3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025318059, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling infrastructuur, team verkeer, met bijlagen (digitaal doorgenummerd pagina 1 t/m 242).
1. Het proces-verbaal van aanrijding misdrijf verkeersongeval dodelijke afloop (inclusief bijlage), opgemaakt op 21 september 2025, voor zover inhoudende (p. 17-24):
Locatie ongeval
Datum/tijd : 19 september 2025 om 13:37 uurAdres : Lammenschansweg ter hoogte van oversteekplaats fietsers Betaplein Plaats : Leiden
Soort weg : een voor het openbaar verkeerde openstaande weg
Bebouwde kom : Binnen
Voorrangsregeling : Oversteekplaats geregeld middels werkende verkeerslichten
Lichtgesteldheid : Daglicht
Weergesteldheid : Droog
Toestand wegdek : Droog
Wegsituatie : KruisingMaximum snelheid : 50 km per uur
Toedracht
De Lammenschansweg is een tweebaans weg te Leiden welke zijn gescheiden door een groenstrook. De rijbaan bestaat aan de zijde van het verkeersongeval uit 2 rijstroken.1 rijstrook voor het reguliere gemotoriseerde verkeer, (rijstrook 1)1 rijstrook als zogenaamde doelgroepenstrook. (rijstrook 2)
1: Bestuurder personenauto, aangehouden verdachte [verdachte].2: Bestuurder fiets, overledene [slachtoffer]
1 reed over de Lammerschansweg, over de doelgroepenrijstrook, (BUSBAAN) kudrv Leiden stad en gidrv N206.2 reed op de oversteekplaats voor fietsers, kudrv het Betaplein en kruisende de Lammenschansweg en was voornemens over te steken. Ter hoogte van de genoemde fietsoversteekplaats wordt de fietser door de PA aangereden met dodelijke afloop voor de fietser.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 1], opgemaakt op 19 september 2025, voor zover inhoudende (p. 32-34):
Ik ben getuige van de aanrijding op de Lammenschansweg te Leiden, ter hoogte van fietsoversteekplaats Betaplein. Op 19 september 2025 stond ik als derde auto voor het rode stoplicht te wachten op de genoemde locatie. Ik zag vanuit mijn rechter buitenspiegel dat er een auto met een voor mij ogende noodgang over de busbaan reed. Ik zag vervolgens door de voorruit van mijn auto dat er vanaf het Betaplein een fietser aan kwam rijden. Ik zag dat de bestuurder van de auto die over de busbaan reed de fietser vol schepte. Ik zag dat dit was ter hoogte van de busbaan en de kruising met het fietspad.
3. Het geschrift, te weten een door [naam], zijnde een ambtenaar van de burgerlijke stand Leiden, voor zover inhoudende (p. 221):
OVERLEDENE
Geslachtsnaam: [geslachtsnaam]Voornamen: [voornaam 1]
Dag van overlijden: 19 september 2025
Plaats van overlijden: Leiden
4. Het verkort proces-verbaal analyse VRI data (inclusief bijlagen), opgemaakt op 3 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 173-220):
Gelet op het PD-onderzoek, de verklaringen en de analyse, waren er geen aanwijzingen dat de verkeersregelinstallatie niet naar behoren had gewerkt ten tijde van het ongeval. Alle lampen van de relevante verkeerslantaarns functioneerden naar behoren en waren goed zichtbaar voor de bij het ongeval betrokken bestuurders.
De bestuurder van de Audi reed over de busbaan, die bestemd is voor het doorgaande busverkeer van de Lammenschansweg, het kruispunt op van de Lammenschansweg met het Betaplein te Leiden. De bestuurder van de Audi was hierbij komende uit de richting van het centrum van Leiden.
Uit de analyse van het faselog bleek dat de bestuurder van de Audi op vrijdag 19 september 2025, omstreeks, 13:35:44.0 uur, de stopstreep van de busbaan was gepasseerd, terwijl het verkeerslicht (negenoog) ten behoeve van het busverkeer minimaal 12 seconden roodlicht uitstraalden. Het verkeerslicht ten behoeve van de naastgelegen hoofdrijbaan (richting 11) straalde op dat moment minimaal 10,6 seconden roodlicht uit.
Voorafgaand aan het verkeersongeval naderde de bestuurder van de Audi het kruispunt over de busbaan met een gemiddelde indicatieve snelheid tussen de 84 km/h en 95 km/h.
De bestuurder van de fiets reed via de gekanaliseerde fiets/bromfietsoversteekplaats het kruispunt op van de Lammenschansweg met het Betaplein te Leiden. De bestuurder van de fiets was hierbij komende uit de richting van [schoolnaam].
Uit de analyse van het faselog bleek dat de bestuurder van de fiets op vrijdag 19 september 2025, omstreeks, 13:35:38.6 uur, de stopstreep was gepasseerd, terwijl de voor hem geldende verkeerslichten op dat moment minimaal 3,5 seconden groenlicht uitstraalden.
5. Het proces-verbaal FO Automotive (inclusief bijlagen), opgemaakt op 10 oktober 2025, voor zover inhoudende (p. 222-228):
Uit onderzoek is gebleken dat de Audi 5 seconden voor het Event(triggermoment) een snelheid van 42 km/h registreert. Hierbij is te zien dat het gaspedaal 100 % wordt ingedrukt en dat de snelheid tot 0,5 seconden voor het Event(triggermoment) oploopt tot 98 km/h, waarbij het gaspedaal constant 100% wordt bediend. Op het Event(triggermoment) zelf wordt er een remming geregistreerd en wordt er 0% gaspedaal bediening geregistreerd. De snelheid die hierbij geregistreerd wordt is 92 km/h.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025300343, van de politie eenheid Den Haag, District Leiden-Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 48).
1. Het proces-verbaal van aangifte (inclusief bijlagen), opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 7-11):
Pleegdatum : 4 september 2025
Aangever
Voornamen : [aangever]
Achternaam : [aangever]
Ik was aan het werk bij [restaurant] aan de [adres 2] te Leiden. Er zat 4 man in een auto die kwam aanrijden. Een Audi. Ik zag dat ze tegen een fiets aanreden die geparkeerd stond. De eigenaresse van de fiets stond er naast. Ik liep naar buiten omdat ik zag dat de bestuurder uit de auto stapte en erg opvliegerig en intimiderend tegen de dame was. Ik zag dat de jongen haar vastpakte, hij stond heel dichtbij. Ik pakte de jongen vast en trok hem naar achteren omdat hij de dame intimideerde. De jongen draaide zich om en gaf mij een klap in mijn gezicht met zijn vuist. Ik heb pijn aan mijn rechteroog. Er zit een flinke snee en het voelt pijnlijk. Ook mijn bril is scheef en krom.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige, [getuige 2], opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 12-14):
Op 4 september was ik in Leiden. Ik zag namelijk dat jongen 1 [aangever] in zijn gezicht sloeg met de vuist, ter hoogte van zijn bril. Ik zag dat er direct een rode vloeistof over [aangever] zijn gezicht stroomde. Direct nadat [aangever] opstond, zag ik dat jongen 1 wederom met kracht en opzettelijk zijn gebalde vuist in de richting van [aangever] bewoog.
3. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 4 september 2025, voor zover inhoudende (p. 28-31):
Op 4 september 2025 bevond ik, verbalisant, mij in Leiden. Ter plaatse trof ik, verbalisant, voor [restaurant] twee jongens en een vrouw aan. De jongens bleken te zijn: [verdachte]. Ik zag vervolgens de man van [restaurant] in
de deuropening van de pizzeria staan. Ik zag dat de man meerdere verwonden had rondom zijn rechteroog. Op 4 september 2025 hield ik, verbalisant, op de [adres 2] in Leiden [verdachte] aan op verdenking van mishandeling. Tijdens het aanleggen van de transportboeien zag ik dat [verdachte] bloed had op zijn rechterhand.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Feitelijke toedracht
Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast. De verdachte reed, als bestuurder van een personenauto, een Audi (hierna: Audi), op de Lammenschansweg te Leiden. De Lammenschansweg is een tweebaansweg, die bestaat uit een rijstrook voor het reguliere gemotoriseerde verkeer en een busbaan. Op de rijstrook voor het reguliere gemotoriseerde verkeer stonden drie auto’s voor het rode stoplicht stil. De verdachte is met een snelheid die opliep tot 98 kilometer per uur (hierna: km/u) met de Audi rechts over de rijstrook die bedoeld is voor het busverkeer, om het stilstaande verkeer heen gereden. Vervolgens is de verdachte met de Audi door het voor hem rood uitstralende verkeerslicht gereden en is hij ter hoogte van de fietsoversteekplaats in botsing gekomen met het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]), die met zijn fiets komende uit de richting van het Betaplein en kruisende de Lammenschansweg, bezig was over te steken. [slachtoffer] is ter plaatse overleden. Uit de gegevens van de airbagmodule leidt de rechtbank af dat de verdachte op het moment van de botsing met een snelheid van 92 km/u reed, op een plek waar maximaal 50 km/u was toegestaan.
Causaliteit
Aan de verdachte is overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet (hierna: WVW) ten laste gelegd. Op grond van dit artikel, voor zover hier van belang, is het eenieder die aan het verkeer deelneemt verboden zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood. Dit betekent dat, om tot een bewezenverklaring op grond van artikel 6 WVW te kunnen komen, er een tweeledig causaal verband moet worden vastgesteld: ten eerste dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg van de gedragingen van de verdachte en (in dit geval) ten tweede dat als gevolg van dat ongeval een ander is gedood.
Wat betreft het causale verband tussen de gedragingen van de verdachte en het ongeval overweegt de rechtbank het volgende.
Zoals de rechtbank hierboven reeds heeft vastgesteld, heeft de verdachte de toegestane maximumsnelheid met meer dan 40km/u overschreden en heeft hij een rood uitstralend verkeerslicht genegeerd. Dit terwijl hij een kruispunt met fietsoversteekplaats naderde. Richting dit kruispunt reed de verdachte over de busbaan langs de voor het verkeerslicht stilstaande auto’s op de linker rijbaan. Door deze auto’s van rechts in te halen, was zijn zicht op de fietsers op fietsoversteekplaats belemmerd. De verdachte heeft met een voor de situatie ter plaatse veel te hoge snelheid over de busbaan gereden en heeft daardoor de op zijn fiets overstekende [slachtoffer] niet tijdig opgemerkt en/of niet tijdig kunnen remmen, waardoor hij op volle snelheid met [slachtoffer] in botsing is gekomen. [slachtoffer] zelf had op het moment van het oprijden van het kruispunt groen licht. Al met al is het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het ongeval daarmee evident aanwezig.
Dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van hem door het ongeval opgelopen verwondingen lijdt evenmin enige twijfel.
Aan zijn schuld te wijten
In de tweede plaats moet de verdachte ten aanzien van het verkeersongeval een schuldverwijt kunnen worden gemaakt. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld. De officier van justitie heeft (ook) die zwaarste schuldvorm ten laste gelegd en de rechtbank zal dus moeten beoordelen of daarvan sprake is.
Roekeloosheid
Met de Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik daarvan willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a lid 1 WVW kan worden aangemerkt. De rechtbank begrijpt deze bepaling zo dat zij dient te beoordelen of het gedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het aan zijn schuld te wijten ongeval ook voldoet aan de delictsomschrijving van artikel 5al lid 1 WVW. Is dat het geval, dan bestaat de schuld daarmee in roekeloosheid.
Artikel 5a WVW
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
a. a) De verkeersregels
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat de verdachte de maximumsnelheid heeft overschreden, door rood licht heeft gereden en aan [slachtoffer] geen voorrang heeft verleend. Deze gedragingen zijn in artikel 5a lid 1 WVW (hierna: artikel 5a WVW) uitdrukkelijk benoemd als voorbeelden van het schenden van de verkeersregels. Tevens heeft de verdachte, rijdende over een busbaan, andere weggebruikers rechts ingehaald. Deze gedragingen zijn niet expliciet benoemd in artikel 5a WVW, maar schaart de rechtbank onder het ‘overtreden van andere verkeersregels van soortgelijk belang als die onder a tot en met l genoemd’. De verdachte heeft dus de verkeersregels geschonden, als bedoeld in dat artikel.
b) In ernstige mate
Artikel 5a WVW heeft alleen betrekking op ernstig verkeersgevaarlijk gedrag. Gekeken moet worden naar het samenstel van de gedragingen van de verdachte, waarbij alle omstandigheden in ogenschouw worden genomen.
De verdachte heeft de op de Lammenschansweg geldende maximumsnelheid in ernstige mate overschreden. Terwijl de verdachte met snelheden oplopend tot 98 km/u reed, heeft hij het voor het rood licht uitstralende wachtende verkeer rechts via een busbaan, vlak voor een oversteekplaats voor fietsers, ingehaald en is hij door het voor hem rood uitstralende verkeerslicht gereden. Dat op zich maakt naar het oordeel van de rechtbank al dat er sprake is van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels. Daar komt dan nog bij dat er omstandigheden waren die aanleiding gaven tot extra oplettendheid en voorzichtigheid. Het ongeval vond plaats op vrijdagmiddag rond 13.35 uur, vlakbij [schoolnaam], van waaruit leerlingen op verschillende tijdstippen van en naar school gingen. De fietsoversteekplaats waar het ongeval plaatsvond vormt de verbinding tussen [schoolnaam] en de Lammenschansweg. Een en ander moet bij de verdachte ook bekend zijn geweest nu hij zelf [schoolnaam] bezocht. Kortom, onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank eens te meer sprake van het in ernstige mate schenden van de verkeersregels.
c) Opzettelijk
Bij het antwoord op de vraag of sprake was van opzet op het in ernstige mate schenden van de verkeersregels moeten de aard en het samenstel van de gedragingen, de omstandigheden waaronder deze werden verricht en alle overige feitelijke omstandigheden van het geval in ogenschouw worden genomen. Daaruit moet kunnen worden afgeleid dat de gedragingen in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels gericht zijn geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het rijden met een veel te hoge snelheid niet anders dan opzettelijk kan zijn gedaan. De verdachte is degene die het gaspedaal van zijn auto fors heeft ingetrapt en die de hoge snelheden in zijn auto bereikt heeft. Ook voor het door rood rijden geldt dat de verdachte dit opzettelijk moet hebben gedaan. Het verkeerslicht straalde immers al minimaal 12 seconden rood licht uit ten behoeve van de busbaan en al 10,6 seconden ten behoeve van de naastgelegen hoofdrijbaan. De verklaring van de verdachte dat hij meende dat hij door oranje reed, acht de rechtbank om die reden en gelet op het feit dat de verdachte drie voor het rode licht wachtende auto’s over de busbaan heeft ingehaald, volstrekt onaannemelijk. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hierboven vermelde gedragingen, in samenhang bezien, naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op opzettelijke ernstige schending van de verkeersregels.
d) Gevaar te duchten
Het is zonder meer voorzienbaar dat er een zeer gevaarlijke situatie ontstaat door het veel te hard, rechts inhalend over een busbaan, door rood rijden zoals de verdachte dat heeft gedaan. In dit geval heeft dat gevaar zich ook verwezenlijkt, er heeft immers een dodelijke aanrijding met een kwetsbare fietser plaatsgevonden.
Dit alles betekent dat het verkeersgedrag van de verdachte dat tot het ongeval heeft geleid, kan worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee heeft de verdachte de zwaarste vorm van schuld aan dat ongeval, namelijk roekeloosheid.
Conclusie
De rechtbank acht het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. De aangever heeft verklaard dat hij op 4 september 2025 door de verdachte met een vuist in het gezicht is geslagen. Hierdoor heeft de aangever een flinke snee onder zijn rechteroog opgelopen. De getuige [getuige 2] heeft gezien dat de aangever met vuisten in het gezicht is geslagen. De verbalisant die, naar aanleiding van de melding van de mishandeling ter plaatse is gegaan, zag dat de aangever meerdere verwondingen had rondom zijn rechteroog en dat letsel past bij de verklaring van de aangever. De raadsvrouw heeft betoogd dat zij de verklaringen van de aangever en de getuige [getuige 2] ongeloofwaardig en onbetrouwbaar acht, omdat deze de nodige discrepanties zouden bevatten. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding gevonden om te twijfelen aan de verklaringen van de aangever en de getuige [getuige 2]. Dat de getuige [getuige 2] spreekt van meerdere vuistslagen en de aangever het heeft over “een” vuistslag, maakt dit niet anders. De rechtbank zal deze verklaringen dan ook bezigen voor het bewijs en is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte [aangever] heeft mishandeld.
Verwerping van het beroep op noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer is, ingevolge artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een dergelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De gestelde aanranding moet dan echter een zekere objectieve toetsing kunnen doorstaan: de enkele vrees is onvoldoende.
Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, dan moet de rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd, aannemelijk is geworden.
Door en namens de verdachte is aangevoerd dat de verdachte door aangever zou zijn vastgehouden en dat aangever een hand in een open houding vlak bij de schouder van de verdachte zou hebben gehouden waardoor de verdachte dacht dat hij zich moest verdedigen tegen aankomende slagen van aangever. De rechtbank overweegt dat die lezing van de gebeurtenissen zijn weerlegging vindt in de volgende aan wettige bewijsmiddelen ontleende feiten en omstandigheden. De verdachte is op straat in conflict geraakt met een vrouw en heeft haar daarbij vastgepakt, althans dreigend benaderd. Toen de aangever dat zag, heeft hij de verdachte weg van de vrouw en naar achteren getrokken. Vervolgens heeft de verdachte zich omgedraaid en aangever een vuistslag in zijn gezicht gegeven. Daarmee is de feitelijke toedracht van de door de verdachte gestelde noodweersituatie niet aannemelijk geworden.
Het verweer wordt verworpen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij, op 19 september 2025 te Leiden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over de weg, de Lammenschansweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos te handelen als volgt:
- verdachte heeft al rijdend op voornoemde weg met een snelheid van/tot (ongeveer) 98 kilometer per uur, de kruising met het Betaplein genaderd,
- heeft (daarbij) over de busbaan gereden,
- heeft via deze busbaan andere voertuigen rechts ingehaald,
- heeft (vervolgens) geen gevolg gegeven aan het (reeds minimaal 12 seconden voor die busbaan en reeds minimaal 10,6 seconden voor de naastgelegen hoofdrijbaan) rood licht uitstralende verkeerslicht,
- heeft niet tijdig gemerkt dat een voor hem van links komende fietser voornoemde kruising was genaderd en opgereden,
- heeft zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tijdig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en
- heeft voornoemde fietser geen voorrang verleend,
- ten gevolge waarvan hij met het door hem bestuurde voertuig (met een snelheid van ongeveer 92 kilometer per uur) in botsing/aanrijding met voornoemde fietser is gekomen,
waardoor [slachtoffer], werd gedood.
hij op 4 september 2025 te Leiden, [aangever] heeft mishandeld, door die [aangever] vuistslagen op het hoofd te geven.