Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:5291

Op 13 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/288940-24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:5291. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/288940-24
Datum uitspraak:
13 March 2026
Datum publicatie:
13 March 2026

Indicatie

Geweld op het voetbalveld. De verdachte heeft als supporter twee voetballers van de tegenstander zwaar mishandeld. Hoewel in beginsel voor deze feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hoort te worden opgelegd, legt de rechtbank mede gelet op het tijdsverloop de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 240 uur op, met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand. De vorderingen van de benadeelde partijen tot vergoeding van onder meer immateriële schade worden toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/288940-24

Datum uitspraak: 13 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 27 februari 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. W. Römelingh naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Delft,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer gebroken

en/of verbrijzelde kaken, heeft toegebracht,

door die [aangever 1]

- te slaan tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, en/of

- te schoppen tegen de borstkas en/of het hoofd, althans tegen het lichaam;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Delft,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[aangever 1] heeft mishandeld door die [aangever 1]

- te slaan tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, en/of

- te schoppen tegen de borstkas en/of het hoofd, althans tegen het lichaam

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer gebroken en/of

verbrijzelde kaken, ten gevolge heeft gehad;

en/of

hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Delft,

openlijk, te weten op een voetbalveld van [voetbalclub 1] , in elk geval

op of aan de openbare en/of een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging,

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 1] , door die [aangever 1]

- te slaan tegen het gezicht, althans tegen het lichaam, en/of

- te schoppen tegen de benen, en/of het bovenlijf en/of het hoofd, althans tegen het

lichaam;

2

hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Delft,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft

toegebracht, door die [aangever 2] te slaan tegen het gezicht;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Delft,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[aangever 2] heeft mishandeld door te slaan tegen het gezicht,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, ten gevolge

heeft gehad;

en/of

hij op of omstreeks 10 februari 2024 te Delft,

openlijk, te weten op een voetbalveld van [voetbalclub 1] , in elk geval

op of aan de openbare en/of een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging,

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever 2] , door die [aangever 2] te slaan

in het gezicht.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Inleiding

Op zaterdag 10 februari 2024 vond in Delft een voetbalwedstrijd plaats tussen twee teams van de voetbalverenigingen [voetbalclub 1] en [voetbalclub 2] . Tijdens de wedstrijd was sprake van gewelddadig gedrag door (reserve)spelers en supporters van [voetbalclub 2] tegen twee spelers van [voetbalclub 1] , [aangever 1] en [aangever 2] . [aangever 1] en [aangever 2] hebben hierbij kaakletsel opgelopen. [aangever 2] heeft een van zijn kaken gebroken, [aangever 1] beide kaken.

Het geweld tegen [aangever 1] en [aangever 2] is de verdachte - onder 1 respectievelijk 2 - primair ten laste gelegd als (medeplegen van) zware mishandeling. Onder 1 subsidiair eerste cumulatief/alternatief is dit hem ten laste gelegd als (medeplegen van) mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, en onder 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief is dit ten laste gelegd als openlijke geweldpleging.

3.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair eerste cumulatief/ alternatief, met uitzondering van de strafverzwarende omstandigheid dat het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, ten gevolge heeft gehad, en tweede cumulatief/alternatief en het onder 2 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplegen.

3.3.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig bewijs is dat de verdachte één klap heeft gegeven. De verdachte is betrokken geweest bij niet meer dan een van de twee incidenten.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot de onder 1 subsidiair eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde mishandeling en de onder 1 subsidiair tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde openlijk geweldpleging op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard.

3.4.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024048206, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 171).

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] , opgemaakt op 14 februari 2024, voor zover inhoudende (p. 37 - 41):

Ik ben lid van [voetbalclub 1] te Delft. Op 10 februari 2024 moest ik een thuiswedstrijd voetballen tegen [voetbalclub 2] 3 als keeper. Ik voelde ik dat ik een harde klap kreeg tegen de rechter zijde van mijn gezicht op mijn rechter kaak. Ik zag dat dit een vuistslag was. In het ziekenhuis verwezen zij mij door naar het Haga ziekenhuis voor een CT scan bij de spoedeisende hulp. Ik bleek beide kaken te hebben gebroken. Ik hoorde de arts zeggen dat mijn linker kaak volledig doormidden gebroken was. Mijn rechter kaak is verbrijzeld door het geweld en daar zaten zwellingen. Mijn kaak zit aan de onderzijde nog net aan elkaar maar er zit wel een flinke breuk. Momenteel heb ik pijn in mijn kaak als ik mijn medicatie niet neem. Ik kan mijn dagelijkse dingen niet doen zoals eten, tandenpoetsen en ik slaap slecht.

2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever 2] , opgemaakt op 14 februari 2024, met bijlagen, voor zover inhoudende (p. 13 - 30):

Op 10 februari 2024 speelde ik met mijn team tegen [voetbalclub 2] . Ik zag een teamspeler op de grond liggen. Ik zag dat dit mijn teamgenoot [aangever 1] was. Ik zag op dat moment 3 of 4 man op mij af komen rennen. Ik zag dat dit spelers waren en supporters. Ik kreeg een klap van een man. Ik voelde een harde vuistslag tegen mijn linker kaak. Ik zag en voelde dat de man mij met opzet en kracht een harde vuistslag gaf. Ik voelde gelijk pijn en ik voelde en proefde bloed in mijn mond. Ik had erg pijn in mijn kaak. Ik voelde een gat tussen mijn tanden. De man die mij geraakt heeft kan ik als volgt omschrijven: Ik zag dat dit een supporter was; man, blank, rood rozig baard en snor, zwarte baseball pet, normaal postuur, zwarte jas, zwarte broek, witte sneakers. In de kleedkamer heb ik de spoedtandarts gebeld. Daar werd geconcludeerd dat mijn kaak op 1 plek is gebroken. Er is een spalk geplaatst en ik word 16 februari 2024 aan mijn kaak geopereerd. Tot die tijd moet ik pijnstillers slikken en mag ik niet kauwen. Na de operatie moet ik 6 weken herstellen.

4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 80 - 81):

Op 14 maart 2024 hoorde ik, verbalisant, telefonisch de getuige [getuige 1] . Nadat ik de getuige had gevraagd of zijn verslag over de gang van zaken tijdens de wedstrijd tussen [voetbalclub 1] en [voetbalclub 2] weergaf, verklaarde deze:

Mijn verslag is inderdaad de waarheid hoe de wedstrijd tussen [voetbalclub 1] en [voetbalclub 2]

verlopen is. Op 10 februari 2024 vond een voetbalwedstrijd plaats. [aangever 1] die de boel wilde sussen kreeg van een supporter uit het niets een hele harde stoot op zijn kaak. [aangever 2] , een andere speler van ons, werd door dezelfde supporter ook tegen zijn kaak geslagen. De man was ongeveer 1,75, had een rossige baard en droeg een pet. Zijn haarkleur leek een beetje blond/oranje. Ik weet zeker dat hij l x op [aangever 2] en l x op [aangever 1] heeft geslagen.

5. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 31 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 92 - 93):

Ik zag dat [aangever 1] een rechterhoek op zijn gezicht kreeg. Ik zag dat hij deze klap kreeg van een supporter. Deze supporter was zwart gekleed en droeg een zwarte pet en had rood haar. Hij was ongeveer 170 cm lang en had een blanke huidskleur. Vervolgens zag ik dat [aangever 2] ook een rechterhoek op zijn gezicht kreeg.

5. Het proces-verbaal van bevindingen van verhoor getuige [getuige 3] , opgemaakt op 7 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 72):

Mijn verslag aan de KNVB is inderdaad een verslag van hoe de wedstrijd tussen [voetbalclub 1] en [voetbalclub 2] verlopen is.

Letterlijke weergave van het verslag:

Tijdens de achtervolging over het veld probeerde een tweetal spelers van [voetbalclub 1] de zaken te sussen. Beide spelers van [voetbalclub 1] werden tegen de grond gewerkt en zijn daar meerdere malen geslagen en geschopt door (reserve)spelers van [voetbalclub 2] als ook door de supporters terwijl zij op de grond lagen.

U vraagt mij of ik gezien heb wie de twee spelers van [voetbalclub 1] hebben mishandeld en of ik deze zou kunnen beschrijven?

De eerste persoon is wat mij betreft heel duidelijk. Dit betreft de supporter van [voetbalclub 2][voetbalclub 2] . Hij was gekleed in donkere kleding. Hij had een rossig baardje en een petje op. Ik heb gezien dat deze supporter aan het slaan was op de twee spelers van[voetbalclub 1] . Dit betroffen de twee spelers [aangever 1] en [aangever 2] .

6. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 24 augustus 2024, voor zover inhoudende (p. 59):

Ik, verbalisant, heb op 24 augustus 2024 telefonisch contact opgenomen met beide slachtoffers.

Aangever [aangever 2] vertelde dat de gehele herstelperiode minimaal 8 weken heeft geduurd. Hij heeft 6 weken niet kunnen kauwen en vloeibaar eten gegeten. Hethele incident heeft dagelijks invloed op zijn leven mede doordat hij een gevoeligetand heeft, wat de rest van het leven blijft.Aangever [aangever 1] vertelde dat de vele breuken in zijn kaak een probleem waren. Dat zijn kaak operatief niet hersteld kon worden. De enige oplossing was dat hij met vele slotjes en heel veel elastieken zijn kaak op elkaar moest houden voor herstel. Dit hield in dat hij 6 weken lang niet mocht praten om zijn kaak te ontlasten en enkel via een heel dun rietje vocht en vloeibare voeding kon innemen.

7. Het geschrift, te weten patiëntgegevens [aangever 1] , gegenereerd op 24 april 2024, voor zover inhoudende (p. 50 - 58):

Kaak is op 2 plaatsen gebroken. Dubbelzijdige mandibula fractuur minimale dislocatie. Comminutieve fractuur van de ramus mandibula rechts en fractuur door corpus mandibula links.

8. Het proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, opgemaakt op 9 juli 2024, voor zover inhoudende als bijlagen: medische gegevens van [aangever 2] (p. 31 - 36):

Paramediane mandibulafractuur.

9. Het geschrift, te weten een verslag van de behandeling van patiënt [aangever 2] door Tandarts Spoedpraktijk, gedateerd 10 februari 2024, voor zover inhoudende (p. 36):

Kaakfractuur.

10. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting, voor zover inhoudende:

Op 10 februari 2024 was ik als supporter van [voetbalclub 2] aanwezig bij een voetbalwedstrijd tegen [voetbalclub 1] in Delft. Op het voetbalveld heb ik met gebalde vuist een speler van [voetbalclub 1] een klap tegen zijn gezicht gegeven. Het zou kunnen dat dit [aangever 2] was. Ik hoor wel vaker dat ik een rossige baard heb.

3.5.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte was op 10 februari 2024 als supporter van [voetbalclub 2] aanwezig bij de genoemde voetbalwedstrijd. Op een gegeven moment werd een speler van [voetbalclub 1] door zowel (reserve-) spelers als supporters van [voetbalclub 2] achtervolgd over het veld. De spelers van [voetbalclub 1] [aangever 1] , die de boel wilde sussen, en [aangever 2] , die [aangever 1] probeerde te beschermen, zijn tegen hun gezicht geslagen en hebben gebroken kaken opgelopen.

De verdachte heeft verklaard dat hij – nadat hij zelf een klap had gekregen – een speler van [voetbalclub 1] met gebalde vuist in zijn gezicht heeft geslagen.

[getuige 1] heeft reeds een dag na het incident verklaard dat een man met het signalement van de verdachte zowel [aangever 1] als [aangever 2] tegen de kaak heeft geslagen. Deze verklaring heeft hij herhaald bij de politie. De verklaring van [getuige 1] wordt ondersteund door de verklaringen van andere getuigen. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de gebruikte bewijsmiddelen.

De rechtbank ziet, anders dan de raadsman, geen reden om de voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen onbetrouwbaar te achten en op betwiste delen daarvan uit te sluiten van het bewijs. Dat de getuigenverklaringen het resultaat zijn geweest van onderlinge beïnvloeding acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. In de verschillende getuigenverklaringen leest de rechtbank bijvoorbeeld terug dat de getuigen ook geregeld aangeven iets niet te weten. Dat [aangever 1] samen met een ander direct na het voetbalgeweld schriftelijke verklaringen heeft verzameld, blijkt uit het dossier, maar er zijn geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de eerste verklaringen, die kennelijk via de mail of WhatsApp zijn verstuurd, na onderlinge beïnvloeding van de getuigen tot stand zijn gekomen of dat tot het bewijs gebruikte verklaringen van de getuigen - die niet identiek zijn - door verklaringen van anderen zijn beïnvloed.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte de persoon is geweest die op 10 februari 2024 zowel [aangever 1] als [aangever 2] tegen het gezicht heeft geslagen.

Zwaar lichamelijk letsel?

Voor de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel wordt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.

De rechtbank is van oordeel dat [aangever 1] door de mishandeling zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en overweegt daartoe als volgt.

Zoals blijkt uit de toelichting bij zijn vordering benadeelde partij heeft [aangever 1] als gevolg van de mishandeling beide kaken gebroken en andere breuken in het aangezicht opgelopen. Op enkele tanden is een slotjesbeugel geplaatst die de kaken door middel van elastiekjes

diende te fixeren. Daarnaast was het gebied rond de slaap verbrijzeld. Er was sprake van

een breuk van een uitsteeksel van het wiggenbeen (bij de schedelbasis). Er kon geen operatie aan de kaak plaatsvinden omdat een operatie met intubatie ook voor verergering of disclocatie van de breuk zou kunnen zorgen, waardoor is gekozen voor behandeling met ‘brackets’. Dit hield in dat hij zes weken lang niet mocht praten om zijn kaak te ontlasten en enkel via een dun rietje vocht en vloeibare voeding kon innemen. De kaak is nog altijd gevoeliger dan voor de mishandeling.

Gelet op de totaliteit, ernst en de aard van het letsel en de noodzaak van een ingrijpende behandeling met betrekking tot het letsel is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het door de verdachte tegen [aangever 1] gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat ook [aangever 2] door de mishandeling zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en overweegt daartoe als volgt. Uit de medische informatie volgt dat [aangever 2] een kaakfractuur heeft opgelopen. Zoals blijkt uit de toelichting bij de vordering benadeelde partij van [aangever 2] , weken door zijn gebroken kaak zijn voortanden uiteen. De voortanden zijn bij elkaar gehouden door plaatsing van een spalkje. Hij is twee dagen later geopereerd aan zijn kaak. Dit betrof een ingrijpende operatie waarbij twee titaniumplaatjes zijn geplaatst. De gehele herstelperiode heeft minimaal acht weken geduurd. [aangever 1] heeft zes weken niet kunnen kauwen en vloeibaar eten gegeten.

Gelet op de totaliteit, ernst en de aard van het letsel, de noodzaak en aard van operatief medisch ingrijpen met betrekking tot het letsel, is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat het letsel als zwaar lichamelijk letsel is te kwalificeren.

Conclusie

Concluderend acht de rechtbank de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Medeplegen?

Er was sprake van exceptioneel gewelddadig handelen door de verdachte, waarvan op basis van het dossier niet kan worden aangenomen dat andere betrokken geweldplegers daar ook opzet op hadden. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

3.6.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij op 10 februari 2024 te Delft aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken kaken, heeft toegebracht door die [aangever 1] te slaan tegen het gezicht.

2

hij op 10 februari 2024 te Delft aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak, heeft toegebracht, door die [aangever 2] te slaan tegen het gezicht.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een straf kan worden opgelegd die ligt tussen een geldboete van € 1000,- en een taakstraf voor de duur van 120 uren.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van twee slachtoffers. Hij is als supporter van een voetbalvereniging tijdens een wedstrijd het veld opgegaan om een speler van de tegenstander die zich provocerend zou hebben gedragen achterna te zitten en heeft slachtoffer [aangever 1] , die de boel wilde sussen, en slachtoffer [aangever 2] , die probeerde [aangever 1] te beschermen, met de vuist tegen het hoofd geslagen. Als gevolg van de vuistslagen hebben de slachtoffers gebroken kaken opgelopen, met forse lichamelijke beperkingen tot gevolg.

De verdachte heeft op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Geweld op en rond het voetbalveld is een maatschappelijk probleem. Het leidt bij spelers, clubs en toeschouwers tot gevoelens van onrust en onveiligheid. Daaraan heeft de verdachte een bijdrage geleverd.

Uit de slachtofferverklaring die [aangever 2] ter zitting heeft afgelegd, blijkt dat de zware mishandeling veel pijn, een operatie, zes weken vloeibaar voedsel en een verminderd vertrouwen in zijn algehele veiligheid als gevolg heeft gehad.

Uit de toelichting bij zijn vordering benadeelde partij blijkt dat [aangever 1] veel last heeft gehad van het feit dat hij zes weken niet mocht praten, enkel vloeibaar voedsel door een rietje kon innemen en veel pijn heeft gehad. [aangever 1] heeft zich door de geweldsuitbarsting angstig gevoeld en heeft lange tijd grote groepen mensen vermeden. Het plezier in voetbal is voor [aangever 1] sindsdien verdwenen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 16 februari 2026. De reclassering ziet geen directe zorgen of risicoverhogende factoren en acht het recidiverisico laag. Bij veroordeling van de verdachte adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. De reclassering acht interventies of toezicht niet nodig.

Straf

In beginsel hoort naar het oordeel van de rechtbank voor feiten als deze een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te worden opgelegd. Mede gelet op het tijdsverloop zal de rechtbank echter de door de officier van justitie gevorderde taakstraf van 240 uren opleggen, en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Dit laatste om enerzijds de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7
De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen
7.1

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.260,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 885,00 aan materiële schade en € 9.375,00 aan immateriële schade.

7.1.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

7.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat van de twee door de benadeelde partijen ingediende vorderingen er één kan worden toegewezen, zij het dat een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding passender lijkt.

7.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 9.375,00.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 10.260,00, bestaande uit € 885,00 aan materiële schade en € 9.375,00 aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 februari 2024, de datum waarop het feit is gepleegd.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.260,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,

ten behoeve van [aangever 1] .

7.2

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.093,09, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 718,09 aan materiële schade en € 9.375,00 aan immateriële schade.

7.2.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente.

7.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ook hier op het standpunt gesteld dat van de twee door de benadeelde partijen ingediende vorderingen er één kan worden toegewezen, zij het dat een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding passender lijkt.

7.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post materiële schade, is namens de verdachte niet betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 primair bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 9.375,00.

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 10.093,09, bestaande uit € 718,09 aan materiële schade en € 9.375,00 aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 februari 2024, de datum waarop het feit is gepleegd.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 10.093,09, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald,

ten behoeve van [aangever 2] .

8
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9
De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2 primair:

zware mishandeling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (TWEEHONDERDVEERTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) DAGEN;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (EEN) MAAND;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] toe tot een bedrag van € 10.260,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 10.260,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 76 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] toe tot een bedrag van € 10.093,09 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2] ;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 10.093,09, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 februari 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.M. Meskers, voorzitter,

mr. J. Schaaf, rechter,

mr. S. Pereth, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H.A.F. Tromp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 maart 2026.