Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:538

Op 14 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/003431-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:538. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/003431-25
Datum uitspraak:
14 January 2026
Datum publicatie:
14 January 2026

Indicatie

Volgt

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/003431-25

Datum uitspraak: 14 januari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres], [postcode] te [woonplaats],

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 31 december 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.B. Schiphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. A.F. Mandos, naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 3, 4 en 5 bewezen kunnen worden verklaard, nu de verdachte deze feiten heeft bekend. Voor de feiten 1 en 2 bepleit hij vrijspraak, omdat deze feiten niet bewezenverklaard kunnen worden, omdat de verdachte deze heeft ontkend.

3.3

Gebruikte bewijsmiddelen (feiten 1 en 2)

De rechtbank heeft de opgave van bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van de feiten onder 1 en 2 redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II.

3.4

Bewijsoverwegingen

De verdachte heeft in het politieverhoor ontkend dat hij bij het achteruit rijden over de voet van [aangever 1] zou zijn gereden en dat hij [aangever 2] - terwijl deze met zijn bovenlichaam in het autoraam hing - met zijn auto zou hebben meegesleurd. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer verder heeft gereden nadat beide mannen eenmaal bij zijn auto waren aangekomen.

De zoon [aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte na een stop bij een glasbak met zijn auto over zijn linkervoet heen reed en dat hij een aantal meter is meegesleurd door het voertuig, omdat die verder reed. Zijn vader [aangever 2] heeft een daarmee overeen komende verklaring afgelegd.

Ter terechtzitting zijn camerabeelden getoond vanaf verscheidene posities op [straatnaam] in Den Haag. Daarnaast bevat het dossier een proces-verbaal waarin de camerabeelden zijn uitgeschreven. Te zien is dat de verdachte met zijn auto in een bocht van [straatnaam] tegen de (links) geparkeerde auto van [aangever 2] is gereden, vervolgens achteruit is gereden en wegreed, om naast een glasbak aan de rechterkant van de straat weer een tijd lang stil te staan. Te zien is dat op dat moment [aangever 2] en [aangever 1] naar buiten komen. Die laatste loopt in de richting van de plek waar de auto van de verdachte op dat moment stilstaat. [aangever 2] lijkt eerst de schade aan zijn auto te bekijken en stapt in, en rijdt dan zijn zoon - die in de richting van de auto van de verdachte wijst - achterna. Vervolgens is op camerabeelden (vanuit een andere hoek) te zien dat de verdachte – na enige tijd te hebben stilgestaan bij de glasbak – rechtdoor rijdt en stopt bij een parkeerplaats bij de flat aan het einde van [straatnaam]. Daar bereikt eerst [aangever 1] hem, even later gevolgd door [aangever 2] in diens auto. [aangever 2] stapt vervolgens uit. Te zien is dat beiden zich dan bij de auto van de verdachte ophouden – hoewel onduidelijk blijft wat er precies gebeurt - en dat de verdachte daarna weer (hard) wegrijdt.

Niet op de beelden is te zien, wat er vervolgens gebeurt. Uit de dossierstukken komt wel naar voren dat de auto van de verdachte uiteindelijk tot stilstand is gekomen bij een tientallen meters verder van de parkeerplaats gelegen plantsoen en dat de verdachte op die plek uit zijn auto is gehaald door [aangever 2] en [aangever 1], totdat de politie ter plekke arriveerde. Hieruit volgt dat de eerdere verklaring bij het politieverhoor van de verdachte, dat hij niet meer met de auto heeft gereden nadat beide mannen bij zijn auto kwamen, niet voor juist kan worden gehouden.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich niets meer te kunnen herinneren van de hierboven beschreven gebeurtenissen. Hij heeft verklaard vlak voor én tijdens deze gebeurtenissen in zijn auto lachgas te hebben gebruikt. Daarbij heeft hij toegelicht dat als hij lachgas heeft gebruikt, “niets merkt wat er om hem heen gebeurt, en niet weet wat er links en rechts van hem is”.

Ter zitting geconfronteerd met de camerabeelden en zijn eerdere (ontkennende) verklaringen bij de politie, is de verdachte erbij gebleven zich in het geheel niets meer te kunnen herinneren.

Gezien het vorenstaande, en het feit dat de verdachte het bij het politieverhoor heeft gelaten bij de enkele ontkenning van de gebeurtenissen, terwijl de gedetailleerde verklaringen van [aangever 2] en [aangever 1] hierover op essentiële punten overeenkomen, oordeelt de rechtbank – mede op grond van de overige bewijsmiddelen - dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte op 3 januari 2025 [aangever 1] heeft aangereden en over diens voet is gereden (feit 1); dat hij [aangever 2] met zijn auto heeft meegesleurd, terwijl deze (half) uit die auto hing en daarbij in de richting van de zich aan de linkerzijde van weg bevindende bomen en lantaarnpalen is gereden (feit 2).

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of bij deze handelingen van de verdachte sprake is van een poging tot zware mishandeling van [aangever 1] en [aangever 2]. De rechtbank kan niet vaststellen dat er sprake was van vol opzet van de verdachte op zware mishandeling. De vraag is dus of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever 1] en [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen door het handelen van de verdachte.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het (hard) achteruit rijden met een auto, terwijl zich een persoon vlakbij het raam aan de bestuurderskant bevindt, waarbij over de voet van die persoon wordt heengereden, zwaar lichamelijk letsel met zich mee kan brengen.

Hetzelfde geldt voor het met een auto (door)rijden terwijl een ander persoon half in het raam aan de bestuurderskant hangt, en daarbij in de richting van zich aan de linkerkant van de weg bevindende objecten te rijden.

Door desondanks te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans bewust aanvaard dat [aangever 1] en [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gepoogd om [aangever 1] en [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3.5

Opgave bewijsmiddelen (feiten 3, 4 en 5)

De rechtbank zal voor de feiten onder 3, 4 en 5 van de tenlastelegging met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan.

De rechtbank heeft de opgave van bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van de feiten onder 3, 4 en 5 redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II.

De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk (grotendeels) bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

3.6

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1. hij op 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 1] heeft aangereden met zijn, verdachtes, voertuig en

over de voet van die [aangever 1] is gereden met voormeld voertuig, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 hij op 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 2] heeft meegesleurd met zijn, verdachtes, voertuig, en terwijl die [aangever 2] (half) uit/aan de auto hing, in de richting van bomen en lantaarnpalen is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 hij op 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, zich met geweld, heeft verzet tegen ambtenar(en), te weten:

- [naam 1], brigadier van politie Eenheid Den Haag,

- [naam 2], agent van politie Eenheid Den Haag en

- [naam 3], politieambtenaar bij de Eenheid Den Haag,

allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter

aanhouding van verdachte, door

- met zijn, verdachtes, voertuig weg te rijden terwijl die [naam 1] en die [naam 2] (deels) in zijn voertuig hingen en

- die [naam 1] mee te sleuren met zijn, verdachtes, voertuig en

- tijdens een achtervolging een aanrijding te veroorzaken met het voertuig waarin die [naam 3] zich bevond, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten

- een of meer verwondingen aan de hand en pols van die [naam 1] en die [naam 2] en die [naam 3] en

- een of meer kneuzingen aan de schouder en de nek van die [naam 2],

ten gevolge heeft gehad.

4 hij op 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een voertuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, te weten op de Energiestraat en de Dynamostraat en [straatnaam], zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door

- geen verlichting te voeren,

- slingerend te rijden,

- op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te rijden,

- zonder rijbewijs te rijden,

- onder invloed van lachgas te rijden en

- zijn voertuig (meermalen) niet tijdig tot stilstand te brengen, waardoor hij tegen diverse auto's is aangereden,

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.

5 hij in de periode van 3 januari 2025 tot en met 26 juni 2025 te 's-Gravenhage, althans (elders) in Nederland, steeds aanwezig heeft gehad

- op 3 januari 2025: 3.729,6 gram distikstofmonoxide (lachgas) en

- op 5 mei 2025: 670 gram distikstofmonoxide (lachgas) en

- op 26 juni 2025: 3.700 gram distikstofmonoxide (lachgas),

telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 195 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd. Daarnaast dient aan de verdachte een taakstraf van 150 uur te worden opgelegd. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 maanden wordt opgelegd, met een proeftijd van drie jaar.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de strafeis en de op te leggen voorwaarden getuigen van redelijkheid, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal strafbare feiten, die alle binnen een korte tijdspanne zijn gepleegd toen de verdachte zich – op de vlucht voor de politie - in zijn auto heeft verplaatst van de Energieweg naar [straatnaam] in ’Den Haag.

De verdachte is op de Energieweg plotseling hard weggereden terwijl politieagenten hem wilden aanhouden, waarbij twee van hen ternauwernood hun arm uit zijn deels geopende raam konden terugtrekken. Kort daarna heeft hij midden op een doorgaande weg (Dynamoweg) plotseling hard geremd waardoor de hem volgende politiewagen met zwaailichten achterop zijn auto reed (waarna verdachte wederom hard is weggereden). Enkele minuten daarna is hij ingereden op een op [straatnaam] geparkeerde auto; is hij kort daarna vanuit een parkeerstand plotseling achteruitgereden waarbij hij over de voet van [aangever 1] is gereden en heeft hij [aangever 2] enkele meters meegesleurd toen deze met zijn bovenlichaam half in het raam van de auto hing. De verdachte heeft daarnaast met zijn rijgedrag meerdere verkeersregels geschonden. De verdachte verkeerde bij het begaan van al deze feiten onder invloed van lachgas, die hij als bestuurder in de auto aanwezig had en tot zich nam.

Het betreffen alle ernstige, hinderlijke en schade toebrengende feiten, waarbij gevaar voor ernstig letsel aanwezig was en waardoor de verdachte heeft laten zien weinig respect te hebben voor anderen of andermans bezittingen. De vijf aangevers hebben verklaard daarvan pijnklachten en psychische klachten te ondervinden. De verdachte heeft zich niet om zijn slachtoffers bekommerd; hij is na iedere confrontatie doorgereden, totdat hij tenslotte op een doodlopend plantsoen tot stilstand kwam.

Voorts is de verdachte gedurende zijn schorsing van de voorlopige hechtenis die hem was opgelegd naar aanleiding van de door hem gepleegde feiten op 3 januari 2025, op 5 mei 2025 en 26 juni 2025 wederom aangehouden vanwege de aanwezigheid van lachgas in de (geparkeerde) auto waarin hij zich bevond. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 januari 2025.

Hieruit blijkt dat de verdachte eerder met politie en justitie in aanmerking is gekomen en dat hij ten tijde van het plegen van onderhavige feiten in een proeftijd liep.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 27 november 2025, waaruit volgt dat indien iedere vorm van begeleiding en/of behandeling van de verdachte zou wegvallen, de kans op vergelijkbare delicten al op relatief korte termijn matig is en op lange termijn kan oplopen naar hoog.

Geadviseerd wordt het volwassenenstrafrecht toe te passen, nu de verdachte in gesprekken imponeert als leeftijdsadequaat, er geen sprake is van schoolgang en hij doelen nastreeft die in de lijn van volwassenheid liggen. Ondanks dat er bij de verdachte sprake is van beperkte verstandelijke vermogens en hij nog thuis woont, vindt de reclassering dat alle mogelijkheden binnen het jeugdstrafrecht zijn uitgeput en dat het volwassenenreclassering meer passend is.

De reclassering adviseert bij veroordeling aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een locatiegebod, dagbesteding en ambulante begeleiding. De reclassering stelt in haar advies verder dat het opleggen van een gevangenisstraf negatieve gevolgen heeft voor het continueren van het dagbestedingstraject dat de verdachte volgt bij Stichting [stichting 1].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapportage van 28 augustus 2025 opgesteld door GZ-psycholoog [naam 4].

De psycholoog heeft geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een psychotrauma-of stressgerelateerde stoornis en een (ernstige) stoornis in het gebruik van lachgas. Er is bij verdachte tevens sprake van een licht verstandelijke beperking. Hij concludeert dat deze meervoudige pathologie substantieel heeft doorgewerkt in het tenlastegelegde. De psycholoog komt tot het advies om de verdachte het ten laste gelegde – indien bewezen – in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing en neemt deze over. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de hiervoor bewezen verklaarde feiten de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Strafoplegging

Gelet op de aard en ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 195 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, passend en geboden.

De rechtbank acht het van belang, dat de verdachte geholpen wordt om zijn leven weer op de rit te krijgen. Daarom zal zij een deel van de straf, te weten 150 dagen, voorwaardelijk opleggen, zodat de verdachte onder toezicht komt van de reclassering en in behandeling komt voor (onder meer) zijn middelengebruik. Daarnaast legt de rechtbank de verdachte een taakstraf voor de duur van 150 uur op.

De rechtbank legt ook een rijontzegging op voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van de feiten en om anderzijds de veiligheid van overige verkeersdeelnemers voor een lange periode te beschermen tegen de verdachte. De onder de verdachte inbeslaggenomen auto wordt verbeurd verklaard.

7
De vorderingen benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [aangever 2] heeft tijdens de terechtzitting de door hem en zijn zoon [aangever 1] ingediende vorderingen benadeelde partij ingetrokken.

[naam 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.871,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 696,- aan materiële schade en € 2.175,- aan immateriële schade. Daarnaast heeft zij € 238,- gevorderd als kosten van rechtsbijstand.

[naam 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade. Daarnaast heeft hij € 271,- gevorderd als kosten van rechtsbijstand.

[naam 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.450,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.450,- aan materiële schade en € 4.000,- aan immateriële schade. Daarnaast heeft hij € 552,- gevorderd als kosten van rechtsbijstand.

7.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 2], [naam 1] en [naam 3].

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verzochte posten onvoldoende zijn onderbouwd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

[naam 2]

De vordering van [naam 2], is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden door onder 2 bewezenverklaarde feit ter grootte van de door haar gevorderde bedrag van € 2.871,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand van € 238,- die [naam 2] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor feit 3 op de dagvaarding worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.871,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 2].

[naam 1]

De vordering van [naam 1] is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partijen in belangrijke mate voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door onder 2 bewezenverklaarde feit ter grootte van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025.

Nu de vordering in belangrijke mate wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand van € 271,- die [naam 1] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor feit 3 op de dagvaarding worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 1].

[naam 3]

De vordering van [naam 3] is namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij in belangrijke mate voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij door het onder 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden ter grootte van € 1.450,- en immateriële schade ter grootte van € 2.500,- een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025

Nu de vordering in belangrijke mate wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand van € 552,- die [naam 3] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor feit 3 op de dagvaarding worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.950,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [naam 3].

8
De inbeslaggenomen voorwerpen
8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier heeft gevorderd dat de op de beslaglijst genoemde personenauto wordt verbeurdverklaard.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst genoemde voorwerp (personenauto, [kenteken], merk VW) verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor de verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze aan de verdachte toebehoort en met betrekking tot dit voorwerp de bewezen verklaarde feiten zijn begaan.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

33, 33a, 36f, 45, 57, 181, 302 van het Wetboek van Strafrecht;

5a, 176 van de Wegenverkeerswet;

3, 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van deze uitspraak gelden.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

poging tot zware mishandeling;

ten aanzien van feit 3:

wederspannigheid met lichamelijk letsel als gevolg;

ten aanzien van feit 4:

overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermaals gepleegd;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 195 (HONDERDVIJFENNEGENTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 45 dagen, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 150 (HONDERDVIJFTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig

vindt. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

zich, indien hier tijdens het reclasseringstoezicht aanleiding voor wordt gezien, laat behandelen door de Brijder of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De

justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;

na het doorlopen van de intakeprocedure, in Humanitas of een andere instelling

voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang verblijft, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

tussen 20:00 uur en 07:00 uur aanwezig dient te zijn op het woon- of verblijfadres: [adres]

, [postcode] [woonplaats], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, met een maximale duur van zes maanden. Gedurende die periode mag verdachte de woning enkel onder begeleiding van een ouder en-/of een door de reclassering aan te wijzen volwassene verlaten. De reclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen indien zij dit noodzakelijk acht;

werkt mee aan het dagbestedingstraject van Stichting [stichting 1]. Op de overige

doordeweekse dagen volgt veroordeelde behandeling en verricht hij vrijwilligerswerk bij Stichting [stichting 2], in overleg met de reclassering kan hiervan worden afgeweken;

zich ambulant laat begeleiden door Humanitas of een soortgelijke zorgverlener, te

bepalen door de reclassering. Gedurende de begeleiding komt de verdachte zijn afspraken na en werkt hij mee aan de begeleiding;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 150 (HONDERDVIJFTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 (VIJFENZEVENTIG) DAGEN

veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 4 voorts tot:

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte daarvan, groot 12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar verkeersfeit;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte

De vordering van de benadeelde partij [naam 2] en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 2] toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te

betalen aan de benadeelde partij [naam 2], een bedrag van € 2.871,-, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van 238,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.871,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [naam 2];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 29 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

De vordering van de benadeelde partij [naam 1] en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [naam 1], een bedrag van € 2.500,--, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart dat het restant van de vordering niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van € 271,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [naam 1];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

De vordering van de benadeelde partij [naam 3] en de schadevergoedingsmaatregel

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting tebetalen aan de benadeelde partij [naam 3], een bedrag van € 3950,--, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

verklaart dat het restant van de vordering niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van € 552,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 3.950,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [naam 3];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Personenauto, [kenteken] (merk VW).

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.G. Egter van Wissekerke, voorzitter,

mr. F.C. Berg, rechter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

in tegenwoordigheid van A.E. van Gent, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 januari 2026.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

1. hij op of omstreeks 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- die [aangever 1] heeft aangereden met zijn, verdachtes, voertuig en/of

- ( vervolgens) over de voet van die [aangever 1] is gereden met voormeld voertuig,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 hij op of omstreeks 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

- die [aangever 2] heeft meegesleurd met zijn, verdachtes, voertuig en/of

- ( vervolgens), terwijl die [aangever 2] (half) uit/aan de auto hing, in de richting van bomen en/of lantaarnpalen is gereden en/of heeft gestuurd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3 hij op of omstreeks 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtena(a)r(en), te weten:

- [naam 1], brigadier van politie Eenheid Den Haag,

- [naam 2], agent van politie Eenheid Den Haag en/of

- [naam 3], politieambtenaar bij de Eenheid Den Haag,

allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten ter

aanhouding van verdachte, door

- met zijn, verdachtes, voertuig weg te rijden terwijl die [naam 1] en/of die [naam 2] (deels) in zijn voertuig hingen en/of

- die [naam 1] mee te sleuren met zijn, verdachtes, voertuig en/of

- tijdens een achtervolging een aanrijding te veroorzaken met het voertuig waarin die [naam 3] zich bevond, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten

- een of meer verwondingen aan de hand en/of pols van die [naam 1] en/of die [naam 2] en/of die [naam 3] en/of

- een of meer kneuzingen aan de schouder en/of de nek van die [naam 2],

ten gevolge heeft gehad;

4 hij op of omstreeks 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een voertuig

(personenauto), daarmee rijdende op de weg, te weten op de Energiestraat en/of de Dynamostraat en/of [straatnaam], zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door (telkens)

- geen verlichting te voeren,

- slingerend te rijden,

- op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te rijden,

- zonder rijbewijs te rijden,

- onder invloed van lachgas te rijden en/of

- zijn voertuig (meermalen) niet tijdig tot stilstand te brengen, waardoor tegen diverse auto's en/of een glasbak is aangereden,

door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;

5 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 januari 2025 tot en met 26 juni 2025 te 's-Gravenhage, althans (elders) in Nederland, (steeds) aanwezig heeft gehad

- op 3 januari 2025: 3.729,6 gram distikstofmonoxide (lachgas) en/of

- op 5 mei 2025: 670 gram distikstofmonoxide (lachgas) en/of

- op 26 juni 2025: 3.700 gram distikstofmonoxide (lachgas),

althans (telkens) een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), zijnde distikstofmonoxide

(lachgas) telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.