Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:21136

Op 29 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/016126-26 en 96/065301-24 (tul), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:21136. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/016126-26 en 96/065301-24 (tul)
Datum uitspraak:
29 July 2026
Datum publicatie:
29 July 2026

Indicatie

Veroordeling voor medeplegen van een poging tot doodslag en het openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en onder bijzondere voorwaarden. Gedeeltelijke toewijzing van de benadeelde partij van € 3.385, -.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/016126-26 en 96/065301-24 (tul)

Datum uitspraak: 29 juli 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1990 te [geboorteplaats] (Ethiopië),

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 28 april 2026 (pro forma) en 15 juli 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Noort en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. B. van Straaten naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] (meermalen en/of met kracht)

- in het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

- ( met geschoeide voet) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag/zat en/of

- met een riem in het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl die [slachtoffer 1] op de grond werd geduwd en/of gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 1]

(meermalen en/of met kracht)

- in het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

- ( met geschoeide voet) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag/zat, en/of

- met een riem in het gezicht en/of op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond werd geduwd en/of gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage op de Amsterdamse Veerkade, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 1] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het (meermalen en/of met kracht)

- slaan/stompen in het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] ,

- ( met geschoeide voet) trappen/schoppen in het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] , terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag/zat en/of

- met een riem slaan in het gezicht en/of op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] ,

terwijl die [slachtoffer 1] op de grond werd geduwd en/of gehouden;

2

hij op of omstreeks 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] (meermalen en/of met kracht)

- een kopstoot heeft gegeven,

- tegen de benen heeft getrapt,

- een bierfles, althans een (glazen) voorwerp, op de rug kapot heeft geslagen,

- in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de rug heeft geslagen/gestompt,

- een bierfles, althans een (glazen) voorwerp, op het hoofd kapot heeft geslagen en/of

- met een scherp en/of puntig voorwerp in de kin, althans het gezicht, heeft gestoken,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage in een café aan de Wagenstraat 177, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het (meermalen en/of met kracht)

- geven van een kopstoot aan die [slachtoffer 2] ,

- trappen/schoppen tegen de benen van die [slachtoffer 2] ,

- kapot slaan van een bierfles, althans een (glazen) voorwerp, op de rug van die [slachtoffer 2] ,

- slaan/stompen in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of tegen de rug van die [slachtoffer 2] ,

- kapot slaan van een bierfles, althans een (glazen) voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 2] en/of

- steken met een scherp en/of puntig voorwerp in de kin, althans het gezicht, van die [slachtoffer 2] .

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 primair tenlastegelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 1 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] )), aangezien er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het onder 1 subsidiair tenlastegelegde (medeplegen van poging tot zware mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Daarnaast heeft de raadsvrouw namens de verdachte vrijspraak bepleit van het onder 2 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag van [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] )), aangezien het steken met een voorwerp in de kin van [slachtoffer 2] niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Subsidiair, als de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het steken in de kin, is er volgens de verdediging geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] . De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het onder 2 subsidiair tenlastegelegde (openlijke geweldpleging) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Vrijspraak feit 2 primair tenlastegelegde

Om tot een bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) te komen, moet kunnen worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van de van de aangever [slachtoffer 2] .

Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer 2] .

Aan de orde is dan de vraag of de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 2] . Er is sprake van voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het gevolg – in dit geval: de dood van [slachtoffer 2] – zal intreden. Deze beoordeling is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Vast is komen te staan dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] verschillende geweldshandelingen heeft gepleegd tegenover [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft een kopstoot gekregen, is getrapt tegen zijn benen, er is een bierflesje kapotgeslagen op zijn rug, een bierflesje kapotgeslagen op zijn hoofd en hij heeft vuistslagen gekregen tegen zijn tegen zijn hoofd en rug. Ook is – gelet op de verklaring van [slachtoffer 2] en het letsel op zijn kin – vast komen te staan dat [slachtoffer 2] op het toilet met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn kin is gestoken.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer 2] . Het dossier bevat onvoldoende informatie op basis waarvan de rechtbank kan vaststellen met wat voor voorwerp en hoe diep (en dus met hoeveel kracht) er is gestoken in de kin van [slachtoffer 2] . Op grond van het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat door het steken in de kin een aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer 2] in het leven werd geroepen. Het overige tegen hem gepleegde geweld is naar het oordeel van de rechtbank (ook in onderling verband bezien) niet van dien aard, dat daarmee zonder meer kan worden aangenomen dat een dergelijke kans bestond. De rechtbank zal de verdachte daarom van het onder 2 primair tenlastegelegde (poging tot doodslag) vrijspreken.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

Hoewel ter zitting van de zijde van de verdediging vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank, behoudens wat betreft het steken in de kin van [slachtoffer 2] , volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft bij de politie en ter zitting bekend de hem verweten feitelijke handelingen te hebben gepleegd, behalve het genoemde steken. Voor het overige ziet de bepleite vrijspraak enkel op de juridische kwalificatie van de feiten. De juridische verweren zullen in aparte overwegingen worden opgenomen.

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1 en feit 2

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 15 juli 2026;

Ten aanzien van feit 1

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026016642, van de politie-eenheid Den Haag, district A, Centrum Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 160).

2. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , opgemaakt op 16 januari 2026 (p. 14 t/m 16);

3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 januari 2026 (p. 46 t/m 49);

4. Het geschrift, te weten verzoek medische informatie (p. 21);

5. De beeldopname van 16 januari 2026, genaamd ‘8136_Ams Veerkade_Wagenstraat 360-1’;

Ten aanzien van feit 2

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026016646, van de politie-eenheid Den Haag, district A, Centrum Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 160).

6. Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] , opgemaakt op 16 januari 2026 (p. 63 t/m 64);

Ten aanzien van het steken in de kin:

Toen ik in het toilet zat, ging de deur open. Ik zag dat er twee personen naar binnen kwamen. Door een van de personen kreeg ik klappen. Deze persoon heeft mij ook met iets gestoken in mijn kin.

Ik voel pijn aan mijn kin. Ik hoorde net van de dokter dat mijn kin gehecht moeten worden.

7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 januari 2026 (p. 101 t/m 105);

8. Het geschrift, te weten de foto van het letsel aan de kin, p. 71:

Ten aanzien van het steken in de kin:

Foto [bestandsnaam]

Omschrijving: Foto van het letsel van [slachtoffer 2] aan zijn kin.

9. De beeldopname van 16 januari 2026, genaamd ‘20260116_020034’.

3.5.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Op grond van de gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de nacht van 15 op 16 januari 2026 op de Amsterdamse Veerkade te Den Haag, samen met de medeverdachte [medeverdachte] , [slachtoffer 1] heeft aangevallen. De verdachte heeft [slachtoffer 1] vuistslagen gegeven en geschopt. De medeverdachte heeft [slachtoffer 1] meerdere keren met een riem en met de vuist geslagen. Alle geweldshandelingen waren vrijwel uitsluitend gericht tegen het gezicht en het hoofd van het slachtoffer.

De vragen die de rechtbank moet beantwoorden zijn of bij het geweld sprake is van medeplegen en hoe het geweld moet worden gekwalificeerd.

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, ligt het accent op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat sprake is van medeplegen kan niet in algemene zin worden beantwoord, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.

De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de medeverdachte samen achter het slachtoffer aan zijn gerend en dat zij gelijktijdig en elkaar afwisselend fors geweld hebben gebruikt tegen het slachtoffer. Er was sprake van een gezamenlijke uitvoering en van een gemeenschappelijk doel. Daaruit volgt dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Daarmee acht de rechtbank medeplegen van dit feit bewezen.

Juridische kwalificatie

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte en de medeverdachte uitgevoerde geweldshandelingen kwalificeren als poging tot doodslag. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag is vereist dat het opzet van de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke vorm, gericht was op de dood van het slachtoffer. Voorwaardelijke opzet op een bepaald gevolg, zoals hier op dodelijk letsel, is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij gekeken moet worden naar de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Daarbij zal het moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder de naar ervaringsregels aanmerkelijke kans dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

Het is de rechtbank niet gebleken dat de verdachte en de medeverdachte vol opzet hadden op de dood van het slachtoffer. De verdachte en de medeverdachte hebben door het toegepaste geweld echter wel de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood bij het slachtoffer aanvaard. Beiden hebben aanhoudend fors geweld toegepast dat gericht was op het hoofd van het slachtoffer, terwijl het slachtoffer op de grond lag. Dit geweld ging door toen het slachtoffer zichzelf niet meer goed kon verweren. Het slachtoffer is meerder keren tegen het hoofd geschopt en is zelfs op zijn hoofd gestampt, door de knie op te trekken en de voet met kracht neer te laten komen op het hoofd van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat het hoofd een bijzonder kwetsbaar gedeelte van het lichaam is. Naar algemene ervaringsregels kan het meermaals met kracht schoppen tegen het hoofd leiden tot de dood van het slachtoffer, omdat dit hersenletsel met dodelijke afloop tot gevolg kan hebben. Dit geldt des te meer als deze schoppen worden afgewisseld met vuistslagen of slagen met voorwerpen.

Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de kans op de dood van de aangever als gevolg van de geweldshandelingen aanmerkelijk is geweest. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de dood van de aangever gericht dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat de verdachte op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever heeft gehad.

De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot doodslag daarom wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Het steken in de kin

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte en de medeverdachte tijdens het plegen van openlijk geweld jegens het slachtoffer [slachtoffer 2] met een scherp of puntig voorwerp in zijn kin hebben gestoken. [slachtoffer 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat twee mannen hem belaagden toen hij zich had teruggetrokken op het toilet en dat hij daardoor letsel aan zijn kin heeft opgelopen. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de verdachte en de medeverdachte het toilet zijn ingegaan waar het slachtoffer zich op dat moment bevond en dat daar geweldshandelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 2] over hoe en wanneer hij het letsel aan zijn kin heeft opgelopen.

3.6.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] (meermalen en/of met kracht)

- in het gezicht en op/tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt,

- ( met geschoeide voet) in het gezicht en op/tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag/zat en

- met een riem in het gezicht en op/tegen het hoofd heeft geslagen,

terwijl die [slachtoffer 1] op de grond werd geduwd en/of gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2

hij op 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage in een café aan de Wagenstraat 177, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het (meermalen en/of met kracht)

- geven van een kopstoot aan die [slachtoffer 2] ,

- trappen tegen de benen van die [slachtoffer 2] ,

- kapot slaan van een bierfles, althans een (glazen) voorwerp, op de rug van die [slachtoffer 2] ,

- slaan tegen het hoofd en tegen de rug van die [slachtoffer 2] ,

- kapot slaan van een bierfles, althans een (glazen) voorwerp, op het hoofd van die [slachtoffer 2] en

- steken met een scherp en/of puntig voorwerp in de kin van die [slachtoffer 2] .

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een deels voorwaardelijke taakstraf met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft samen met de medeverdachte [medeverdachte] tweemaal in dezelfde nacht fors en zinloos geweld gebruikt. Beiden hebben [slachtoffer 1] – terwijl hij op de grond werd gehouden – meermalen vuistslagen en trappen tegen zijn hoofd gegeven en hem veelvuldig geslagen met een riem. Dat [slachtoffer 1] geen ernstiger letsel aan het geweld heeft overgehouden, is niet aan de verdachten te danken. Nadat de verdachte en de medeverdachte [slachtoffer 1] achter hadden gelaten op straat, zijn zij naar een restaurant om de hoek gelopen. Vervolgens hebben zij zich in het restaurant schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer 2] . De verdachte en de medeverdachte hebben [slachtoffer 2] een kopstoot gegeven, getrapt tegen zijn benen, een bierfles kapotgeslagen op zijn rug, een bierfles kapotgeslagen op zijn hoofd en hem gestoken met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn kin. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] ter terechtzitting blijkt dat hij verschillende letsels heeft opgelopen, namelijk een hoofdwond, een wond aan zijn kin en een breuk in zijn rechterhand. [slachtoffer 2] durft sinds het incident niet meer alleen naar buiten te gaan en ervaart angstgevoelens.

De verdachten heeft met zijn handelen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht het bijzonder ernstig dat de verdachte bij herhaling en kennelijk zonder duidelijk aanleiding, dergelijk schokkend, grof en niets ontziend geweld heeft gebruikt jegens personen die daarop niet bedacht waren. De verdachte heeft bovendien de feiten gepleegd in het openbaar, namelijk op straat en in een restaurant, waardoor omstanders ongewild getuige zijn geweest van de geweldshandelingen. Dergelijke feiten brengen gevoelens van angst en onveiligheid teweeg bij de omstanders en in de samenleving in het algemeen. De verdachte verkeerde tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol, in dusdanige mate dat hij zich (naar eigen zeggen) grote delen van het incident niet meer kan herinneren. De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 30 maart 2026. De verdachte is in 2024 veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol. De verdachte is niet eerder veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclasseringsadvies

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 9 april 2026, waaruit volgt dat sprake is van een gemiddeld recidiverisico. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, gedragsinterventie middelengebruik en medewerking aan beheersing van middelengebruik.

De op te leggen straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en zal daaraan verbinden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en daarnaast contactverboden met de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opleggen, om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. Alles afwegende acht de rechtbank passend en geboden een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7
De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 17.260, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 385,- aan materiële schade (eigen risico) en € 16.875, - aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij fors te matigen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post eigen risico over 2026 (€ 385, -), is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een overzicht van de zorgkosten van 2026. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 385, -.

Immateriële schade

Op grond van het strafdossier en de toelichting op de vordering van de benadeelde partij is komen vast te staan dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft schadevergoeding gevorderd voor littekenvorming in zijn kin en een breuk in zijn rechterhand. De rechtbank zal geen schadevergoeding toewijzen voor het litteken, aangezien deze schadepost in zoverre onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal wel schadevergoeding toekennen voor de breuk in de rechterhand van [slachtoffer 2] . Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000, -. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, waarin voor licht letsel met een herstelperiode van ongeveer vier tot zes maanden een bandbreedte staat vermeld van € 1.450, - tot € 2.675, -. De rechtbank is uitgegaan van de bovenzijde van de bandbreedte en heeft conform de “Aanbevelingen voor de begroting van het smartengeld op basis van art. 6:106 BW” (aanbeveling nr. 3), het bedrag verhoogd met een percentage dat ligt tussen de 10 en 25 procent omdat sprake is geweest van opzet op het toebrengen van lichamelijk letsel. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat met de overgelegde stukken niet voldoende is onderbouwd dat de geestelijke klachten waarvoor [slachtoffer 2] wordt behandeld het gevolg zijn van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.385, -, bestaande uit € 385, - aan materiële schade en € 3.000, - aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 16 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.385, -, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] .

8
De vordering tot tenuitvoerlegging
8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 17 maart 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 96/065301-24 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 11 juli 2024 voorwaardelijke opgelegde straf van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 163 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dient te worden, aangezien de ten laste gelegde feiten andersoortige feiten zijn dan op 11 juli 2024 en toewijzing van de vordering daarom niet opportuun is.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie – van oordeel dat de vordering van de officier van justitie van 17 maart 2026, strekkende tot tenuitvoerlegging van de door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 11 juli 2024 (parketnummer 96/065301-24) voorwaardelijke opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, dient te worden afgewezen. De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf niet opportuun.

9
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 45, 47, 57, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10
De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en onder 2 subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

medeplegen van een poging tot doodslag;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Fivoor op het adres Westerstraat 5-9 Rotterdam op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht. De veroordeelde meldt zich binnen vijf dagen nadat de proeftijd is ingegaan voor de eerste afspraak;

- binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie Leefstijl 24/7/Alcohol & Geweld van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op

verslaving/middelengebruik, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik

en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol. Deze controles kunnen bestaan uit

urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1975 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1987, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.385, - en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

de schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 2] ;

legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.385, -, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 33 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 11 juli 2024 ten aanzien van parketnummer 96/065301-24 voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.M. de Groes, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. M.R. Aaron, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson en A.E. van Gent, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 juli 2026.