Beslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 3, 4 en 5 bewezen kunnen worden verklaard, nu de verdachte deze feiten heeft bekend. Voor de feiten 1 en 2 bepleit hij vrijspraak, omdat deze feiten niet bewezenverklaard kunnen worden, omdat de verdachte deze heeft ontkend.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen (feiten 1 en 2)
De rechtbank heeft de opgave van bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van de feiten onder 1 en 2 redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II.
3.4
Bewijsoverwegingen
De verdachte heeft in het politieverhoor ontkend dat hij bij het achteruit rijden over de voet van [aangever 1] zou zijn gereden en dat hij [aangever 2] - terwijl deze met zijn bovenlichaam in het autoraam hing - met zijn auto zou hebben meegesleurd. Daarnaast heeft de verdachte verklaard dat hij niet meer verder heeft gereden nadat beide mannen eenmaal bij zijn auto waren aangekomen.
De zoon [aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte na een stop bij een glasbak met zijn auto over zijn linkervoet heen reed en dat hij een aantal meter is meegesleurd door het voertuig, omdat die verder reed. Zijn vader [aangever 2] heeft een daarmee overeen komende verklaring afgelegd.
Ter terechtzitting zijn camerabeelden getoond vanaf verscheidene posities op [straatnaam] in Den Haag. Daarnaast bevat het dossier een proces-verbaal waarin de camerabeelden zijn uitgeschreven. Te zien is dat de verdachte met zijn auto in een bocht van [straatnaam] tegen de (links) geparkeerde auto van [aangever 2] is gereden, vervolgens achteruit is gereden en wegreed, om naast een glasbak aan de rechterkant van de straat weer een tijd lang stil te staan. Te zien is dat op dat moment [aangever 2] en [aangever 1] naar buiten komen. Die laatste loopt in de richting van de plek waar de auto van de verdachte op dat moment stilstaat. [aangever 2] lijkt eerst de schade aan zijn auto te bekijken en stapt in, en rijdt dan zijn zoon - die in de richting van de auto van de verdachte wijst - achterna. Vervolgens is op camerabeelden (vanuit een andere hoek) te zien dat de verdachte – na enige tijd te hebben stilgestaan bij de glasbak – rechtdoor rijdt en stopt bij een parkeerplaats bij de flat aan het einde van [straatnaam]. Daar bereikt eerst [aangever 1] hem, even later gevolgd door [aangever 2] in diens auto. [aangever 2] stapt vervolgens uit. Te zien is dat beiden zich dan bij de auto van de verdachte ophouden – hoewel onduidelijk blijft wat er precies gebeurt - en dat de verdachte daarna weer (hard) wegrijdt.
Niet op de beelden is te zien, wat er vervolgens gebeurt. Uit de dossierstukken komt wel naar voren dat de auto van de verdachte uiteindelijk tot stilstand is gekomen bij een tientallen meters verder van de parkeerplaats gelegen plantsoen en dat de verdachte op die plek uit zijn auto is gehaald door [aangever 2] en [aangever 1], totdat de politie ter plekke arriveerde. Hieruit volgt dat de eerdere verklaring bij het politieverhoor van de verdachte, dat hij niet meer met de auto heeft gereden nadat beide mannen bij zijn auto kwamen, niet voor juist kan worden gehouden.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard zich niets meer te kunnen herinneren van de hierboven beschreven gebeurtenissen. Hij heeft verklaard vlak voor én tijdens deze gebeurtenissen in zijn auto lachgas te hebben gebruikt. Daarbij heeft hij toegelicht dat als hij lachgas heeft gebruikt, “niets merkt wat er om hem heen gebeurt, en niet weet wat er links en rechts van hem is”.
Ter zitting geconfronteerd met de camerabeelden en zijn eerdere (ontkennende) verklaringen bij de politie, is de verdachte erbij gebleven zich in het geheel niets meer te kunnen herinneren.
Gezien het vorenstaande, en het feit dat de verdachte het bij het politieverhoor heeft gelaten bij de enkele ontkenning van de gebeurtenissen, terwijl de gedetailleerde verklaringen van [aangever 2] en [aangever 1] hierover op essentiële punten overeenkomen, oordeelt de rechtbank – mede op grond van de overige bewijsmiddelen - dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte op 3 januari 2025 [aangever 1] heeft aangereden en over diens voet is gereden (feit 1); dat hij [aangever 2] met zijn auto heeft meegesleurd, terwijl deze (half) uit die auto hing en daarbij in de richting van de zich aan de linkerzijde van weg bevindende bomen en lantaarnpalen is gereden (feit 2).
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of bij deze handelingen van de verdachte sprake is van een poging tot zware mishandeling van [aangever 1] en [aangever 2]. De rechtbank kan niet vaststellen dat er sprake was van vol opzet van de verdachte op zware mishandeling. De vraag is dus of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever 1] en [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen door het handelen van de verdachte.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het (hard) achteruit rijden met een auto, terwijl zich een persoon vlakbij het raam aan de bestuurderskant bevindt, waarbij over de voet van die persoon wordt heengereden, zwaar lichamelijk letsel met zich mee kan brengen.
Hetzelfde geldt voor het met een auto (door)rijden terwijl een ander persoon half in het raam aan de bestuurderskant hangt, en daarbij in de richting van zich aan de linkerkant van de weg bevindende objecten te rijden.
Door desondanks te handelen zoals hij heeft gedaan, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans bewust aanvaard dat [aangever 1] en [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft gepoogd om [aangever 1] en [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
3.5
Opgave bewijsmiddelen (feiten 3, 4 en 5)
De rechtbank zal voor de feiten onder 3, 4 en 5 van de tenlastelegging met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan.
De rechtbank heeft de opgave van bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring van de feiten onder 3, 4 en 5 redengevende feiten en omstandigheden opgenomen in bijlage II.
De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk (grotendeels) bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot alle ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1. hij op 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 1] heeft aangereden met zijn, verdachtes, voertuig en
over de voet van die [aangever 1] is gereden met voormeld voertuig, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2 hij op 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 2] heeft meegesleurd met zijn, verdachtes, voertuig, en terwijl die [aangever 2] (half) uit/aan de auto hing, in de richting van bomen en lantaarnpalen is gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 hij op 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, zich met geweld, heeft verzet tegen ambtenar(en), te weten:
- [naam 1], brigadier van politie Eenheid Den Haag,
- [naam 2], agent van politie Eenheid Den Haag en
- [naam 3], politieambtenaar bij de Eenheid Den Haag,
allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter
aanhouding van verdachte, door
- met zijn, verdachtes, voertuig weg te rijden terwijl die [naam 1] en die [naam 2] (deels) in zijn voertuig hingen en
- die [naam 1] mee te sleuren met zijn, verdachtes, voertuig en
- tijdens een achtervolging een aanrijding te veroorzaken met het voertuig waarin die [naam 3] zich bevond, terwijl dit misdrijf en de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten
- een of meer verwondingen aan de hand en pols van die [naam 1] en die [naam 2] en die [naam 3] en
- een of meer kneuzingen aan de schouder en de nek van die [naam 2],
ten gevolge heeft gehad.
4 hij op 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, te weten op de Energiestraat en de Dynamostraat en [straatnaam], zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door
- geen verlichting te voeren,
- slingerend te rijden,
- op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te rijden,
- zonder rijbewijs te rijden,
- onder invloed van lachgas te rijden en
- zijn voertuig (meermalen) niet tijdig tot stilstand te brengen, waardoor hij tegen diverse auto's is aangereden,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was.
5 hij in de periode van 3 januari 2025 tot en met 26 juni 2025 te 's-Gravenhage, althans (elders) in Nederland, steeds aanwezig heeft gehad
- op 3 januari 2025: 3.729,6 gram distikstofmonoxide (lachgas) en
- op 5 mei 2025: 670 gram distikstofmonoxide (lachgas) en
- op 26 juni 2025: 3.700 gram distikstofmonoxide (lachgas),
telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
9
De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
33, 33a, 36f, 45, 57, 181, 302 van het Wetboek van Strafrecht;
5a, 176 van de Wegenverkeerswet;
3, 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van deze uitspraak gelden.
10 De beslissing
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
poging tot zware mishandeling;
poging tot zware mishandeling;
wederspannigheid met lichamelijk letsel als gevolg;
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermaals gepleegd;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 195 (HONDERDVIJFENNEGENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten 45 dagen, op het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 150 (HONDERDVIJFTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig
vindt. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;
zich, indien hier tijdens het reclasseringstoezicht aanleiding voor wordt gezien, laat behandelen door de Brijder of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De
justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
na het doorlopen van de intakeprocedure, in Humanitas of een andere instelling
voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang verblijft, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
tussen 20:00 uur en 07:00 uur aanwezig dient te zijn op het woon- of verblijfadres: [adres]
, [postcode] [woonplaats], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, met een maximale duur van zes maanden. Gedurende die periode mag verdachte de woning enkel onder begeleiding van een ouder en-/of een door de reclassering aan te wijzen volwassene verlaten. De reclassering kan de tijden van de avondklok aanpassen indien zij dit noodzakelijk acht;
werkt mee aan het dagbestedingstraject van Stichting [stichting 1]. Op de overige
doordeweekse dagen volgt veroordeelde behandeling en verricht hij vrijwilligerswerk bij Stichting [stichting 2], in overleg met de reclassering kan hiervan worden afgeweken;
zich ambulant laat begeleiden door Humanitas of een soortgelijke zorgverlener, te
bepalen door de reclassering. Gedurende de begeleiding komt de verdachte zijn afspraken na en werkt hij mee aan de begeleiding;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van 150 (HONDERDVIJFTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 75 (VIJFENZEVENTIG) DAGEN
veroordeelt de verdachte ten aanzien van feit 4 voorts tot:
een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 18 (ACHTTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat een gedeelte daarvan, groot 12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar verkeersfeit;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte
De vordering van de benadeelde partij [naam 2] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 2] toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te
betalen aan de benadeelde partij [naam 2], een bedrag van € 2.871,-, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van 238,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.871,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [naam 2];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 29 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
De vordering van de benadeelde partij [naam 1] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 1] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [naam 1], een bedrag van € 2.500,--, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart dat het restant van de vordering niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van € 271,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [naam 1];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
De vordering van de benadeelde partij [naam 3] en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 3] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting tebetalen aan de benadeelde partij [naam 3], een bedrag van € 3950,--, bestaande uit materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart dat het restant van de vordering niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot een bedrag van € 552,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 3.950,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [naam 3];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 1 STK Personenauto, [kenteken] (merk VW).
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.G. Egter van Wissekerke, voorzitter,
mr. F.C. Berg, rechter,
mr. K.C.J. Vriend, rechter,
in tegenwoordigheid van A.E. van Gent, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 januari 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1. hij op of omstreeks 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [aangever 1] heeft aangereden met zijn, verdachtes, voertuig en/of
- ( vervolgens) over de voet van die [aangever 1] is gereden met voormeld voertuig,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2 hij op of omstreeks 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [aangever 2] heeft meegesleurd met zijn, verdachtes, voertuig en/of
- ( vervolgens), terwijl die [aangever 2] (half) uit/aan de auto hing, in de richting van bomen en/of lantaarnpalen is gereden en/of heeft gestuurd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3 hij op of omstreeks 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meer ambtena(a)r(en), te weten:
- [naam 1], brigadier van politie Eenheid Den Haag,
- [naam 2], agent van politie Eenheid Den Haag en/of
- [naam 3], politieambtenaar bij de Eenheid Den Haag,
allen werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten ter
aanhouding van verdachte, door
- met zijn, verdachtes, voertuig weg te rijden terwijl die [naam 1] en/of die [naam 2] (deels) in zijn voertuig hingen en/of
- die [naam 1] mee te sleuren met zijn, verdachtes, voertuig en/of
- tijdens een achtervolging een aanrijding te veroorzaken met het voertuig waarin die [naam 3] zich bevond, terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten
- een of meer verwondingen aan de hand en/of pols van die [naam 1] en/of die [naam 2] en/of die [naam 3] en/of
- een of meer kneuzingen aan de schouder en/of de nek van die [naam 2],
ten gevolge heeft gehad;
4 hij op of omstreeks 3 januari 2025 te 's-Gravenhage, als bestuurder van een voertuig
(personenauto), daarmee rijdende op de weg, te weten op de Energiestraat en/of de Dynamostraat en/of [straatnaam], zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden, door (telkens)
- geen verlichting te voeren,
- slingerend te rijden,
- op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer te rijden,
- zonder rijbewijs te rijden,
- onder invloed van lachgas te rijden en/of
- zijn voertuig (meermalen) niet tijdig tot stilstand te brengen, waardoor tegen diverse auto's en/of een glasbak is aangereden,
door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor (een) ander(en) te duchten was;
5 hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 januari 2025 tot en met 26 juni 2025 te 's-Gravenhage, althans (elders) in Nederland, (steeds) aanwezig heeft gehad
- op 3 januari 2025: 3.729,6 gram distikstofmonoxide (lachgas) en/of
- op 5 mei 2025: 670 gram distikstofmonoxide (lachgas) en/of
- op 26 juni 2025: 3.700 gram distikstofmonoxide (lachgas),
althans (telkens) een hoeveelheid distikstofmonoxide (lachgas), zijnde distikstofmonoxide
(lachgas) telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.