[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],
verblijvende in de RJJI [locatie] te [plaats],
die bij vonnis van 22 oktober 2021 van de meervoudige kamer in deze rechtbank is
veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-
maatregel), onherroepelijk geworden op 6 november 2021. De maatregel is op 20 juni 2024 met 24 maanden verlengd. Deze beslissing is vernietigd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het Gerechtshof heeft de maatregel bij arrest van 31 oktober 2024 verlengd voor de duur van 12 maanden en vastgesteld dat de maatregel, behoudens verdere verlenging, voorwaardelijk zal eindigen op 12 juni 2025. Vervolgens is de maatregel op 30 juni 2025 met 24 maanden verlengd door deze rechtbank. Deze beslissing is op 11 december 2025 vernietigd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij de maatregel is verlengd met 12 maanden.
Procesverloop
De procesgang
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in deze zaak, waaronder:
- het op 29 april 2026 uitgebrachte advies, opgesteld door [naam 1], werkzaam als gedragswetenschapper bij RJJI [locatie], en [naam 2], werkzaam als pedagogisch directeur bij RJJI [locatie], om de PIJ-maatregel te verlengen met zes maanden en de daarbij overgelegde aantekeningen (het twaalfde perspectiefplan).
De rechtbank heeft op 15 juni 2026 de vordering in openbare raadkamer behandeld.
Verschenen en gehoord zijn:
de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R. Shahbazi;
de deskundige, [naam 1], als gedragswetenschapper verbonden aan RJJI [locatie].
Het advies
Uit het advies van 29 april 2026 en de toelichting van de deskundige ter zitting volgt dat de PIJ-maatregel moet worden verlengd met zes maanden. Het advies is als volgt gemotiveerd. De veroordeelde verblijft sinds september 2024 op de [zorginstelling]. Dit is een afdeling voor jongeren met chronische psychiatrische problematiek, waar sprake is van een gestructureerde omgeving met intensieve begeleiding en waar prikkels gedoseerd worden aangeboden. Gezien wordt dat de veroordeelde op deze afdeling een positieve ontwikkeling doormaakt: hij is niet meer agressief geweest richting medewerkers en er worden geen psychotische klachten meer gezien. In de afgelopen periode heeft de veroordeelde verschillende behandelingen afgerond en op basis daarvan is de DSM-classificatie van de veroordeelde aangepast. De actuele diagnose is: schizofrenie, een ongespecificeerde cannabis-gerelateerde stoornis en een ongespecificeerde psychotrauma- of stressor-gerelateerde stoornis. De veroordeelde kan zich niet vinden in de diagnose schizofrenie. Hij begrijpt waar de diagnose vandaan komt, maar geeft aan geen stemmen te horen of dingen te zien die er niet zijn. Positief is dat er wel overeenstemming is over de depotmedicatie en dat de veroordeelde die vrijwillig neemt. De veroordeelde wil zijn medicatie graag volledig afbouwen om te laten zien dat hij ook zonder medicatie stabiel is. Gelet op de problematiek van de veroordeelde bestaat echter het risico dat daarmee zijn psychiatrische kwetsbaarheid toeneemt en hij psychotisch ontregelt. In de komende periode moet daarom gezocht worden naar de juiste dosis. Verder heeft de veroordeelde toegegeven onlangs te hebben geblowd vanwege spanningen in zijn familie en vanwege de zitting. Nu het gebruik van cannabis zijn psychotische klachten kan triggeren, is het belangrijk het cannabisgebruik de komende periode te monitoren en eventueel een interventie in te zetten. Dit kan in de vorm van een aparte interventie of als onderdeel van de psychomotorische therapie (hierna: PMT), die de veroordeelde al volgt. Gedurende de PIJ-maatregel is de terugkeer naar [land] een belangrijk onderwerp van gesprek geweest. Met de veroordeelde is besproken wat er nodig is om het recidiverisico zodanig te verminderen dat een verantwoorde terugkeer naar [land] mogelijk is. Op dit moment wordt het recidiverisico binnen de huidige kaders laag/matig ingeschat. Als deze kaders wegvallen dan wordt het recidiverisico op hoog ingeschat. Voorgaande betekent dat in de komende periode wordt ingezet op het voortzetten van de behandelingen, namelijk PMT en de interventie ‘werken aan je toekomst’, het behalen van het havodiploma en de afbouw van de medicatie tot een optimale dosis. Daarnaast worden de mogelijkheden van verlof onderzocht. Er loopt daarvoor een aanvraag. Eventueel verlof is van belang voor de veroordeelde, zodat hij kan oefenen met verschillende prikkels en de wijze waarop de maatschappij is ingericht. Verlof is echter geen harde voorwaarde voor een terugkeer naar [land], aldus het advies.
De standpuntenDe officier van justitie heeft de vordering gehandhaafd. Uit het advies en wat ter zitting is besproken, volgt voldoende onderbouwd waarop de komende periode wordt ingezet. Daarbij gaat het om het voortzetten van de therapie, het halen van het havodiploma, het afbouwen van de medicatie en het eventuele verlof. Dit is allemaal nodig om het recidiverisico te verlagen en de veroordeelde op een verantwoorde wijze te kunnen laten terugkeren naar [land]. Daarbij is het ook belangrijk dat er aandacht is voor het cannabisgebruik van de veroordeelde, nu ter zitting is gebleken dat de veroordeelde onlangs een positieve urinecontrole heeft gehad.
De raadsvrouw van de veroordeelde heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek, nu alle betrokkenen het eens zijn over het doel van de verlenging van de PIJ-maatregel, namelijk de uiteindelijke terugkeer van de veroordeelde naar [land]. Dit betekent dat alles de komende periode gericht is op het creëren van een situatie waarin de veroordeelde op verantwoorde wijze kan terugkeren. De veroordeelde vindt het belangrijk dat hij de komende periode zijn behandeling kan voortzetten, zijn diploma kan halen, zijn medicatie kan afbouwen en kan oefenen met verlof. Verder spreekt de raadsvrouw de hoop uit dat dit alles binnen zes maanden gerealiseerd kan worden en dat de verdachte dan kan terugkeren naar [land]. Na contact met de Dienst Terugkeer en Vertrek blijkt dat alle praktische zaken binnen twee weken geregeld kunnen zijn, mede omdat de veroordeelde al een [land] paspoort heeft.
Overwegingen
De beoordeling
De PIJ-maatregel is opgelegd voor doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven
gericht en/of zware mishandeling. Dit zijn misdrijven, die gericht zijn tegen of gevaar
veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Het
recidiverisico wordt buiten de huidige kaders van de PIJ-maatregel nog steeds als hoog ingeschat. De maatregel kan daarom worden verlengd.
Gelet op het hiervoor genoemde advies, hetgeen op de zitting is besproken en artikel 6:6:31
van het Wetboek van Strafvordering, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van
anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en een zo gunstig
mogelijke verdere ontwikkeling van veroordeelde eisen dat de termijn van de PIJ-maatregel
wordt verlengd.
Uit het advies volgt dat het recidiverisico binnen de huidige kaders laag/matig wordt ingeschat en dat het risico hoog wordt ingeschat als het kader van de PIJ-maatregel zou wegvallen. De rechtbank is op basis van het advies van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde eisen dat de termijn van de PIJ-maatregel wordt verlengd.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is met welke termijn de PIJ-maatregel moet worden verlengd. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de stukken en wat op zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat de veroordeelde een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt: hij staat open voor behandeling, neemt zijn depotmedicatie vrijwillig en is bezig met het behalen van zijn havodiploma. Ook is de verdachte niet meer agressief geweest en laat hij geen psychotische klachten meer zien. De rechtbank complimenteert de veroordeelde met zijn houding, inzet en motivatie om deze ontwikkeling door te zetten. Tegelijkertijd ziet de rechtbank dat de positieve ontwikkeling pril is en dat er zorgen zijn over de wens van de veroordeelde om zijn medicatie af te bouwen en het cannabisgebruik. De rechtbank begrijpt dat de veroordeelde zijn medicatie zo veel mogelijk wil afbouwen, maar gezien de gestelde diagnose bestaat het risico dat de veroordeelde zonder medicatie psychotisch ontregelt. Het is dan ook belangrijk dat in de komende periode wordt toegewerkt naar een optimale dosis en dat wordt gemonitord hoe de veroordeelde daarop reageert. Ook is ter zitting gebleken dat de veroordeelde recent cannabis gebruikt heeft, hetgeen zijn psychotische klachten kan triggeren. De veroordeelde dient hierin verder te worden begeleid en ondersteund, eventueel door middel van een interventie. Het verblijf, de behandeling en de kaders van de JJI hebben een risico-verlagend effect en zijn op dit moment nodig om de situatie van de veroordeelde verder te stabiliseren. Hij heeft nog meer begeleiding en leerervaringen nodig om zijn gedrag te bestendigen en zich voor te bereiden op een terugkeer naar [land]. Verder staat de komende periode in het teken van het bewerkstelligen van een terugkeer naar [land]. Zo is de veroordeelde nog bezig met behandeling en met het behalen van zijn havodiploma. Ook worden de mogelijkheden van verlof onderzocht, zodat de veroordeelde kan oefenen met verschillende prikkels en met een gefaseerde terugkeer in de maatschappij. Voorgaande maakt dat de rechtbank de maatregel zal verlengen met zes maanden, zodat in de komende maanden aan voornoemde zaken gewerkt kan worden en de veroordeelde daarna op veilige en verantwoorde wijze kan terugkeren naar [land].
Gevolg gevend aan het bepaalde in artikel 6:6:31, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, geeft de rechtbank aan dat de maatregel, gelet op de ingangsdatum, de huidige expiratiedatum en de verlenging bij deze beslissing, behoudens verdere verlenging en andere onvoorziene omstandigheden, op 12 december 2026 voorwaardelijk zal eindigen en op 12 december 2027 onvoorwaardelijk zal eindigen.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verlengt de termijn van de PIJ-maatregel, zoals hierboven omschreven, met zes maanden.
Deze beslissing is gegeven te Den Haag door
mr. M.M. Meijers, kinderrechter, voorzitter,
mr. E.E. Schotte, kinderrechter,
en mr. M.S. Verboom, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Mulders, griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.