3.4.1
Dagvaarding I
Het ongeval
Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte was op 13 april 2024 als bestuurder van een fatbike betrokken bij een verkeersongeval aan de Willem de Zwijgerlaan in Leiden, waarbij hij in botsing kwam met het 73-jarige slachtoffer ( [slachtoffer] ). Zowel de verdachte als het slachtoffer kwamen als gevolg van deze botsing ten val. Het slachtoffer liep hierbij een verbrijzelde schouder op.
De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de verdachte schuld heeft, en zo ja in welke mate, aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Hierbij overweegt de rechtbank het volgende.
Schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW?
Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is vereist dat vast komt te staan dat de verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt. Of sprake is van schuld en de mate van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat sprake is van schuld kan niet zonder meer uit de ernst van de gevolgen van een ongeval worden afgeleid. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De Hoge Raad heeft overwogen dat niet in zijn algemeenheid kan worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
De rechtbank overweegt dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte op het moment van de aanrijding een mobiele telefoon in zijn hand had. Daarnaast reed hij niet volledig rechts op zijn helft van het fietspad. De verdachte heeft onvoldoende aandacht voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse gehad. Dit leidde tot een botsing tussen de verdachte en het slachtoffer, waarbij beiden ten val kwamen. De rechtbank heeft geen aanleiding om, zoals aangevoerd door de verdediging, te twijfelen aan de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , aangezien zij achter het slachtoffer fietsten en daarmee een goed overzicht hadden over de situatie voor, tijdens en na het verkeersongeval. De getuigen zijn toevallige voorbijgangers en hebben geen band met de verdachte of het slachtoffer. De verklaringen van deze getuigen komen overeen met de verklaring van het slachtoffer. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook gebruiken voor het bewijs.
De rechtbank vindt de verklaring van de verdachte dat hij alleen heel kort op zijn telefoon heeft gekeken om de tijd te kunnen zien, en dat hij zijn telefoon (ruim) voordat hij de bocht door kwam richting de plaats van de aanrijding, weer in zijn zak had, niet aannemelijk, gelet op de (eensluidende) verklaringen van de getuigen en het slachtoffer dat zij de verdachte met een telefoon in zijn hand hebben gezien, en de situatie ter plaatse die het voor de getuigen onmogelijk maakt een tegemoetkomende fietser (zoals de verdachte) te zien voordat deze de bocht uitkomt.
De gedragingen van de verdachte, in samenhang bezien, zijn naar hun aard en ernst zodanig dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Door het gebruik van zijn telefoon en het niet juist positioneren op het fietspad, juist op het moment dat hij een bocht moest nemen, heeft de verdachte een te groot risico genomen, wat heeft geleid tot het verkeersongeval. De rechtbank acht daarom bewezen dat het ongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. Voor de tenlastegelegde roekeloosheid ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten in het dossier, zodat verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.
Zwaar lichamelijk letsel
Bij de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, zijn van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Het slachtoffer heeft bij het verkeersongeval een verbrijzelde schouder opgelopen, waarvoor een operatie noodzakelijk was waarbij een prothese is geplaatst en de te verwachten herstelduur is langdurig. Dit letsel kwalificeert de rechtbank in het licht van de hiervoor genoemde maatstaf als zwaar lichamelijk letsel.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte veroorzaakte verkeersongeval, waarbij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, aan de schuld van de verdachte is te wijten. Het primair ten laste gelegde feit is daarom wettig en overtuigend bewezen.
3.4.2
Dagvaarding II
De verdediging heeft betoogd dat bij de verdachte geen sprake was van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij het meenemen van de fiets, hij dacht dat de fiets van niemand was. Volgens de verdediging is hierdoor geen sprake van diefstal en moet de verdachte worden vrijgesproken.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt het volgende. Uit de aangifte en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting blijkt dat de verdachte de fiets van de aangever heeft weggenomen, terwijl deze voor diens woning stond. Dit vormt een aanwijzing dat de fiets toebehoorde aan een ander. Volgens vaste jurisprudentie heeft de verdachte zich door deze handeling de feitelijke heerschappij over de fiets verschaft. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.