Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:4533

Op 27 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/061392-25, 09/101440-24 (ttz. gev.) en 22/00143, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4533. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/061392-25, 09/101440-24 (ttz. gev.) en 22/00143
Datum uitspraak:
27 February 2026
Datum publicatie:
6 March 2026

Indicatie

Vrijspraak mishandeling ex-partner en zoon. Veroordeling voor bedreiging, belaging en diefstal van de sleutelbos van zijn ex-partner en vernieling van onderdelen van een auto. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, de tbs-maatregel met dwangverpleging en de 38z-maatregel. Afwijzing verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij tot € 3.500, -. Niet-ontvankelijk verklaring benadeelde partij. TUL toegewezen: 10 maanden gevangenisstraf.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/061392-25, 09/101440-24 (ttz. gev.) en 22/001431-21 (tul)

Datum uitspraak: 27 februari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1982 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats],

[locatie].

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 24 juni 2025, 28 augustus 2025, 24 november 2025 (alle pro forma) en 13 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. T.V. Seedorf naar voren is gebracht.

2
De tenlasteleggingen

De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Aan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij:

Parketnummer 09/061392-25 (hierna: dagvaarding I ):

1. op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage [benadeelde 1] en/of (zijn kind) [benadeelde 2] heeft bedreigd;

2. in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 9 maart 2025 te 's-Gravenhage en/of Leidschendam-Voorburg [benadeelde 1] en/of haar kinderen heeft belaagd;

3. op of omstreeks 9 maart 2025 te ’s-Gravenhage een sleutelbos van [benadeelde 1] heeft gestolen in een woning gelegen aan de [adres];

4. op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage zijn ex-echtgenote, [benadeelde 1], heeft mishandeld;

5. op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage zijn kind, [benadeelde 2], heeft mishandeld.

Parketnummer 09/101440-24 (hierna: dagvaarding II ):

op of omstreeks 16 november 2023 te ’s-Gravenhage een (auto)ruit en/of meerdere zijspiegel(s) en/of een dashboardschermpje van de auto van de neef van [naam 1] heeft vernield.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder dagvaarding I ten laste gelegde, met uitzondering van het onder het vierde en vijfde gedachtestreepje van feit 2 genoemde lek steken van de autoband en het opbellen. De officier van justitie heeft verder gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder dagvaarding II ten laste gelegde.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I onder 1, 4 en 5 ten laste gelegde. De verklaring van [benadeelde 2] (hierna [benadeelde 2]) is volgens de raadsvrouw onbetrouwbaar en kan daarom niet als ondersteunend bewijs voor de aangifte dienen. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte aangeefster [benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) heeft achtervolgd, haar autoband heeft lek gestoken of haar heeft opgebeld en bedreigd. De overige handelingen van de verdachte leveren volgens de raadsvrouw geen stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde 1] op, zodat de verdachte ook van dit feit moet worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder dagvaarding II ten laste gelegde geen standpunt ingenomen.

3.3.

Vrijspraak feiten 4 en 5 dagvaarding I

De verdachte is bij dagvaarding I onder 4 ten laste gelegd dat hij op 9 maart 2025 te ’s-Gravenhage zijn ex-echtgenote, [benadeelde 1], heeft mishandeld door haar bij haar polsen vast te pakken en/of te duwen. De verdachte is bij dagvaarding I onder 5 ten laste gelegd dat hij dezelfde dag zijn kind, [benadeelde 2], heeft mishandeld door hem (met kracht) in/tegen zijn buik te duwen. Voor een veroordeling ter zake van mishandeling is vereist dat opzettelijk lichamelijk letsel of pijn is toegebracht. Het is de rechtbank uit de verklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet gebleken dat zij door de handelingen van de verdachte zodanige pijn of een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording aan het lichaam hebben ervaren dat van mishandeling kan worden gesproken. Daarnaast is niet gebleken dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] letsel hebben opgelopen door de handelingen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de bij dagvaarding I onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en zal de verdachte hiervan vrijspreken.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden

slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

3.5.

Bewijsoverwegingen dagvaarding I feiten 1 en 2

Ten aanzien van dagvaarding I feit 1 (bedreiging)

De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw heeft bepleit – van oordeel dat aangeefster [benadeelde 1] een uitgebreide en op hoofdlijnen consistent en gedetailleerde verklaring heeft afgelegd tegenover de politie kort na het incident. [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij op 9 maart 2025 in haar woning was met haar zoon [benadeelde 2]. Er werd op de voordeur geklopt en [benadeelde 2] deed de voordeur open. De verdachte stond voor de deur. [benadeelde 1] gaf aan dat de verdachte weg moest gaan, maar hij deed zijn voet tussen de voordeur. De verdachte heeft [benadeelde 1] bij haar polsen beetgepakt en geprobeerd haar richting de slaapkamer te duwen. [benadeelde 1] hoorde de verdachte meerdere keren zeggen “Ik ga jou vermoorden, ik ga je moeder vermoorden en ik ga jullie seksueel misbruiken”. [benadeelde 2] probeerde tussen zijn vader en moeder te komen. Uiteindelijk pakte de verdachte de sleutelbos van [benadeelde 1] en verliet hij de woning.

De verklaring van [benadeelde 1] komt op essentiële punten overeen met de verklaringen van [benadeelde 2] tegenover de politie en in het kindvriendelijke studioverhoor. Hij heeft verklaard dat hij de deur opendeed en de verdachte, zijn vader, voor de deur stond. De verdachte heeft [benadeelde 1] geduwd en deed zijn voet tussen de deur. De verdachte heeft haar bij de armen gepakt en geduwd. De verdachte heeft de sleutels van [benadeelde 1] gepakt en verliet toen de woning.

De rechtbank overweegt dat met de verklaringen van jonge kinderen weliswaar behoedzaam moet worden omgegaan, maar ziet in dit geval, anders dan de raadsvrouw betoogt, geen aanleiding voor het oordeel dat de verklaringen van [benadeelde 2] onbetrouwbaar zijn. [benadeelde 2] is op 10 maart 2025 op het politiebureau gehoord. Daarnaast is hij op 25 maart 2025 gehoord door een speciaal daartoe opgeleide verbalisant in een zogenoemde kindvriendelijke verhoorstudio. Dit verhoor is verbatim uitgewerkt. De verklaringen van [benadeelde 2] komen in de kern met elkaar overeen. Dat [benadeelde 2] volgens de raadsvrouw (onbewust) zou zijn gemanipuleerd door zijn moeder [benadeelde 1] om de verdachte in een kwaad daglicht te stellen, volgt de rechtbank niet. Uit het studioverhoor volgt dat [benadeelde 2] ook verklaart over de leuke dingen die hij met de verdachte deed, zoals uitstapjes naar Duinrell. Daarnaast volgt uit de verhoren niet dat [benadeelde 2] de handelingen en het gedrag van de verdachte erger aanzet om zijn moeder tevreden te stellen, zoals door de raadsvrouw bepleit. De rechtbank ziet ook niet dat het taalgebruik en de woordkeuze van [benadeelde 2] niet passend zijn bij zijn leeftijd, dan wel dat hieruit een loyaliteitsconflict kan worden afgeleid.

De verklaring van [benadeelde 1] en de verklaringen van [benadeelde 2] worden bovendien ondersteund door de verklaring van de verdachte ter terechtzitting. De verdachte heeft immers ter terechtzitting verklaard dat hij naar de woning van [benadeelde 1] was gegaan, zijn voet tussen de deur heeft gezet, [benadeelde 1] bij haar polsen heeft gepakt, tegen haar heeft gezegd “Ik ga je neuken” en de sleutelbos van [benadeelde 1] heeft gepakt en meegenomen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het bedreigen van zijn kind [benadeelde 2], nu het de rechtbank niet is gebleken dat de dreigementen van de verdachte ook gericht waren aan [benadeelde 2].

Ten aanzien van dagvaarding I feit 2 (belaging)

De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw heeft bepleit – van oordeel dat de verklaringen van [benadeelde 1] tegenover de politie uitgebreid en op hoofdlijnen consistent en gedetailleerd zijn. [benadeelde 1] heeft verklaard dat de verdachte haar heeft achtervolgd met zijn witte Mercedes Sprinter bus met kenteken [kenteken] toen zij aan het werk was, haar WhatsApp-berichten heeft gestuurd, meermalen voor de deur van haar woning heeft gestaan en hij vaak in de straat staat. De verklaringen van [benadeelde 1] komen op essentiële punten overeen met de verklaring van getuige [getuige] (hierna: [getuige]). [getuige] heeft verklaard dat zij de verdachte bijna dagelijks met zijn witte bus voorbij zag rijden of op de hoek van de straat zag staan. De verklaringen van [benadeelde 1] komen ook overeen met de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat de Mercedes Sprinter van hem is, hij een keer voor de deur van de woning van [benadeelde 1] heeft gestaan en heeft aangebeld en hij de WhatsApp-berichten naar [benadeelde 1] heeft gestuurd.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van een ander als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, Sr zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

De verdachte heeft in een periode van ruim twee maanden [benadeelde 1] achtervolgd, haar WhatsApp-berichten gestuurd en heeft meermalen voor haar deur gestaan. De verdachte heeft verder vrijwel dagelijks door haar straat gereden en op de hoek van haar straat gestaan. [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij heel bang is voor de verdacht en dat zij vreest dat hij haar of hun kinderen iets zal aandoen. De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van deze gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [benadeelde 1] zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Met name het vrijwel dagelijks door de straat rijden en op de hoek van de staat van [benadeelde 1] staan, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank dat, anders dan de raadsvrouw betoogt, kan worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde belaging wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het lek steken van de autoband van [benadeelde 1], het bellen naar [benadeelde 1] en het belagen van zijn kinderen.

3.6.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Parketnummer 09/061392-25 ( dagvaarding I )

1

hij op 9 maart 2025 te 's-Gravenhage [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en opzetverkrachting, door

- die [benadeelde 1] bij haar polsen vast te pakken en in de richting van haar slaapkamer te duwen en haar (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen “Ik ga jou vermoorden, ik ga je moeder vermoorden en ik ga jullie seksueel misbruiken” en

- die [benadeelde 2] weg te duwen van zijn moeder en op te tillen en weg te zetten en hem (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen: “Ik maak je moeder dood”;

2

hij op meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2025 tot en met 9 maart 2025 te 's-Gravenhage wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1], door (meermalen)

- die [benadeelde 1] met zijn auto (witte Mercedes Sprinter kenteken [kenteken]) te achtervolgen en

- met zijn, verdachtes auto door de straat te rijden waar die [benadeelde 1] en haar kinderen wonen en in die straat te parkeren en

- aan te bellen en voor de deur te staan bij de woning van die [benadeelde 1] en haar kinderen en

- die [benadeelde 1] WhatsApp-berichten te sturen

met het oogmerk die [benadeelde 1] vrees aan te jagen;

3

hij op 9 maart 2025 te 's-Gravenhage, in een woning gelegen aan de [adres], alwaar verdachte zich tegen de wil van de rechthebbende bevond, een sleutelbos die aan [benadeelde 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Parketnummer 09/101440-24 ( dagvaarding II )

hij op 16 november 2023 te 's-Gravenhage, opzettelijk en wederrechtelijk een autoruit en meerdere zijspiegels van een auto en een dashboardschermpje, die aan (het bedrijf van) de neef van [naam 1], toebehoorden heeft vernield.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De oplegging van de straf en maatregelen
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van het voorarrest en dat aan de verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: de tbs-maatregel) wordt opgelegd met bevel dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd (hierna: dwangverpleging). Indien de rechtbank de tbs-maatregel met voorwaarden oplegt, heeft de officier van justitie gevorderd de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de verdachte te schorsen met ingang van het moment dat er een plek is in de kliniek, met de voorwaarden van de tbs-maatregel als schorsingsvoorwaarden.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op grond van artikel 38z Sr, aansluitend op het moment dat de tbs-maatregel eindigt.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring er geen tbs-maatregel moet worden opgelegd, maar een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Indien de rechtbank wel een tbs-maatregel oplegt, moet dit volgens de verdediging de tbs-maatregel met voorwaarden zijn en niet de tbs-maatregel met dwangverpleging.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging, belaging en diefstal van de sleutelbos van zijn ex-partner [benadeelde 1]. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat [benadeelde 1] zich onveilig voelt en bang is dat de verdachte haar gaat vermoorden. [benadeelde 1] geeft aan dat zij niet meer voor de verdachte wil vluchten. Ze hoopt dat de verdachte wordt behandeld. Daarnaast is zij verdrietig over wat haar kinderen mee moeten maken. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat [benadeelde 1] onder behandeling is bij de psycholoog. De verdachte heeft met deze feiten een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke integriteit van [benadeelde 1]. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van onderdelen van een auto van de neef van [naam 1], de vriend van zijn dochter. Dit heeft geleid tot angstgevoelens bij de vriend van zijn dochter en heeft hinder en financiële schade opgeleverd bij de eigenaar van de auto.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 mei 2025. De verdachte is in 2022 veroordeeld voor geweldsfeiten tegen dezelfde (ex)partner. De rechtbank constateert dat de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten in een proeftijd liep van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf. Deze straf heeft hem er niet van weerhouden om strafbare feiten te plegen. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages:

- de Pro Justitia-rapportage van 11 december 2025, opgesteld door psychiater dr. [naam 2];

- de Pro Justitia-rapportage van 17 december 2025, opgesteld door GZ-psycholoog [naam 3];

- de Pro Justitia-rapportage, opgesteld door milieuonderzoeker [naam 4];

- het reclasseringsadvies van 20 januari 2026, opgesteld door [naam 5].

De Pro Justitia-rapportages

In de Pro Justitia-rapportage (hierna: PJ-rapportage) van 11 december 2025 concludeert de psychiater dat bij de verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis, waarvan paranoïde en antisociale persoonlijkheidskenmerken een uitvloeisel zijn. De stoornis was aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De psychiater adviseert de aan hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De psychiater schat het recidiverisico in als hoog. De verdachte ervaart sneller een grote krenking dan anderen en dit leidt tot grote boosheid. Er zijn weinig beschermende factoren en de verdachte heeft geen of nauwelijks ziektebesef. Volgens de psychiater moet eerst worden gewerkt aan ziektebesef en motivatie voor gedragsverandering. Vervolgens kan er worden gewerkt aan de gedragsproblematiek van de verdachte. Deze behandeling zou klinisch moeten beginnen in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK). De psychiater adviseert bij bewezenverklaring de tbs-maatregel op te leggen. Volgens de psychiater is de tbs-maatregel met voorwaarden mogelijk. Daarnaast adviseert de psychiater een GVM in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.

In de PJ-rapportage van 17 december 2025 concludeert de psycholoog eveneens dat bij de verdachte sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. De stoornis was aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De verdachte is snel gekrenkt, geneigd zichzelf in een gunstig daglicht te stellen en verantwoordelijkheden buiten zichzelf te leggen. Daarnaast beschikt de verdachte over weinig empathie. De psycholoog adviseert de aan de verdachte ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De psycholoog schat het recidiverisico in als hoog. De verdachte stelt zijn eigen belangen op de voorgrond. Er zijn geen beschermende factoren. De verdachte heeft volgens de psycholoog geen intrinsieke motivatie voor behandeling en geen ziektebesef. De psycholoog stelt dat de behandeling klinisch zal moeten starten. De psycholoog adviseert bij bewezenverklaring de tbs-maatregel op te leggen. Volgens de psycholoog is de tbs-maatregel met voorwaarden mogelijk, maar de zorgen over de motivatie en het ziektebesef, en het feit dat de feiten zijn gepleegd tijdens een proeftijd en de zorgen over wraak door de verdachte, pleiten voor de tbs-maatregel met dwangverpleging. De psycholoog laat het aan de rechtbank of de tbs-maatregel met voorwaarden of met dwangverpleging nodig is. Indien de rechtbank komt tot de tbs-maatregel met voorwaarden, dan is het van belang dat er scherp toezicht bestaat op de verdachte, wellicht na de klinische opname met elektronisch toezicht, zodat te allen tijde duidelijk is waar de verdachte verblijft. Daarnaast adviseert de psychiater een GVM in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.

In de PJ-rapportage heeft de milieuonderzoeker milieuonderzoek gedaan. De milieuonderzoeker heeft gesproken met verschillende familieleden van de verdachte. De familie van de verdachte vreest dat de verdachte wraak wil nemen op [benadeelde 1].

Reclasseringsadvies

De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies over de verdachte van 20 januari 2026. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog. De reclassering acht een klinische behandeling noodzakelijk om het risico op recidive en verdere escalatie te verlagen. Aangezien de verdachte weinig tot geen intrinsieke motivatie voor behandeling heeft en probleem- en ziekte-inzicht bij hem ontbreekt, is bij een veroordeling een strikter kader geïndiceerd. Aangezien de verdachte de noodzaak van de behandeling niet inziet, de persoonlijkheidsproblematiek een langdurige behandeling vraagt en de tbs-maatregel met voorwaarden een vrijwillig kader is, acht de reclassering de kans reëel aanwezig dat de verdachte zich op de langere termijn aan de behandeling zal onttrekken. De reclassering adviseert negatief over de tbs-maatregel met voorwaarden. Als de rechtbank wel komt tot de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden heeft de reclassering voorwaarden opgenomen in het reclasseringsadvies. De reclassering adviseert bij een veroordeling tot tbs of tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.

Aanvullende verklaring van reclasseringswerker

[naam 6], een collega van de reclasseringswerker die het reclasseringsadvies heeft opgesteld, was aanwezig tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak. De reclasseringswerker heeft verklaard dat de tbs-maatregel met dwangverpleging het beste kader is, gelet op het gebrek aan ziektebesef bij de verdachte, het feit dat de verdachte niet goed kan benoemen wat hij in een behandeling zou moeten doen en hij verantwoordelijkheden buiten zichzelf legt. De behandeling start met een delictanalyse. Daarvoor is inzicht en openheid geven over het eigen aandeel in het delict c.q. de delicten noodzakelijk. De verdachte heeft eerder meegewerkt aan toezicht, maar geeft weinig openheid over wat er speelt in zijn leven. De reclassering was niet op de hoogte van de hervatte relatie tussen de verdachte en het slachtoffer. De tbs-maatregel met voorwaarden heeft een vrijwillig karakter en daarbij is de kans van slagen afhankelijk van de eigen inzet van de verdachte. Als de verdachte zijn problemen niet erkent en geen verantwoordelijkheid neemt heeft de behandeling een langere aanloop nodig. De tijd voor behandeling is beperkt bij de tbs-maatregel met voorwaarden. Bij de tbs-maatregel met dwangverpleging is er meer tijd om tot een geslaagde behandeling te komen. De reclassering schat de kans op onttrekking aan de voorwaarden na verloop van tijd hoog in.

De tbs-maatregel met dwangverpleging

De rechtbank gaat uit van de PJ-rapportages van de psychiater en de psycholoog ten aanzien van de gestelde diagnoses en de verminderde toerekeningsvatbaarheid, aangezien deze conclusies en adviezen worden gedragen door een uitgebreide en deugdelijke onderbouwing, zodat er geen reden bestaat om aan de juistheid van deze adviezen te twijfelen. De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog dat de PJ-rapportages niet deugdelijk tot stand zijn gekomen omdat de gesproken referenten vijandig ten opzichte van de verdachte zouden staan. Dat de kinderen van de verdachte niet als referenten zijn gehoord, maakt naar het oordeel van de rechtbank ook niet dat deze rapporten ondeugdelijk of onvolledig zijn.

De rechtbank zal, conform de PJ-rapportages van de psychiater en de psycholoog, de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. De rechtbank is, net als rapporterende psychiater en psycholoog, van oordeel dat het noodzakelijk is dat de verdachte wordt behandeld voor zijn problematiek om zo te voorkomen dat hij nieuwe strafbare feiten pleegt. De rechtbank ziet het kader van de tbs-maatregel als enig passend kader om te waarborgen dat de verdachte die behandeling krijgt.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de tbs-maatregel. De door de verdachte bij dagvaarding I onder 1 (bedreiging) en onder 2 (belaging) bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven zoals omschreven in artikel 37a, eerste lid, sub 2, Sr waarvoor de maatregel kan worden opgelegd. Volgens de rapporterend psychiater en psycholoog bestond tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, namelijk een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast vereist de veiligheid van anderen, met name de veiligheid van zijn ex-partner [benadeelde 1], dat de maatregel wordt opgelegd, aangezien naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een hoog recidiverisico. De verdachte is al eerder tot een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld voor agressie richting hetzelfde slachtoffer, wat de hardnekkigheid van de problematiek onderstreept.

De verdachte geeft aan dat hij zich aan de voorwaarden van een tbs-maatregel met voorwaarden wil houden. De rechtbank ziet echter, net als de rapporterend psycholoog en de reclassering, geen intrinsieke motivatie bij de verdachte om te werken aan zijn problematiek. De complexe problematiek van de verdachte, het hoge recidiverisico, het gebrek aan ziekte-inzicht en het ontbreken van intrinsieke motivatie bij de verdachte vereist intensieve behandeling binnen het forensische kader. Dit alles leidt tot de conclusie dat aan de verdachte de tbs-maatregel met dwangverpleging moet worden opgelegd.

Op grond van artikel 38e, eerste lid, Sr gaat de totale duur van de tbs-maatregel een periode van vier jaren niet te boven, tenzij de tbs-maatregel is opgelegd ter zake een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank is van oordeel dat de bewezenverklaarde bedreiging en belaging gelet op de context waarbinnen de gedragingen zijn verricht en het delictverleden van de verdachte jegens [benadeelde 1] gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van [benadeelde 1], de ex-partner van de verdachte. Hieruit volgt dat er in de onderhavige zaak sprake is van een ongemaximeerde terbeschikkingstelling en dat de totale duur van de maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan.

De 38z-maatregel

Uit de PJ-rapportages van de psychiater en de psycholoog en het reclasseringsadvies volgt dat behandeling noodzakelijk is om gedragsverandering bij de verdachte teweeg te brengen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het noodzakelijk dat de 38z-maatregel wordt opgelegd in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen. De rechtbank stelt verder vast dat aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z, eerste lid, Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte.

De straf

De rechtbank is van oordeel dat er naast de tbs-maatregel met dwangverpleging ook een straf aan de verdachte moet worden opgelegd. De ernst van de feiten maakt dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden opgeheven, aangezien artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering van toepassing is, dan wel dat de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden geschorst. De rechtbank wijst deze verzoeken af, gelet op de op te leggen straf en tbs-maatregel.

7
De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen
7.1.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 4.500, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 3.500, - aan immateriële schade en € 1.000, - nader te onderbouwen materiële en/of immateriële schade in verband met hoger beroep.

7.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.500, - (immateriële schade) en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak van de feiten 1, 2 en 4.

7.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

Niet-ontvankelijk

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post € 1.000, - nader te onderbouwen materiële en/of immateriële schade in verband met hoger beroep, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, omdat deze post niet nader is onderbouwd.

Immateriële schade

Op grond van het strafdossier, de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij psychisch letsel heeft opgelopen als rechtstreeks gevolg van de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten. De benadeelde partij heeft angst- en spanningsklachten, last van slapeloosheid en loopt onder behandeling bij de psycholoog. De benadeelde partij heeft daarom recht op vergoeding van immateriële schade als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door de verdachte. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.500, -.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.500, -, bestaande uit immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bij dagvaarding I onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.500, -, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1].

7.2.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.500, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 2.500, - aan immateriële schade en € 1.000, - nader te onderbouwen materiële en/of immateriële schade in verband met hoger beroep.

7.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500, - en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

7.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak van de feiten 1, 2 en 5.

7.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

Niet-ontvankelijk

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte van de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 5 ten laste gelegde feiten (partieel) zal worden vrijgesproken voor zover deze feiten betrekking hebben op de bedreiging, belaging en mishandeling van [benadeelde 2].

Proceskosten

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

8
De vordering tot tenuitvoerlegging
8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering van 13 mei 2025 dat de bij parketnummer 22/001431-21 door het gerechtshof Den Haag op 8 juni 2022 voorwaardelijk opgelegde straf van 10 maanden gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk toe te wijzen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 13 mei 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Den Haag, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

9
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

36f, 37a, 37b, 38z, 57, 285, 285b, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10
De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 en de bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 09/061392-25)

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met verkrachting;

feit 2:

belaging;

feit 3:

diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar tegen de wil van de rechthebbende bevindt;

ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 09/101440-24)

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

legt aan de veroordeelde op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking

als bedoeld in artikel 38z Sr;

voorlopige hechtenis;

wijst het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte af;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 3.500, - en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 9 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [benadeelde 1];

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel [benadeelde 1];

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.500, - vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 9 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [benadeelde 1];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2];

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 8 juni 2022, gewezen onder parketnummer 22/001431-21, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Schaaf, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. S. Pereth, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2026.

Bijlage I

Teksten tenlasteleggingen

Parketnummer 09/061392-25 ( dagvaarding I )

1

hij op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage [benadeelde 1] en/of (zijn kind) [benadeelde 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of opzetaanranding en/of opzetverkrachting, door

- die [benadeelde 1] (met kracht) bij haar polsen vast te pakken en in de richting van haar slaapkamer te duwen en/of haar (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jou vermoorden, ik ga je moeder vermoorden en ik ga jullie seksueel misbruiken en/of verkrachten" en/of

- die [benadeelde 2] weg te duwen van zijn moeder en/of op te tillen en/of weg te zetten en/of hem (daarbij) dreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga jou doodmaken en ik maak je moeder ook dood," althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2025 tot en met 9 maart 2025 te 's-Gravenhage en/of Leidschendam-Voorburg, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke

levenssfeer, te weten die van [benadeelde 1] en/of haar kinderen, door (meermalen)

- die [benadeelde 1] met zijn auto (witte Mercedes Sprinter kenteken [kenteken]) te achtervolgen en/of

- met zijn, verdachtes auto door de straat te rijden waar die [benadeelde 1] en/of haar kinderen wonen en/of in die straat te parkeren en/of

- aan te bellen en/of voor de deur te staan bij de woning van die [benadeelde 1] en/of haar kinderen en/of

- de band(en) van de auto van die [benadeelde 1] lek te steken en/of

- die [benadeelde 1] op te bellen en/of What's app berichten te sturen

met het oogmerk die [benadeelde 1] en/of haar kinderen, te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

3

hij op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage, in een woning gelegen aan de [adres], alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een sleutelbos, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4

hij op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage zijn ex-echtgenote, [benadeelde 1], heeft mishandeld door die [benadeelde 1] (met kracht) bij haar polsen vast te pakken en/of te duwen;

5

hij op of omstreeks 9 maart 2025 te 's-Gravenhage zijn kind, [benadeelde 2] (geboren [geboortedatum 2] 2017), heeft mishandeld door die [benadeelde 2] (met kracht) in/tegen zijn buik te duwen.

Parketnummer 09/101440-24 ( dagvaarding II )

hij op of omstreeks 16 november 2023 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een (auto)ruit en/of een of meerdere zijspiegel(s) (van een auto) en/of een dashboardschermpje, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan (het bedrijf van) de neef van [naam 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.