijn van shockschade, nu geen sprake was van een directe confrontatie met de seksuele handelingen tussen de verdachte en hun dochter.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De ouders van de slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben namens hen materiële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben daarnaast zelf ook materiële schade gevorderd.

Verplaatste schade: wettelijk kader

Het wettelijk kader voor een vergoeding van de verplaatste schade is artikel 6:107 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het gaat om kosten die een derde ten behoeve van het slachtoffer heeft gemaakt en die het slachtoffer zelf had kunnen claimen als het slachtoffer de kosten zelf zou hebben gemaakt. Om deze schade te kunnen verhalen op de verdachte, moet er een direct oorzakelijk verband bestaan tussen het strafbare feit en de schade.

Reis- en parkeerkosten

De benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 11, 12, 13, 15 en 17 hebben materiële schade gevorderd voor reis- en parkeerkosten.

Ten aanzien van de reiskosten in het kader van een medische behandeling overweegt de rechtbank dat dit schade is die rechtstreeks voortvloeit uit de bewezen verklaarde feiten en dat deze in redelijkheid zijn gemaakt. De verdediging heeft deze kosten niet betwist. De rechtbank zal dit deel van de vordering van zaak 1 dan ook toewijzen. Uit het bij de vordering gevoegde overzicht blijkt dat de benadeelde partij 24 keer reiskosten heeft gemaakt voor een medische behandeling, waarbij per bezoek een afstand van 2,6 kilometer is afgelegd. De rechtbank hanteert een kilometervergoeding van € 0,33. De voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten bedragen derhalve 24 x 2,6 x € 0,33, in totaal € 20,59.

De overige reis- en parkeerkosten zien op het bijwonen van zittingen, bezoeken aan het politiebureau voor het doen van aangifte en bezoeken aan een advocaat, slachtofferhulp of de school. Al deze overige opgevoerde reiskosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv. Uit vaste rechtspraak blijkt verder dat reis- en verblijfkosten voor het bijwonen van een zitting op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering slechts als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen voor zover door de benadeelde partij zonder gemachtigde (advocaat) wordt geprocedeerd. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen met een gemachtigde (advocaat) procederen. Het wettelijk stelsel biedt in dat geval geen ruimte voor vergoeding van de hier gevorderde reiskosten. De overige kosten zijn in het geheel niet toewijsbaar als proceskosten, omdat zij niet worden genoemd in de civiele proceskostenregeling (zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4540 en Hoge Raad 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). In zoverre worden de vorderingen dan ook afgewezen.

Onvoorziene kosten

De vorderingen zijn met betrekking tot de post ‘onvoorziene kosten’ van € 5.000,- niet (voldoende) onderbouwd. Vanwege dit gebrek aan onderbouwing zal de rechtbank de benadeelde partijen in de zaken 1, 3, 5, 6, 7, 12, 13, 15 en 17 in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen de gelegenheid geven de vorderingen nader te onderbouwen levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Kosten opstellen rapportage

In de zaken 1, 3 en 7 zijn kosten gevorderd die verband houden met het opstellen van een rapportage door een deskundige inzake de sociaal emotionele ontwikkelingsrisico’s van de slachtoffers. De rechtbank overweegt dat een dergelijk rapport in voorkomende gevallen inzicht kan geven in de mogelijke gevolgen van het handelen van de verdachte voor de ontwikkeling van de slachtoffers op langere termijn. De rechtbank is echter van oordeel dat in de overgelegde rapporten op verschillende punten wordt uitgegaan van aannames waarvan de juistheid in deze procedure niet kan worden vastgesteld. De rechtbank zal deze rapporten daarom niet aan haar beoordeling ten grondslag leggen en daarmee komen de kosten voor deze rapporten ook niet voor vergoeding in aanmerking.

In zaak 7 was het deskundigenrapport ten tijde van de behandeling van de vordering nog niet opgesteld. Reeds daarom kan de rechtbank dit rapport niet betrekken bij haar beoordeling en kunnen de daarvoor gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De benadeelde partijen zullen ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard.

Studievertraging

Door de ouders in zaak 2 is een vergoeding voor studievertraging gevorderd, omdat hun kind een schooljaar is blijven zitten. De rechtbank is van oordeel dat niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, de bewezen verklaarde feiten de studievertraging tot gevolg hebben gehad. De vaststelling of de bewezen verklaarde feiten studievertraging hebben opgeleverd voor de benadeelde partij, brengt een onevenredige belasting van het strafgeding met zich. Gelet hierop zal de rechtbank de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dit gedeelte van de vordering.

Overige gevorderde materiële schade

In zaak 1 zijn kosten voor door de moeder met het slachtoffer ondernomen uitjes opgevoerd. Deze kosten staan naar het oordeel van de rechtbank in een te ver verwijderd verband met de bewezen verklaarde feiten om te kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. Nu het rechtstreekse verband tussen de bewezen verklaarde feiten en de gestelde schade niet is komen vast te staan, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering tot schadevergoeding

In zaak 5 is een vergoeding voor verlofopname van de ouders gevorderd, omdat zij niet hebben kunnen werken vanwege de afhandeling van de zaak en hun dochter hebben moeten ondersteunen. Deze gevorderde kosten betreffen geen schade die door hun dochter zelf is geleden en vervolgens naar de ouders is verplaatst. Er is dus geen sprake van verplaatste schade als bedoeld in 6:107, eerste lid, onder a, BW. Ook de gevorderde schade wegens gederfde inkomsten van de ouders in de zaken 12, 13 en 17, die verband houdt met de tijd die zij hebben besteed aan het doen van aangifte en het bijwonen van de zitting, betreft geen schade die door hun kinderen zelf is geleden. Ten aanzien van deze schade zullen de benadeelde partijen daarom in de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Gevorderde materiële schade door ouders

Door de moeder van slachtoffer 1 en de ouders van slachtoffer 6 is vergoeding van (eigen) materiële schade gevorderd. Ten aanzien van de kosten voor het raadplegen van de huisarts of een specialist in verband met klachten die zouden zijn ontstaan na de bewezen verklaarde feiten, alsmede de daarmee samenhangende reiskosten, overweegt de rechtbank dat onvoldoende uit de onderbouwing is gebleken dat deze schadeposten in een rechtstreeks verband staan met de bewezen verklaarde feiten. Hetzelfde geldt voor de gevorderde schoonmaakwerkzaamheden in de woning, reiskosten voor het volgen van therapie en parkeerkosten vanwege een spoedopname in het ziekenhuis. Deze kosten kunnen dan ook niet als rechtstreekse schade worden aangemerkt. De benadeelde partijen zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Immateriële schade

De slachtoffers in de zaken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 hebben immateriële schade gevorderd. De ouders in de zaken 1 en 6 hebben schadevergoeding verzocht vanwege het bestaan van shockschade.

Wettelijk kader

Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106 BW – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.

Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).

Ontucht en aanranding

De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending in deze gevallen meebrengen dat de in dit verband door de benadeelden ondervonden nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen in de zaken 1, 2, 3, 5, 6 en 8 rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 1 bewezen verklaarde feit.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden, is welk bedrag passend is om toe te wijzen als vergoeding voor de geleden schade. Bij het vaststellen van de hoogte van de immateriële schade maakt de rechtbank gebruik van de per categorie genoemde bedragen in de Rotterdamse schaal. De rechtbank heeft voor het nadeel als gevolg van het ontucht aansluiting gezocht bij categorie 15.3 ‘aanranding’. Daarin is een bandbreedte van € 1.000,- tot € 6.500,- opgenomen. De rechtbank neemt verder de jonge leeftijd van de slachtoffers in aanmerking en de omstandigheden dat sprake is geweest van meerdere ontuchtige en seksuele handelingen. De rechtbank acht een bedrag van € 2.000,- per benadeelde partij billijk. De benadeelde partijen worden voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaard.

Heimelijk filmen en vervaardigen kinderpornografisch materiaal

Anders dan het geval is voor de hiervoor besproken ontuchtige handelingen en aanranding, is de rechtbank van oordeel dat wat betreft het heimelijk filmen een onderbouwing van de vordering nodig is op basis waarvan een aantasting in de persoon en daarbij behorende schade kan worden vastgesteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het filmen heimelijk is gebeurd, onduidelijk is hoeveel de slachtoffers van het maken van de opnames hebben gemerkt en wat de gevolgen daarvan voor hen zijn of zullen zijn.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke onderbouwing in de zaken 4, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17 en 18 ontbreekt. De rechtbank kan op basis van de gegeven onderbouwing niet vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon en schade als gevolg daarvan. De benadeelde partijen de gelegenheid geven om de geleden schade nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van dit strafproces op. De benadeelde partijen zullen daarom ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beoordelingskader shockschade

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is toekenning van zogenoemde shockschade mogelijk. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (i) het waarnemen van het ten laste gelegde, of (ii) door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.

Beoordeling van de vorderingen van de ouders

De moeder van slachtoffer 1 heeft gesteld dat zij als gevolg van de handelingen die de verdachte jegens haar dochter heeft begaan, psychische klachten heeft ontwikkeld en haar werkzaamheden in omvang heeft moeten verminderen.

De ouders van slachtoffer 6 hebben gesteld dat zij psychische klachten hebben ontwikkeld nadat zij door de politie werden geconfronteerd met het handelen van de verdachte jegens hun dochter. De vader is als gevolg daarvan uitgevallen op werk en de moeder stelt verlies van arbeidsvermogen te hebben geleden.

Naar het oordeel van de rechtbank komt de ouders van de slachtoffers geen vergoeding van shockschade toe. De rechtbank stelt vast dat in meerdere opzichten geen sprake is van een situatie als door de Hoge Raad in zijn jurisprudentie beschreven, hoe zeer overigens ook invoelbaar is dat de bewezen verklaarde feiten voor de ouders in emotioneel opzicht zeer belastend zijn.

De rechtbank zal de benadeelde partijen derhalve ter zake van de gevorderde immateriële niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Conclusie

Al het voorgaande betekent dat de rechtbank de volgende bedragen zal toewijzen.

Benadeelde partij

Materiële schade

Immateriële schade

Totaal

Zaak 1: [benadeelde 1]

€ 20,59

€ 2.000,-

€ 2.020,59

Zaak 1: [benadeelde 2]

-

-

-

Zaak 2: [benadeelde 3]

-

€ 2.000,-

€ 2.000,-

Zaak 3: [benadeelde 4]

-

€ 2.000,-

€ 2.000,-

Zaak 4: [benadeelde 5]

-

-

-

Zaak 5: [benadeelde 6]

-

€ 2.000,-

€ 2.000,-

Zaak 6: [benadeelde 7]

-

€ 2.000,-

€ 2.000,-

Zaak 6: [benadeelde 8]

-

-

-

Zaak 6: [benadeelde 9]

-

-

-

Zaak 7: [benadeelde 10]

-

-

-

Zaak 8: [benadeelde 11]

-

€ 2.000,-

€ 2.000,-

Zaak 11: [benadeelde 12]

-

-

-

Zaak 12: [benadeelde 13]

-

-

-

Zaak 13: [benadeelde 14]

-

-

-

Zaak 14: [benadeelde 15]

-

-

-

Zaak 15: [benadeelde 16]

-

-

-

Zaak 16: [benadeelde 17]

-

-

-

Zaak 17: [benadeelde 18]

-

-

-

Zaak 18: [benadeelde 19]

-

-

-

Wettelijke rente

De rechtbank zal de wettelijke rente voor iedere benadeelde partij toewijzen vanaf de datum waarop de (eerste) video-opname met de ten aanzien van die benadeelde partij onder feit 1 bewezen verklaarde handelingen is vervaardigd, aangezien de schade geacht wordt op dat moment te zijn ontstaan.

Proceskosten

Ten aanzien van de vorderingen van de slachtoffers die gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Met betrekking tot de overige vorderingen moeten de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die is toegebracht. De rechtbank zal de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel steeds opleggen ter hoogte van het toegewezen bedrag.

Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze betalingsverplichting worden aangevuld met het aantal dagen gijzeling dat blijkt uit het dictum van dit vonnis, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

BEM-clausule

De rechtbank zal bepalen dat de als gevolg van deze uitspraak door de verdachte te betalen schadevergoeding en rente daarover zullen worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de benadeelde partijen nu zij allen nog minderjarig zijn. De benadeelde partijen en hun wettelijke vertegenwoordigers kunnen slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen beschikken tot het moment waarop de benadeelde partijen de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt.

9
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 28, 31, 36 f, 37a, 37b, 57, 139f, 240b (oud), 247 (oud), 248 (oud), 249, 252, 253a en 254 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10
De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;

en

in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:

gekwalificeerde aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren, begaan jegens een kind in een situatie van afhankelijkheid, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 1 december 2019 tot en met 30 juni 2024:

afbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;

en

in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:

visuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;

ten aanzien van feit 3:

gebruik makend van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 4:

in de periode van 28 april 2009 tot en met 30 juni 2024:

afbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, in bezit hebben of zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe verschaft, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt;

en

in de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 juli 2025:

visuele weergaven van seksuele aard of met een onmiskenbaar seksuele strekking, waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden en aanbieden en verwerven en in bezit hebben en zich de toegang daartoe verschaffen, terwijl van het begaan van het feit een gewoonte wordt gemaakt;

ten aanzien van feit 5:

voorwerpen met een uiterlijke verschijningsvorm van een kind dat de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dat bestemd is om seksuele handelingen mee te verrichten, in bezit hebben;

ten aanzien van feit 6:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 (ZEVEN) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van elk beroep waarbij sprake is van direct contact, een gezagsverhouding of een afhankelijkheidsrelatie met minderjarigen, voor de duur van 10 (TIEN) JAREN;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade (reiskosten in het kader van een medische behandeling) en € 2.000,- aan immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten, niet betrekking hebbende op reiskosten in het kader van een medische behandeling, af;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.020,59, bestaande uit € 20,59 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 21 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [benadeelde 1] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2015) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 3] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 3] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 4] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 december 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 4] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 4] (geboren op [geboortedatum 6] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 6]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 6] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 6] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 6] (geboren op [geboortedatum 4] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 7]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 7] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde reis- en parkeerkosten af;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2022 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 7] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 7] (geboren op [geboortedatum 5] 2018) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 11]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 11] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-, zijnde immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 mei 2025

tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 11] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [benadeelde 11] (geboren op [geboortedatum 7] 2019) te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

de vorderingen van de overige benadeelde partijen

bepaalt dat de benadeelde partijen:

- [benadeelde 2] ;

- [benadeelde 5] ;

- [benadeelde 8] ;

- [benadeelde 9] ;

- [benadeelde 10] ;

- [benadeelde 12] ;

- [benadeelde 13] ;

- [benadeelde 14] ;

- [benadeelde 15] ;

- [benadeelde 16] ;

- [benadeelde 17] ;

- [benadeelde 18] ;

- [benadeelde 19] ;

niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

de inbeslaggenomen goederen

verstaat dat van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen afstand is gedaan door de verdachte en dat er geen beslag meer open staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J. van de Griend, voorzitter,

mr. S. Pereth, rechter,

mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. K.Z. Zeeman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 juli 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 8, p.7.

Voetnoot 2

Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 8, p.11.

Voetnoot 3

Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 8, p.10-11.

Voetnoot 4

Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 8, p.13.

Voetnoot 5

Kamerstukken II 2022/23, 36222, nr. 8, p.11.