3.5.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich onder verwijzing naar de bevindingen van forensisch arts dr. H.G.T. Nijs op het standpunt dat de dijbeenbreuk van [minderjarige 1] niet te verklaren is op basis van de handelingen van de verdachte, waarover hij heeft verklaard en die hij heeft voorgedaan tijdens een politieverhoor, omdat dit een te beperkte krachtsinwerking betreft. De dijbeenbreuk kan wel passen bij die verklaring als sprake is van buitenproportionele krachten. De officier van justitie stelt zich voorts op het standpunt dat geen onderbouwing is gevonden voor de stelling van de verdediging dat de breuk in het linker dijbeen een medische oorzaak heeft. Gelet op de aard van het letsel is er fors geweld toegepast op het been, zodat geen sprake kan zijn geweest van louter onvoorzichtig handelen. De verdachte heeft de aanmerkelijke kans op het toebrengen van pijn en letsel bij zijn zoon aanvaard, wat maakt dat de officier van justitie uitgaat van voorwaardelijk opzet daarop.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte bij het aankleden geen geweld heeft gepleegd, maar slechts het been heeft gebogen. Het letsel bij [minderjarige 1] kan redelijkerwijs niet als gevolg van verdachtes handelen aan hem worden toegerekend, nu de handelingen van de verdachte naar hun aard niet geschikt waren om het letsel teweeg te brengen. Er moet, volgens de verdediging, een andere, medische oorzaak zijn van de breuk in het been van [minderjarige 1] .
Voorts is geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van letsel. Hiertoe is aangevoerd dat de kans dat een vier maanden oude baby als gevolg van het buigen van het been bij het aankleden lichamelijk letsel oploopt, naar algemene ervaringsregels heel klein is. Subsidiair stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 1 februari 2022 kwam de echtgenote van de verdachte met hun zoon [minderjarige 1] , die toen circa vier maanden oud was, in het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda. Volgens de echtgenote had de verdachte bij het aankleden van [minderjarige 1] een knak gehoord. Sindsdien was [minderjarige 1] erg aan het huilen. Het linkerbeen stond iets naar binnen toe en leek pijnlijk bij aanraken. Bij radiologisch onderzoek op 1 februari 2022 werd een spiraalbreuk in de schacht van het linker dijbeen gezien. Dit letsel staat niet ter discussie en staat voor de rechtbank ook vast. De verdachte heeft, zo blijkt uit zijn verklaring, [minderjarige 1] op het bed gelegd om hem af te drogen en aan te kleden. Toen hij de broek bij [minderjarige 1] aandeed, hoorde hij bij het manoeuvreren van het beentje in de broek een ‘knak’.
Bij [minderjarige 1] zijn een paar weken later ook twee ribbreuken geconstateerd. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld wanneer en hoe die ribbreuken zijn ontstaan. De rechtbank zal daar verder dan ook niet op ingaan, maar enkel op de dijbeenbreuk.
De rapporten van dr. Nijs en dr. Pals
In het dossier bevindt zich een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) met betrekking tot “forensisch-medisch onderzoek van een circa 4 maanden oude jongen” op 15 maart 2025 opgemaakt door dr. H.G.T. Nijs (hierna: Nijs), forensisch arts. Voorts bevindt zich in het dossier een op verzoek en in opdracht van de verdediging opgemaakt “Expert rapport inzake verdenking kindermishandeling betreffende [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 2] 2021” op 9 februari 2025 opgemaakt door dr. G. Pals (hierna: Pals). Beide deskundigen zijn door de rechtbank ter zitting gehoord.
Pals is klinisch moleculair geneticus en biochemicus. Hij is gespecialiseerd in zeldzame erfelijke bindweefselziekten, met name Osteogenesis Imperfecta en het Ehler Danlos Syndroom. Hij is echter geen (forensisch) arts en kan – anders dan Nijs – niet aangemerkt worden als deskundig op het gebied van forensische statistiek of forensische (kinder)geneeskunde, zijnde de voor de beantwoording van de vraagstelling (als weergegeven op p. 5 van het NFI-rapport) vereiste expertisegebieden. De rechtbank zal het rapport van dr. Pals daarom niet betrekken bij de beoordeling.
Nijs schrijft dat voor het ontstaan van een botbreuk aan een lang pijpbeen, zoals bijvoorbeeld een dijbeenbot, bij een gezond bot, een forse krachtsinwerking benodigd is, en wel in zodanige mate dat deze gebruikelijke en normaal uitgevoerde verzorgingshandelingen ruim overstijgt. Een schuine of dwarse breuk van de dijbeenschacht ontstaat als gevolg van een combinatie van buig- en trekkracht op dat bot. Concluderend schrijft Nijs dat de breuk van de dijbeenschacht links is ontstaan door forse buig- en of trekkrachten op het bot.
In zijn rapport schrijft Nijs ook dat voor het gebroken linker dijbeen bij uitgebreid medisch onderzoek, waaronder een second opinion bij een kinderarts en klinisch geneticus in het UMC Utrecht, geen aanwijzing voor een (eventueel bijkomende) medische (ziekelijke) oorzaak is gevonden, zoals Osteogenesis Imperfecta (hierna: OI), Ehlers Danlos Syndroom en HCFS functiestoornis (voorheen KISS-syndroom). Het letsel is ontstaan door een forse krachtsinwerking. Nijs voegt hier nog aan toe dat bij een kind jonger dan één jaar (van een ouder met het Ehlers Danlos Syndroom) geen enkel bewijs is voor een eventueel verlaagde botdichtheid met daardoor een verhoogde kans op botbreuken. Het KISS-syndroom heeft niets van doen met het ontstaan van botbreuken.
Nijs concludeert op basis van beoordeling van de ontvangen medische en overige gegevens, literatuur, kennis en ervaring dat het aantreffen van de dijbeenbreuk links bij een niet-mobiel kind van bijna vier maanden oud iets waarschijnlijker is onder de hypothese van niet-accidentele krachtsinwerking (toegebracht letsel) dan onder de hypothese van een accidentele krachtsinwerking. Een gebroken dijbeen ontstaat volgens Nijs niet bij normaal aantrekken van een broek zoals door de verdachte is verklaard, omdat dit een beperkte krachtsinwerking betreft. Nijs voegt daaraan toe dat deze breuk wel kan passen bij die verklaring als sprake was van buitenproportionele krachten.
De rechtbank overweegt dat de conclusies van Nijs gedragen worden door zijn bevindingen, en bovendien ook onderbouwd zijn met de medische gegevens uit het dossier en literatuur. De rechtbank legt die conclusies dan ook mede aan haar oordeel ten grondslag.
Oordeel van de rechtbank over het ontstaan van het letsel
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een medische (bijkomende) oorzaak voor het ontstaan van het letsel kan worden uitgesloten. En zelfs al zou [minderjarige 1] lijden aan het Ehlers Danlos Syndroom, dan is dat geen aanwijzing voor een eventueel verlaagde botdichtheid met daardoor een verhoogde kans op botbreuken. Ook het KISS-syndroom staat niet in relatie tot het ontstaan van botbreuken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er tijdens het aankleden van [minderjarige 1] door de verdachte sprake moet zijn geweest van een niet-accidentele krachtsinwerking, zoals forse buig- en/of trekkrachten op het been, waardoor de breuk in het linker dijbeen van [minderjarige 1] is ontstaan. Dit letsel past namelijk, zoals door Nijs uiteengezet, niet bij het normaal aantrekken van een broek, omdat dit een te beperkte krachtsinwerking betreft. Een accidentele krachtsinwerking is, in aanmerking genomen de verklaring van de verdachte over hoe het letsel is ontstaan, daarmee feitelijk uitgesloten.
Voorwaardelijk opzet op het toebrengen van letsel
De rechtbank stelt voorop dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte met zijn gedraging willens en wetens lichamelijk letsel aan zijn zoon [minderjarige 1] heeft toegebracht. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Vervolgens ligt de vraag voor of sprake is van voorwaardelijk opzet. Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard. Of een gedraging de aanmerkelijke kans op het intreden van een bepaald gevolg – in dit geval lichamelijk letsel – in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Bij de vraag of de aanmerkelijke kans door de verdachte ook bewust is aanvaard, spelen de gedragingen van de verdachte eveneens een rol. Bepaalde gedragingen kunnen namelijk naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zodanig gericht op een bepaald gevolg, dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat tijdens het aankleden van [minderjarige 1] door de verdachte en specifiek tijdens het manoeuvreren van het beentje in de broek sprake was van een forse krachtsinwerking, zoals buig- en/of trekkrachten, op het been, waardoor de breuk in het dijbeen van [minderjarige 1] is ontstaan. [minderjarige 1] was destijds een vier maanden oude baby. Het is een feit van algemene bekendheid dat een baby kwetsbaar is. Naar algemene ervaringsregels levert de door de verdachte toegepaste forse krachtsinwerking op het been van zijn vier maanden oude zoon een aanmerkelijke kans op dat hierdoor lichamelijk letsel, zoals een breuk, ontstaat. De rechtbank is van oordeel dat de gedraging van de verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zodanig gericht was op het veroorzaken van lichamelijk letsel, waaronder een botbreuk, dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop ook bewust heeft aanvaard. Van aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.
Dit alles maakt dan ook dat de rechtbank van oordeel is dat de onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het onttrekken van de kinderen aan het wettig gezag, kort gezegd omdat zij vindbaar waren voor de autoriteiten in Duitsland, dachten dat ze alles volgens het boekje deden en omdat de verdachte erop vertrouwde dat zijn echtgenote de instanties zou informeren.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in april 2022 samen met zijn echtgenote en zijn twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2021, en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2019, naar Duitsland is vertrokken. Ten aanzien van beide kinderen gold vanaf 29 april 2022 een door de kinderrechter uitgesproken mondelinge Voorlopige Onder Toezichtstelling (hierna: VOTS). Op 2 mei 2022 is de officiële VOTS door de rechter uitgesproken. De verdachte en zijn echtgenote waren daar in ieder geval op 2 mei 2022 van op de hoogte en zijn niet zelf naar Nederland teruggekeerd.
De rechtbank volgt het verweer van de verdediging dat geen sprake kan zijn van (voorwaardelijk) opzet niet en overweegt als volgt. De rechtbank kan de inhoud van de in de bewijsmiddelen genoemde WhatsApp-berichten en het tapgesprek niet anders uitleggen dan dat de verdachte zijn kinderen uit de handen van jeugdzorg wilde houden. Daarenboven leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat de verdachte ervan op de hoogte was dat er een onderzoek naar een mogelijke beschermingsmaatregel met betrekking tot zijn kinderen aan de orde was en dat hij samen met zijn echtgenote en twee kinderen halsoverkop naar Duitsland is vertrokken, om af te zijn van de dreiging van jeugdzorg.
De rechtbank is, gelet op wat hiervoor is overwogen, van oordeel dat de verdachte door in nauwe en bewuste samenwerking met zijn echtgenote zijn minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] mee te nemen naar Duitsland, zonder toestemming van, informeren van of overleg met de jeugdbescherming of een andere Nederlandse autoriteit, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] opzettelijk heeft onttrokken aan het opzicht dat de jeugdbescherming over hen uitoefende. Dit maakt dat het onder feit 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder feit 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit en het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 1 februari 2022 te Haastrecht, zijn kind, [minderjarige 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2021) heeft mishandeld door het uitoefenen van geweld op het been van voornoemd kind;
2.hij in de periode van 2 mei 2022 tot en met 4 mei 2022 in Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk minderjarigen, te weten: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2019, heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hun uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.