Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:31

Op 6 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/247186-25 en 09/233535-25 (ttz. gev.), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:31. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/247186-25 en 09/233535-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak:
6 January 2026
Datum publicatie:
5 January 2026

Indicatie

Dodelijk verkeersongeval, overtreding artikel 6 Wvw en mishandeling. Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan een minderjarige fietser is komen te overlijden. Verdachte heeft de maximumsnelheid overschreden, rood licht genegeerd en rechts inhalend over een busbaan gereden. Roekeloosheid. Verdachte ook schuldig aan mishandeling. Geen toepassing jeugdstrafrecht. Gevangenisstraf 48 maanden, 12 maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaren en bijzondere voorwaarden, alsmede ontzegging rijbevoegdheid 5 jaren.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/247186-25 en 09/233535-25 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 6 januari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres 1], [postcode] [woonplaats],

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie].

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 12 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 23 december 2025 (sluiting onderzoek ter terechtzitting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I.G.M. Oostrom en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.B.M. Nohl naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I, parketnummer 09/247186-25

hij, op of omstreeks 19 september 2025 te Leiden, althans in Nederland, als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmee rijdende over de weg, de Lammenschansweg, zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

te handelen als volgt:

- verdachte heeft al rijdend op voornoemde weg met een snelheid van/tot (ongeveer) 98 kilometer per uur, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 50 kilometer per uur, althans met een veel hogere snelheid dan voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was, de kruising met het Betaplein genaderd,

- heeft (daarbij) over de busbaan gereden,

- heeft via deze busbaan andere voertuigen rechts ingehaald,

- heeft (vervolgens) geen gevolg gegeven aan het (reeds minimaal 12 seconden voor die busbaan en/of reeds minimaal 10,6 seconden voor de naastgelegen hoofdrijbaan) rood licht uitstralende verkeerslicht,

- heeft niet tijdig gemerkt dat een voor hem van links komende fietser voornoemde

kruising was genaderd en/of opgereden,

- heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon

brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze

vrij was en/of

- heeft voornoemde fietser geen voorrang verleend,

- ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde voertuig (met een snelheid

van ongeveer 92 kilometer per uur) in botsing/aanrijding met voornoemde fietser is

gekomen, waardoor een ander, te weten [slachtoffer], werd gedood.

Dagvaarding II, parketnummer 09/233535-25

hij op of omstreeks 4 september 2025 te Leiden [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] een of meer (vuist)slag(en) op het hoofd te geven, althans op het lichaam.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I ten laste gelegde in de schuldcategorie roekeloosheid en van het bij dagvaarding II ten laste gelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot het bij dagvaarding I ten laste gelegde bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de schuldcategorie roekeloosheid. Ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om aangever lichamelijk letsel toe te brengen.

Beroep op noodweer

Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat aan de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanval van aangever in redelijkheid kan worden beschouwd als zodanig bedreigend voor de verdachte, dat dit kan worden aangemerkt als een (dreigende) ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding in die zin van artikel 41 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Dagvaarding I

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025318059, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling infrastructuur, team verkeer, met bijlagen (digitaal doorgenummerd pagina 1 t/m 242).

1. Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf verkeersongeval dodelijke afloop (inclusief bijlage), opgemaakt op 21 september 2025, voor zover inhoudende (p. 17-24):

Locatie ongeval Datum/tijd : 19 september 2025 om 13:37 uurAdres : Lammenschansweg ter hoogte van oversteekplaats fietsers Betaplein Plaats : Leiden

Soort weg : een voor het openbaar verkeerde openstaande weg

Bebouwde kom : Binnen

Voorrangsregeling : Oversteekplaats geregeld middels werkende verkeerslichten

Lichtgesteldheid : Daglicht

Weergesteldheid : Droog

Toestand wegdek : Droog

Wegsituatie : KruisingMaximum snelheid : 50 km per uur

Toedracht De Lammenschansweg is een tweebaans weg te Leiden welke zijn gescheiden door een groenstrook. De rijbaan bestaat aan de zijde van het verkeersongeval uit 2 rijstroken.1 rijstrook voor het reguliere gemotoriseerde verkeer, (rijstrook 1)1 rijstrook als zogenaamde doelgroepenstrook. (rijstrook 2)

1: Bestuurder personenauto, aangehouden verdachte [verdachte].2: Bestuurder fiets, overledene [slachtoffer]

1 reed over de Lammerschansweg, over de doelgroepenrijstrook, (BUSBAAN) kudrv Leiden stad en gidrv N206.2 reed op de oversteekplaats voor fietsers, kudrv het Betaplein en kruisende de Lammenschansweg en was voornemens over te steken. Ter hoogte van de genoemde fietsoversteekplaats wordt de fietser door de PA aangereden met dodelijke afloop voor de fietser.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1], opgemaakt op 19 september 2025, voor zover inhoudende (p. 32-34):

Ik ben getuige van de aanrijding op de Lammenschansweg te Leiden, ter hoogte van fietsoversteekplaats Betaplein. Op 19 september 2025 stond ik als derde auto voor het rode stoplicht te wachten op de genoemde locatie. Ik zag vanuit mijn rechter buitenspiegel dat er een auto met een voor mij ogende noodgang over de busbaan reed. Ik zag vervolgens door de voorruit van mijn auto dat er vanaf het Betaplein een fietser aan kwam rijden. Ik zag dat de bestuurder van de auto die over de busbaan reed de fietser vol schepte. Ik zag dat dit was ter hoogte van de busbaan en de kruising met het fietspad.

3. Het geschrift, te weten een door [naam], zijnde een ambtenaar van de burgerlijke stand Leiden, voor zover inhoudende (p. 221):

OVERLEDENE

Geslachtsnaam: [geslachtsnaam]Voornamen: [voornaam 1]

Dag van overlijden: 19 september 2025

Plaats van overlijden: Leiden

4. Het verkort proces-verbaal analyse VRI data (inclusief bijlagen), opgemaakt op 3 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 173-220):

Gelet op het PD-onderzoek, de verklaringen en de analyse, waren er geen aanwijzingen dat de verkeersregelinstallatie niet naar behoren had gewerkt ten tijde van het ongeval. Alle lampen van de relevante verkeerslantaarns functioneerden naar behoren en waren goed zichtbaar voor de bij het ongeval betrokken bestuurders.

De bestuurder van de Audi reed over de busbaan, die bestemd is voor het doorgaande busverkeer van de Lammenschansweg, het kruispunt op van de Lammenschansweg met het Betaplein te Leiden. De bestuurder van de Audi was hierbij komende uit de richting van het centrum van Leiden.

Uit de analyse van het faselog bleek dat de bestuurder van de Audi op vrijdag 19 september 2025, omstreeks, 13:35:44.0 uur, de stopstreep van de busbaan was gepasseerd, terwijl het verkeerslicht (negenoog) ten behoeve van het busverkeer minimaal 12 seconden roodlicht uitstraalden. Het verkeerslicht ten behoeve van de naastgelegen hoofdrijbaan (richting 11) straalde op dat moment minimaal 10,6 seconden roodlicht uit.

Voorafgaand aan het verkeersongeval naderde de bestuurder van de Audi het kruispunt over de busbaan met een gemiddelde indicatieve snelheid tussen de 84 km/h en 95 km/h.

De bestuurder van de fiets reed via de gekanaliseerde fiets/bromfietsoversteekplaats het kruispunt op van de Lammenschansweg met het Betaplein te Leiden. De bestuurder van de fiets was hierbij komende uit de richting van [schoolnaam].

Uit de analyse van het faselog bleek dat de bestuurder van de fiets op vrijdag 19 september 2025, omstreeks, 13:35:38.6 uur, de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten op dat moment minimaal 3,5 seconden groenlicht uitstraalden.

5. Het proces-verbaal FO Automotive (inclusief bijlagen), opgemaakt op 10 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 222-228):

Uit onderzoek is gebleken dat de Audi 5 seconden voor het Event(triggermoment) een snelheid van 42 km/h registreert. Hierbij is te zien dat het gaspedaal 100 % wordt ingedrukt en dat de snelheid tot 0,5 seconden voor het Event(triggermoment) oploopt tot 98 km/h, waarbij het gaspedaal constant 100% wordt bediend. Op het Event(triggermoment) zelf wordt er een remming geregistreerd en wordt er 0% gaspedaal bediening geregistreerd. De snelheid die hierbij geregistreerd wordt is 92 km/h.

Dagvaarding II

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025300343, van de politie eenheid Den Haag, District Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 48).

1. Het proces-verbaal van aangifte (inclusief bijlagen), opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 7-11):

Pleegdatum : 4 september 2025

Aangever

Voornamen : [aangever]

Achternaam : [aangever]

Ik was aan het werk bij [restaurant] aan de [adres 2] te Leiden. Er zat 4 man in een auto die kwam aanrijden. Een Audi. Ik zag dat ze tegen een fiets aanreden die geparkeerd stond. De eigenaresse van de fiets stond er naast. Ik liep naar buiten omdat ik zag dat de bestuurder uit de auto stapte en erg opvliegerig en intimiderend tegen de dame was. Ik zag dat de jongen haar vastpakte, hij stond heel dichtbij. Ik pakte de jongen vast en trok hem naar achteren omdat hij de dame intimideerde. De jongen draaide zich om en gaf mij een klap in mijn gezicht met zijn vuist. Ik heb pijn aan mijn rechteroog. Er zit een flinke snee en het voelt pijnlijk. Ook mijn bril is scheef en krom.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 2], opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 12-14):

Op 4 september was ik in Leiden. Ik zag namelijk dat jongen 1 [aangever] in zijn gezicht sloeg met de vuist, ter hoogte van zijn bril. Ik zag dat er direct een rode vloeistof over [aangever] zijn gezicht stroomde. Direct nadat [aangever] opstond, zag ik dat jongen 1 wederom met kracht en opzettelijk zijn gebalde vuist in de richting van [aangever] bewoog.

3. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 28-31):

Op 4 september 2025 bevond ik, verbalisant, mij in Leiden. Ter plaatse trof ik, verbalisant, voor [restaurant] twee jongens en een vrouw aan. De jongens bleken te zijn: [verdachte]. Ik zag vervolgens de man van [restaurant] in

de deuropening van de pizzeria staan. Ik zag dat de man meerdere verwonden had rondom zijn rechteroog. Op 4 september 2025 hield ik, verbalisant, op de [adres 2] in Leiden [verdachte] aan op verdenking van mishandeling. Tijdens het aanleggen van de transportboeien zag ik dat [verdachte] bloed had op zijn rechterhand.

3.4.

Bewijsoverwegingen

Dagvaarding I

Feitelijke toedracht

Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte reed, als bestuurder van een personenauto, een Audi (hierna: Audi), op de Lammenschansweg te Leiden. De Lammenschansweg is een tweebaansweg, die bestaat uit een rijstrook voor het reguliere gemotoriseerde verkeer en een busbaan. Op de rijstrook voor het reguliere gemotoriseerde verkeer stonden drie auto’s voor het rode stoplicht stil. De verdachte is met een snelheid die opliep tot 98 kilometer per uur (hierna: km/u) met de Audi rechts over de rijstrook die bedoeld is voor het busverkeer, om het stilstaande verkeer heen gereden. Vervolgens is de verdachte met de Audi door het voor hem rood uitstralende verkeerslicht gereden en is hij ter hoogte van de fietsoversteekplaats in botsing gekomen met het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), die met zijn fiets komende uit de richting van het Betaplein en kruisende de Lammenschansweg, bezig was over te steken. [slachtoffer] is ter plaatse overleden. Uit de gegevens van de airbagmodule leidt de rechtbank af dat de verdachte op het moment van de botsing met een snelheid van 92 km/u reed, op een plek waar maximaal 50 km/u was toegestaan.

Causaliteit

Aan de verdachte is overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet (hierna: WVW) ten laste gelegd. Op grond van dit artikel, voor zover hier van belang, is het eenieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood. Dit betekent dat, om tot een bewezenverklaring op grond van artikel 6 WVW te kunnen komen, er een tweeledig causaal verband moet worden vastgesteld: ten eerste dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van de gedragingen van de verdachte en (in dit geval) ten tweede dat als gevolg van dat ongeval een ander is gedood.

Wat betreft het causale verband tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals de rechtbank hierboven reeds heeft vastgesteld, heeft de verdachte de toegestane maximumsnelheid met meer dan 40km/u overschreden en heeft hij een rood uitstralend verkeerslicht genegeerd. Dit terwijl hij een kruispunt met fietsoversteekplaats naderde. Richting dit kruispunt reed de verdachte over de busbaan langs de voor het verkeerslicht stilstaande auto’s op de linker rijbaan. Door deze auto’s van rechts in te halen, was zijn zicht op de fietsers op fietsoversteekplaats belemmerd. De verdachte heeft met een voor de situatie ter plaatse veel te hoge snelheid over de busbaan gereden en heeft daardoor de op zijn fiets overstekende [slachtoffer] niet tijdig opgemerkt en/of niet tijdig kunnen remmen, waardoor hij op volle snelheid met [slachtoffer] in botsing is gekomen. [slachtoffer] zelf had op het moment van het oprijden van het kruispunt groen licht. Al met al is het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het ongeval daarmee evident aanwezig.

Dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van hem door het ongeval opgelopen verwondingen lijdt evenmin enige twijfel.

Aan zijn schuld te wijten

In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld. De officier van justitie heeft (ook) die zwaarste schuldvorm ten laste gelegd en de rechtbank zal dus moeten beoordelen of daarvan sprake is.

Roekeloosheid

Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW kan worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt deze bepaling zo dat zij dient te beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5al lid 1 WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid.

Artikel 5a WVW

De rechtbank moet beoordelen of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.

a. a) De verkeersregels

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte de maximumsnelheid heeft overschreden, door rood licht heeft gereden en aan [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend. Deze gedragingen zijn in artikel 5a lid 1 WVW (hierna: artikel 5a WVW) uitdrukkelijk benoemd als voorbeelden van het schenden van de verkeersregels. Tevens heeft de verdachte, rijdende over een busbaan, andere weggebruikers rechts ingehaald. Deze gedragingen zijn niet expliciet benoemd in artikel 5a WVW, maar schaart de rechtbank onder het ‘overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd’. De verdachte heeft dus de verkeersregels geschonden, als bedoeld in dat artikel.

b) In ernstige mate

Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen.

De verdachte heeft de op de Lammenschansweg geldende maximumsnelheid in ernstige mate overschreden. Terwijl de verdachte met snelheden oplopend tot 98 km/u reed, heeft hij het voor het rood licht uitstralende wachtende verkeer rechts via een busbaan, vlak voor een oversteekplaats voor fietsers, ingehaald en is hij door het voor hem rood uitstralende verkeerslicht gereden. Dat op zich maakt naar het oordeel van de rechtbank al dat er sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Daar komt dan nog bij dat er omstandigheden waren die aanleiding gaven tot extra oplettendheid en voorzichtigheid. Het ongeval vond plaats op vrijdagmiddag rond 13.35 uur, vlakbij [schoolnaam], van waaruit leerlingen op verschillende tijdstippen van en naar school gingen. De fietsoversteekplaats waar het ongeval plaatsvond vormt de verbinding tussen [schoolnaam] en de Lammenschansweg. Een en ander moet bij de verdachte ook bekend zijn geweest nu hij zelf [schoolnaam] bezocht. Kortom, onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank eens te meer sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.

c) Opzettelijk

Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.

De rechtbank is van oordeel dat het rijden met een veel te hoge snelheid niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. De verdachte is degene die het gaspedaal van zijn auto fors heeft ingetrapt en die de hoge snelheden in zijn auto bereikt heeft. Ook voor het door rood rijden geldt dat de verdachte dit opzettelijk moet hebben gedaan. Het verkeerslicht straalde immers al minimaal 12 seconden rood licht uit ten behoeve van de busbaan en al 10,6 seconden ten behoeve van de naastgelegen hoofdrijbaan. De verklaring van de verdachte dat hij meende dat hij door oranje reed, acht de rechtbank om die reden en gelet op het feit dat de verdachte drie voor het rode licht wachtende auto’s over de busbaan heeft ingehaald, volstrekt onaannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hierboven vermelde gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.

d) Gevaar te duchten

Het is zonder meer voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het veel te hard, rechts inhalend over een busbaan, door rood rijden zoals de verdachte dat heeft gedaan. In dit geval heeft dat gevaar zich ook verwezenlijkt, er heeft immers een dodelijke aanrijding met een kwetsbare fietser plaatsgevonden.

Dit alles betekent dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval, namelijk roekeloosheid.

Conclusie

De rechtbank acht het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Dagvaarding II

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. De aangever heeft verklaard dat hij op 4 september 2025 door de verdachte met een vuist in het gezicht is geslagen. Hierdoor heeft de aangever een flinke snee onder zijn rechteroog opgelopen. De getuige [getuige 2] heeft gezien dat de aangever met vuisten in het gezicht is geslagen. De verbalisant die, naar aanleiding van de melding van de mishandeling ter plaatse is gegaan, zag dat de aangever meerdere verwondingen had rondom zijn rechteroog en dat letsel past bij de verklaring van de aangever. De raadsvrouw heeft betoogd dat zij de verklaringen van de aangever en de getuige [getuige 2] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar acht, omdat deze de nodige discrepanties zouden bevatten. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding gevonden om te twijfelen aan de verklaringen van de aangever en de getuige [getuige 2]. Dat de getuige [getuige 2] spreekt van meerdere vuistslagen en de aangever het heeft over “een” vuistslag, maakt dit niet anders. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs en is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte [aangever] heeft mishandeld.

Verwerping van het beroep op noodweer

Voor een geslaagd beroep op noodweer is, ingevolge artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet dan echter een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan: de enkele vrees is onvoldoende.

Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, dan moet de rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd, aannemelijk is geworden.

Door en namens de verdachte is aangevoerd dat de verdachte door aangever zou zijn vastgehouden en dat aangever een hand in een open houding vlak bij de schouder van de verdachte zou hebben gehouden waardoor de verdachte dacht dat hij zich moest verdedigen tegen aankomende slagen van aangever. De rechtbank overweegt dat die lezing van de gebeurtenissen zijn weerlegging vindt in de volgende aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. De verdachte is op straat in conflict geraakt met een vrouw en heeft haar daarbij vastgepakt, althans dreigend benaderd. Toen de aangever dat zag, heeft hij de verdachte weg van de vrouw en naar achteren getrokken. Vervolgens heeft de verdachte zich omgedraaid en aangever een vuistslag in zijn gezicht gegeven. Daarmee is de feitelijke toedracht van de door de verdachte gestelde noodweersituatie niet aannemelijk geworden.

Het verweer wordt verworpen.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Dagvaarding I

hij, op 19 september 2025 te Leiden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Lammenschansweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te handelen als volgt:

- verdachte heeft al rijdend op voornoemde weg met een snelheid van/tot (ongeveer) 98 kilometer per uur, de kruising met het Betaplein genaderd,

- heeft (daarbij) over de busbaan gereden,

- heeft via deze busbaan andere voertuigen rechts ingehaald,

- heeft (vervolgens) geen gevolg gegeven aan het (reeds minimaal 12 seconden voor die busbaan en reeds minimaal 10,6 seconden voor de naastgelegen hoofdrijbaan) rood licht uitstralende verkeerslicht,

- heeft niet tijdig gemerkt dat een voor hem van links komende fietser voornoemde kruising was genaderd en opgereden,

- heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

- heeft voornoemde fietser geen voorrang verleend,

- ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde voertuig (met een snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur) in botsing/aanrijding met voornoemde fietser is gekomen,

waardoor [slachtoffer], werd gedood.

Dagvaarding II

hij op 4 september 2025 te Leiden, [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] vuistslagen op het hoofd te geven.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van vijf jaar gevorderd.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht het adolescentenstrafrecht toe te passen en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen met eventueel daarnaast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, een forse taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen. Ook heeft de raadsvrouw verzocht de voorlopige hechtenis op te heffen, omdat artikel 67a, lid 3 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan de orde is.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden hoofdstraf en bijkomende straf zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan de minderjarige [slachtoffer] is komen te overlijden. De verdachte heeft met een veel te hoge snelheid, oplopend tot 98 km/u waar een maximumsnelheid van 50 km/u gold, het voor het roodlicht uitstralende wachtende verkeer rechts via een busbaan, vlak voor een oversteekplaats voor fietsers, ingehaald, is door het voor hem rood uitstralende verkeerslicht gereden en heeft de op de fiets overstekende [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] is als gevolg van het daarbij opgelopen letsel ter plekke overleden.

[slachtoffer] stond aan het begin van zijn volwassen leven en was net begonnen met de lerarenopleiding Geschiedenis aan de Hogeschool in Utrecht. De onomkeerbare gevolgen van het ongeval hebben eerst en vooral zijn directe nabestaanden, maar zeker ook vele anderen in zijn omgeving en ook de samenleving als geheel ernstig geschokt. Voor zijn dierbaren zijn het leed en het gemis door zijn overlijden enorm, zoals ook indringend is gebleken uit de slachtofferverklaringen die door beide ouders van [slachtoffer] op de zitting zijn voorgelezen.

Door zijn roekeloze rijgedrag heeft de verdachte als automobilist onaanvaardbare risico’s genomen voor de verkeersveiligheid en zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker ernstig veronachtzaamd, met fatale gevolgen. De verdachte was pas sinds april 2025 in het bezit van een rijbewijs en van een beginnend bestuurder mag worden verwacht dat hij de verkeersveiligheid extra in acht neemt en zich verantwoordelijk in het verkeer gedraagt.

De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een mishandeling. Als gevolg hiervan heeft aangever letsel opgelopen. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Daarnaast wakkert een dergelijk agressief feit bij degenen die daarvan getuige zijn gevoelens van angst en onveiligheid aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 11 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte de afgelopen vijf jaren twee strafbeschikkingen opgelegd heeft gekregen ten aanzien van bij de Wegenverkeerswet strafbaar gestelde feiten. De rechtbank zal dit in het nadeel van de verdachte betrekken bij haar oordeel over de straf.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 22 september 2025 en 28 november 2025. Hieruit volgt dat de verdachte zijn leven voorafgaand aan de preventieve hechtenis op orde had en dat hij geen psychische problemen ervoer. Echter heeft het dodelijke verkeersongeluk een onmiskenbare (psychische) impact op de verdachte gemaakt. Ondanks dat de reclassering het recidiverisico als laag tot gemiddeld inschat, adviseert zij een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling in een forensisch kader.

Toepassing van het jeugdstrafrecht

De rechtbank kan ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd toen hij 18 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht.

De reclassering heeft in haar rapport van 28 november 2025 niet kunnen adviseren of toepassing van het jeugdstrafrecht wenselijk is. Enerzijds ziet de reclassering binnen het cluster “pedagogische mogelijkheden” aanwijzingen die duiden op toepassing van het jeugdstrafrecht. Anderzijds ziet zij aanwijzingen die duiden op toepassing van het volwassenenstrafrecht, nu de verdachte een leidinggevende rol in het restaurant van zijn vader heeft en hij overwegend zelfstandig zijn leven vorm geeft. Gelet op het feit dat de verdachte op praktisch gebied in staat is zijn leven zelfstandig in te richten, vindt de reclassering begeleiding door de volwassenenreclassering het meest passend.

De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en gelet op het reclasseringsrapport geen aanleiding om een uitzondering te maken op het uitgangspunt van toepassing van het volwassenenstrafrecht.

De op te leggen straf

Gezien de ernst van het feit en de gevolgen daarvan kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur en een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid. Bij het bepalen van de duur van die straffen heeft de rechtbank geen directe aansluiting kunnen zoeken bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting, omdat die niet zien op gevallen waarin de schuld bestaat in roekeloosheid, zijnde de hoogste mate van schuld. Wel ligt het in de rede om bij roekeloosheid hogere straffen tot uitgangspunt te nemen dan in de oriëntatiepunten is vermeld ten aanzien van de overige schuldcategorieën.

Gedrag dat valt onder artikel 6 WVW kan verschillende vormen aannemen. Dat geldt ook voor gevallen waarin de schuld bestaat in roekeloosheid. Door de hiervoor in 3.4 genoemde wetswijziging is het toepassingsbereik van het roekeloosheidsbegrip bovendien uitgebreid, waardoor er meer en meer divers verkeersgedrag als roekeloos moet worden aangemerkt dan voorheen het geval was. Zo kan worden gedacht aan gevallen waarin – zoals in deze zaak – sprake is van een samenstel van gedragingen dat tot een aanrijding heeft geleid, die als strafwaardiger kunnen worden gezien en dus zwaarder worden bestraft dan gevallen – anders dan in deze zaak – waarin het gaat om één gedraging die tot een ongeval heeft geleid. Ook al heeft de verdachte, zoals hij ter zitting meermaals heeft benadrukt, de dodelijke afloop van zijn gedrag nimmer gewild en ook al ervaart hij lijdensdruk als gevolg van zijn eigen handelen, in het licht van het voorgaande en ook in aanmerking genomen het tweede bewezenverklaarde feit, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie in beginsel gerechtvaardigd. De rechtbank ziet echter in de jonge leeftijd van de verdachte aanleiding om in matigende zin af te wijken van de eis van de officier van justitie, in die zin dat de rechtbank een groter deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk zal opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel strekt er tevens toe de verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw verkeersgevaarlijk te gedragen.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, passend en geboden Aan het voorwaardelijk strafdeel zal zij een proeftijd van twee jaar verbinden. De rechtbank zal daarnaast, conform de eis van de officier van justitie, een rijontzegging van vijf jaar opleggen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

De inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden en de verdachte is bij vonnis van heden schuldig bevonden aan ernstige strafbare feiten. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf is artikel 67a, lid 3 Sv thans niet aan de orde. Dit leidt tot het oordeel dat de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte niet zal opheffen.

7
De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich ten aanzien van dagvaarding II als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.012,58, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 751,72, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, gelet op de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Meer subsidiair acht de raadsvrouw de verzochte posten onvoldoende onderbouwd en dient de post ‘bril’ te worden gematigd, gelet op de aankoopdatum.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘bril kapot’ en ‘benzinekost bezoek oogarts’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II bewezen verklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘niet kunnen werken’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 751,72, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 4 september 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 751,72, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].

8
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf, bijkomende straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9
De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

ten aanzien van dagvaarding II:

mishandeling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 48 (ACHTENVEERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 108 dagen, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 Den Haag. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- zich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plek is voor de veroordeelde. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

veroordeelt de verdachte ten aanzien van dagvaarding I voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 5 (VIJF) JAAR;

het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af;

de vordering van de benadeelde partij [aangever];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 751,72 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 751,72 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 4 september 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever];

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 15 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. B.J. van de Griend, voorzitter,

mr. E.R.F. van Engelen, rechter,

mr. J. Herfkens, rechter,

in tegenwoordigheid van V. Grampon, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 januari 2026.