Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:68

Op 6 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/091041-25 en 13/020499-25 (ttz. gev.), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:68. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/091041-25 en 13/020499-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak:
6 January 2026
Datum publicatie:
6 January 2026

Indicatie

Veroordeling medeplegen bedreiging in criminele circuit door wapen in mond te duwen, poging toebrengen zwaar letsel en wapenbezit. Geen vrijwillige terugtred. Oplegging van een gevangenisstraf voor duur van 7 en een half jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/091041-25 en 13/020499-25 (ttz. gev.).

Datum uitspraak: 6 januari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de PI [plaats] . locatie [locatie] .

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 2 juli 2025, 30 september 2025 (beide pro forma), 11 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 6 januari 2026 (sluiting onderzoek ter terechtzitting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. van Drongelen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. L. Palanciyan naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 09/091041-25 (hierna dagvaarding I), welke tenlastelegging ter terechtzitting werd gewijzigd, en hetgeen is vermeld in dagvaarding met parketnummer 13/020499-25 (hierna dagvaarding II). De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging van respectievelijk dagvaarding I en II is opgenomen in de bijlage.

De verdachte wordt, kort gezegd, bij dagvaarding 1 verweten dat hij [aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) samen met anderen heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling (feit 1), dat hij (vuur)wapens onder zich heeft gehad (feit 2), dat hij in vereniging [aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) heeft gepoogd, al dan niet met voorbedachten rade, van het leven te beroven (feit 3 primair), althans deze zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (feit 3 subsidiair) en tot slot dat hij voorbereidingshandelingen voor feit 3 heeft getroffen (feit 4). Bij dagvaarding 2 wordt de verdachte schuldheling van een voertuig verweten.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van dagvaarding I op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, met uitzondering van het onder feit 3 primaire ten laste gelegde. Ten aanzien van dagvaarding II kan het ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van dagvaarding I op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, nu daarvoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat. Daartoe is aangevoerd dat de verklaring van aangever [aangever 1] niet betrouwbaar is, mede gelet op het aanstralen van de werktelefoon van de aangever ten tijde van de inbraak in de loods. Omdat ander bewijs ontbreekt, dient de verdachte te worden vrijgesproken. Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de overige feiten heeft de verdediging om diverse redenen vrijspraak bepleit. Waar nodig zal de rechtbank hierna nader ingaan op het betoog van de raadsman.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft onder bijlage 2 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.4.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten op dagvaarding I

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever 1]

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de verklaringen van [aangever 1] betrouwbaar zijn.

Uit de aangifte van [aangever 1] van 10 oktober 2024 blijkt in de kern over de gebeurtenissen van die dag het volgende. Nadat blokken cocaïne blijken te zijn gestolen uit de loods van zijn werkgever die daar kennelijk waren opgeslagen, wordt [aangever 1] door een Molukse man op een dreigende manier gevraagd zijn legitimatiebewijs te tonen. Omstreeks 15:56 uur wordt [aangever 1] gebeld door een telefoonnummer genaamd ‘ [accountsnaam] ’. Daarbij wordt hem opgedragen om naar de [adres] in Ter Aar te gaan. Omstreeks 16:10 uur wordt hij opnieuw door [accountsnaam] gebeld, waarbij hij de instructie krijgt om naast een Witte Volkswagen Caddy te parkeren. Uit de auto stappen twee ‘Antilliaanse’ mannen, een bestuurder en een bijrijder. [aangever 1] moet plaatsnemen in de opening van de schuifdeur van de witte Caddy. De bestuurder geeft hem een hand, welke hij vasthoudt. Op aangeven van de bestuurder doet [aangever 1] zijn mond open waarna de bijrijder een loop van een pistool in zijn mond duwt. Daarbij is hem door de bestuurder te verstaan gegeven dat dit een waarschuwing was, de ‘spullen’ terug moesten komen en zijn de namen van zijn vrouw en dochter genoemd. Kort hierna ontvangt [aangever 1] wederom berichten van [accountsnaam] , met daarin onder meer vermeld dat het leven van hem en, zijn gezin aan een zijden draadje hing en waarbij details over de namen en adressen van werden genoemd.

[aangever 1] is meerdere malen door de politie verhoord en ook is hij op 25 augustus 2025 bij de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen van [aangever 1] over de gebeurtenissen die dag verschillen weliswaar iets, maar komen in hoofdlijnen met elkaar overeen. Op het punt van de bedreiging met het vuurwapen zijn zijn verklaringen telkens gedetailleerd en consistent. De aangifteverklaring vindt daarnaast op belangrijke onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. Zo blijkt onder meer uit de camerabeelden van de [straatnaam] dat de feitelijke gang van zaken rondom de bedreiging overeenkomt met hetgeen [aangever 1] daarover heeft verklaard. Ook de verklaring omtrent het contact met ‘ [accountsnaam] ’ en de inhoud van de berichten vindt steun in een data-analyse van de werktelefoon van [aangever 1] . Verder blijkt uit een getuigenverklaring van [getuige] dat [aangever 1] kort na de bedreiging in paniek was en aan het huilen en dat hij zei dat hij een pistool in zijn mond had gehad.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [aangever 1] over voornoemde gebeurtenis van 10 oktober 2024 betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Dat op de camerabeelden geen vuurwapen te zien is, doet aan het voorgaande niet af. Het zicht op wat zich afspeelt is inderdaad geblokkeerd, maar dat betekent niet dat geen sprake is geweest van een (vuur)wapen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de verklaring van [aangever 1] op dit punt te twijfelen en ziet bovendien bevestiging in de verklaring van [getuige] , die [aangever 1] direct na het incident heeft gezien en zijn paniek en huilen heeft waargenomen terwijl hij vertelde over het vuurwapen.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, doen de bevindingen van de historische verkeersgegevens van de werktelefoon die [aangever 1] bij zich droeg ook niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Uit die bevindingen blijkt immers enkel dat die werktelefoon op enig moment tussen 01:46 uur en 09:23 uur op 10 oktober 2024 een dataregistratie heeft bij het basisstation in Ter Aar. Dat past bij de bevindingen van de camerabeelden van de loods waaruit blijkt dat [aangever 1] aldaar omstreeks 08:09 uur aan is gekomen.

Is de verdachte één van de personen die [aangever 1] heeft bedreigd?

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de verdachte aan te merken is als één van de personen die op 10 oktober 2024 [aangever 1] heeft bedreigd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat op 10 oktober 2024 om 14:45:51 een witte Volkswagen Caddy aan de [straatnaam] te Ter Aar parkeert. Op de camerabeelden van de [straatnaam] is te zien dat een persoon uit de witte Caddy stapt en wegrent richting de Westkanaalweg. Op camerabeelden van de Esso op de Westkanaalweg is te zien dat, gelet op het signalement van de persoon en de kleding die hij draagt en voorts het geringe tijdsverloop, deze persoon het Esso-tankstation ingaat waar hij een pintransactie doet. Deze pintransactie geschiedt met een bankpas op naam van de medeverdachte, [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]). De transactie vindt plaats om 15:53 uur, kort voor het moment van het tenlastegelegde feit. Een verbalisant herkent de persoon op de camerabeelden van het Esso-tankstation als de verdachte.

Op de camerabeelden van de [adres] te Ter Aar is vervolgens te zien dat de verdachte teruggaat naar de geparkeerde witte Volkswagen Caddy. Kort daarna volgt de ontmoeting tussen hem, de medeverdachte en [aangever 1] . De rechtbank stelt in het licht van het voorgaande vast dat de verdachte degene is die de bijrijder van de witte Caddy is. Hij is dan ook degene die, terwijl een medeverdachte [aangever 1] verbaal bedreigt en hem instrueert zijn mond open te doen, een loop van een vuurwapen in de mond van [aangever 1] duwt. De medeverdachte gaf [aangever 1] te verstaan dat hij de lul was, dat ze wisten wie zijn vrouw en dochter zijn en waar zij wonen. Daarbij zijn de voor- en achternamen benoemd. Deze bedreigingen waren van dien aard en zijn onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [aangever 1] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij en zijn familieleden het leven zou kunnen verliezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het handelen van de verdachte binnen het samenstel van bedreigende uitingen jegens [aangever 1] van doorslaggevende betekenis en dan ook van voldoende gewicht om te spreken van medeplegen van een bedreiging.

Vrijspraak feit 3, primair

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman van de verdachte, van oordeel dat op grond van het dossier het primaire ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe overweegt de rechtbank in het bijzonder dat het een poging betreft waarbij niet is geschoten, en dat het doel was om [aangever 2] door de benen te schieten (zoals hierna nader wordt toegelicht), waarbij niet is gebleken dat daarbij de aanmerkelijke kans bestond dat iemand als gevolg daarvan had kunnen overlijden. Dit maakt dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op het medeplegen van een poging tot doodslag onvoldoende vastgesteld kan worden.

Feit 3, subsidiair

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de verdachte de gebruiker is geweest van de Apple iPhone 12, voorzien van het IMEI-nummer [nummer], die onder hem in beslag is genomen.

Ter zitting heeft de verdachte naar voren gebracht dat het inderdaad zijn telefoon is geweest, maar dat hij die enige tijd had uitgeleend. Op nadere vragen van de rechtbank - onder meer aan wie hij zijn telefoon heeft uitgeleend, wanneer dat was en wanneer hij hem heeft teruggekregen – heeft de verdachte evenwel geen antwoord willen geven. Gelet op het late tijdstip van de verklaring van de verdachte, en het gegeven dat hij geen nadere informatie en details heeft willen geven, terwijl er voorts in het dossier geen nadere aanknopingspunten voor zijn, schuift de rechtbank dit alternatieve scenario als onaannemelijk ter zijde.

Uit de inhoud van de chatberichten, zoals opgenomen in de bewijsmiddelen, maakt de rechtbank op dat de verdachte tegen een daartoe afgesproken geldbedrag een opdracht heeft aangenomen om het beoogde doelwit [aangever 2] door de benen te schieten en daarmee die [aangever 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de chatberichten blijkt dat hij hiertoe samen met anderen doelgericht en planmatig te werk is gegaan. Zo heeft de verdachte een (naar later blijkt gestolen) auto voorhanden en een vuurwapen. Hij heeft een chauffeur geregeld en beschikte over een foto van de auto van het potentiële doelwit en zijn woonadres. De verdachte heeft dit adres opgezocht. Ook blijkt uit zendmastgegevens dat zijn telefoon in de periode van 11 en 12 november 2024 meerder malen is aangestraald in Aalsmeer, waar hij mogelijk een voorverkenning heeft verricht. Uit de chatberichten valt voorts op te maken dat de verdachte op 13 november 2024 met anderen naar de buurt van [aangever 2] is gereden, waar hij en/of de chauffeur de auto heeft geparkeerd. De verdachte heeft zes à zeven minuten voor de woning van [aangever 2] gewacht, terwijl het een plek betreft waar de verdachte geen andere reden voor heeft om daar te zijn. Kennelijk is [aangever 2] op enig moment naar zijn auto gelopen en is weggereden, zonder dat de verdachte dat heeft doorgehad. Vervolgens heeft de verdachte [aangever 2] achtervolgd. Deze weet echter te ontkomen, waardoor het schieten niet is gelukt. Gedurende de achtervolging heeft de verdachte de hele tijd telefonisch contact met de opdrachtgever. Deze opdrachtgever heeft kennelijk instructies gegeven wat de verdachte moet doen.

Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank dan ook uit van een samenwerking tussen opdrachtgever en de verdachte als opdrachtnemer, en tussen de verdachte en de medeverdachten in het voertuig waarmee zij het beoogde slachtoffer achtervolgden. Uit het feit dat er in opdracht werd gewerkt en uit de verdere samenwerking, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook dat er sprake was van voorbedachte raad.

Voor zover de verdediging heeft bepleit dat sprake is geweest van een vrijwillige terugtred van de verdachte, verwerpt de rechtbank dit verweer. Uit het dossier blijkt dat de verdachte het voornemen om [aangever 2] in de benen te schieten enkel heeft gestaakt, omdat [aangever 2] de auto waar de verdachte inzat en die hem volgde, heeft ontdekt, en kans heeft gezien om te ontkomen door weg te rijden. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die niet van de wil van de verdachte afhankelijk is geweest. Uit de chatberichten valt af te leiden dat de verdachte had willen schieten, maar dat het niet is gelukt. De verdachte heeft daarover geschreven: “Ja dat bedoel ik, als die kns er was had ik dat gedaan... Die kans was er niet”.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het medeplegen van een poging tot het toebrengen van zware mishandeling met voorbedachte raad wettig en overtuigend bewezen.

Partiële vrijspraak feit 2

De rechtbank zal op onderdelen de verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van wapens. Het gaat dan om die wapens waarvan enkel uit het dossier blijkt dat de verdachte daarvan foto’s op zijn telefoon heeft staan, zonder enig ander aanknopingspunt dat hij deze wapens daadwerkelijk voorhanden heeft gehad. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om buiten gerede twijfel vast te stellen dat de verdachte deze wapens voorhanden heeft gehad.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

(ten aanzien van dagvaarding I)

1.

hij op 10 oktober 2024 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met anderen [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- te verzoeken een identiteitsbewijs te tonen, en- middels een telefoonnummer met de accountsnaam ‘ [accountsnaam] ’ contact op te nemen met die [aangever 1] en op te dragen naar een bepaald adres te komen en

- te verzoeken plaats te nemen in een voertuig, en

- een hand van die [aangever 1] vast te pakken/houden, en

- die [aangever 1] (dreigend) mede te delen ‘hun spul terug te geven’, althans soortgelijke woorden, en- een (vuur)wapen tevoorschijn te halen en (vervolgens) de loop van dit wapen in de mond van die [aangever 1] te stoppen, en

- die [aangever 1] toe te voegen dat ‘hij nu de lul was’ en ‘dit een waarschuwing was’ en de namen en gegevens van de vrouw en dochter van die [aangever 1] te noemen, en - die [aangever 1] mede te delen dat hij ’s avonds terug moest komen met het spul en het moest oplossen;

2.

hij in de periode van 8 juni 2018 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam in ieder geval in Nederland,

- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een (automatisch) vuurwapen, van het merk Zastava, type M72B1, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en meerdere (andere) vuurwapens van categorie III, te weten een revolver van het merk Smith Wesson kaliber.38, en een semi automatisch pistool van het merk Heckler & Koch, model USP Compact, voorhanden heeft gehad;

3. subsidiair

hij op 13 november 2024 te Aalsmeer tezamen en in vereniging met anderen ter uitvoering van het door de verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [aangever 2]

opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever 2]

-heeft opgewacht bij zijn verblijfplaats met als doel met een vuurwapen op hem te schieten,

-vervolgens nadat het beoogde slachtoffer in de auto is gestapt, achter het beoogde slachtoffer is aangereden en hem heeft achtervolgd met het doel om met een vuurwapen op het beoogde slachtoffer te schieten, en

-via Signal en/of andere chatdiensten uitvoerig heeft gesproken met één of meerdere opdrachtgevers waarbij de opdrachtgevers instructies en inlichtingen en opdrachten gaven en de verdachte updates en inlichtingen geeft over de uitvoering van het delict,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in de periode van 2 november 2024 tot en met 13 november 2024 te Aalsmeer en Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen

ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten zware mishandeling met voorbedachten rade op [aangever 2] , opzettelijk

een vuurwapen en munitie,

een bestelbus met vervalste kentekenplaten ,

encrypted telefoons en communicatiemiddelen, en

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

(ten aanzien van dagvaarding II)

hij op 13 november 2024 te

Amsterdam, meerdere kentekenplaten en een voertuig (Volkswagen Caddy), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit deze goederen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft gesteld dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde (dagvaarding I) heeft begaan in een situatie van psychische overmacht. In dat verband is aangevoerd dat de verdachte met zijn beperkte capaciteiten op geen andere wijze kon handelen dan hij heeft gedaan.

De rechtbank verwerpt dit beroep op psychische overmacht en overweegt daartoe dat het door de raadsman gestelde niet van dien aard is dat op grond daarvan van de verdachte redelijkerwijs niet verwacht kon worden dat hij weerstand kon bieden. De aard van de chatberichten van zijn telefoon wijzen daar evenmin op.

Daarnaast is er geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

5
De strafoplegging
5.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht en een half jaar, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat passend is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur die gelijk is aan hetgeen de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, en daarnaast een forse voorwaardelijke straf met algemene en bijzondere voorwaarden.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich samen met anderen op 10 oktober 2024 schuldig gemaakt aan een uiterst agressieve bedreiging. Daarbij heeft hij een vuurwapen in de mond van het slachtoffer geduwd, terwijl een medeverdachte hem dreigend toesprak. Ook zijn daarbij de namen van de vrouw en dochter van het slachtoffer genoemd. Het slachtoffer heeft hierover verklaard dat hij doodsbang was. Vervolgens zijn er nog berichten per telefoon gestuurd. Die gevoelens van angst en onveiligheid van het slachtoffer zijn invoelbaar.

De context van deze bedreiging, kennelijk gelegen in de georganiseerde, zware criminaliteit, versterkt de indringendheid. Aan de bedreiging ligt immers een vermeend (drugs)conflict ten grondslag, waarbij doorgaans gebruik van (ernstig) geweld niet geschuwd wordt. De bedreiging is mede tegen de achtergrond hiervan dan ook buitengewoon ernstig.

Daarnaast heeft de verdachte zich - een maand later - schuldig gemaakt aan een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, door tegen een daartoe afgesproken geldbedrag een opdracht aan te nemen om in de benen van een beoogd doelwit te schieten. Uit de analyse van gewisselde chatberichten van de verdachte ontstaat een beeld waarbij goed zichtbaar wordt met welk gemak de verdachte zich tot dit feit heeft gecommitteerd. Gelet hierop is het dan ook slechts een factor van geluk geweest dat het beoogde doelwit heeft kunnen ontkomen en niet daadwerkelijk is neergeschoten.

Verder heeft de verdachte meerdere verboden wapens, waaronder een automatisch vuurwapen, voorhanden gehad. Ook dit is een ernstig feit, omdat dit - zoals in het onderhavig geval - kan leiden tot het gebruik van die wapens en daardoor slachtoffers kunnen ontstaan. Tegen het voorhanden hebben hiervan wordt streng opgetreden.

Tot slot heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan heling, door in een gestolen voertuig te rijden met gestolen kentekenplaten te rijden.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2025. Daaruit blijkt dat hij eerder in beeld is geweest bij politie en justitie, maar nog niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Strafmodaliteit en strafmaat

Gelet op wat hiervoor is overwogen en daarbij in het bijzonder de ernst van de feiten, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een forse onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om een voorwaardelijke strafdeel op te leggen, ook omdat hij geen inzicht in zijn handelen heeft willen geven.

De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van zeven jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis reeds heeft doorgebracht.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

6
De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van dagvaarding I

[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.129,- te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Ten aanzien van dagvaarding II

[bedrijfsnaam] B.V., vertegenwoordigd door [naam], heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 25.171,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 24.262,85 aan materiële schade en € 908,75 aan immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [aangever 1] kan worden toegewezen, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van [bedrijfsnaam] B.V. dient te worden afgewezen, nu deze vennootschap geen rechtstreekse schade heeft geleden door het feit dat daaraan ten grondslag is gelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk is in verband met de door de raadsman verzochte vrijspraak.

De vordering van [bedrijfsnaam] B.V. dient te worden afgewezen, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade tussen het tenlastegelegde feit en de vordering.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van dagvaarding I

De vordering van [aangever 1]

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De aard en ernst van de normschending brengen (in het bijzonder: bedreiging door middel van een vuurwapen in de mond van aangever), brengen in dit geval mee dat de in dit verband relevante, nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.

De schade zal naar billijkheid worden vastgesteld op € 2.000,--, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [aangever 1] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] .

De rechtbank bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast met een maximum van 20 dagen.

Ten aanzien van dagvaarding II

De vordering van [bedrijfsnaam] B.V.

De rechtbank is van oordeel dat [bedrijfsnaam] B.V. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de ontstane schade en het bewezenverklaarde feit.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

7
De inbeslaggenomen voorwerpen
7.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voorts dat de genoemde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, nu het belang van de strafvordering zich niet daartegen verzet, de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

8
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 45, 46, 47, 57, 285, 303 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht;

26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9
De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

dagvaarding I:

ten aanzien van feit 1: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht bedreiging en met zware mishandeling;

ten aanzien van feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II,

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3: medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade;

ten aanzien van feit 4: medeplegen van voorbereiding van zware mishandeling met voorbedachten rade;

dagvaarding II:

schuldheling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN (7) JAREN en ZES (6) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van [aangever 1] (dagvaarding I)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij [aangever 1] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [aangever 1] ;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,-. vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 1] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

de vordering van [bedrijfsnaam] B.V. (dagvaarding II)

bepaalt dat [bedrijfsnaam] B.V. niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

de inbeslaggenomen goederen (dagvaarding I)

gelast de teruggave aan van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen, te weten:

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002_850132 SIN AASG4099NL Mobiele telefoon lphone in zwart hoesje, Apple Iphone);

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002_850120 Zwarte Nokia, aan binnenzijde briefje met daarop tekst: 9 kompct / baretta 25/ 2-3 k / 3 bariel:6, Zwart, merk: Nokia);

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1500-DHRAB24002_865126, donkerblauw, merk: Apple);

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2024272078-G6581098, Apple).

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. R. Wieringa, rechter,

mr. A.J. Nederhoed, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 januari 2026.

Bijlage I: Tekst tenlastelegging van dagvaarding I en II

Dagvaarding I (parketnummer 09/091041-25)

1.

hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Ter Aar en/of Papenveer, gemeente

Nieuwkoop, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- op dreigende wijze te verzoeken een identiteitsbewijs te overhandigen, en/of

- middels een afgeschermd telefoonnummer met de accountsnaam ‘ [accountsnaam]

contact op te nemen met die [aangever 1] en op te dragen naar een bepaald adres te

komen en/of bepaalde instructies op te volgen, en/of

- te verzoeken plaats te nemen in een voertuig, en/of

- een hand van die [aangever 1] vast te pakken/houden, en/of

- die [aangever 1] (dreigend) mede te delen ‘hun spul terug te geven’, althans soortgelijke woorden, en/of

- een (vuur)wapen tevoorschijn te halen, althans een soortgelijk wapen, en/of

(vervolgens) de loop van dit wapen in de mond van die [aangever 1] te stoppen, en/of

- die [aangever 1] toe te voegen dat ‘hij nu de lul was’ en ‘dit een waarschuwing was’

en/of de namen en gegevens van de vrouw en/of dochter van die [aangever 1] te

noemen, en/of

- die [aangever 1] mede te delen dat hij ’s avonds terug moest komen met het spul en

het moest oplossen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 8 juni 2018 tot en met 12 november 2024 te Amsterdam en/of Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer, in ieder geval in Nederland,

- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een (automatisch) vuurwapen, van het merk Zastava, type M72B1, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, en/of

- een of meerdere (andere) vuurwapens van categorie II en/of III, waaronder, i) een revolver van het merk Smith Wesson kaliber.38 en/of kaliber.45 ii) een semi automatisch (omgebouwd gas)pistool van het merk Glock, iii) een semi automatisch pistool van het merk Heckler & Koch, model USP Compact, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 13 november 2024 te Aalsmeer en/of Amsterdam, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om [aangever 2] , althans een persoon, zijnde het beoogde slachtoffer,

opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die voornoemde [aangever 2]

- heeft opgewacht bij zijn verblijfplaats met als doel (met een vuurwapen) op hem te

schieten, waarbij, (kennelijk) dit niet is gelukt omdat het beoogde slachtoffer in een

voertuig is gestapt en/of is weggereden, en/of

- ( vervolgens) nadat het beoogde slachtoffer in de auto is gestapt, de verdachte(n)

achter het beoogde slachtoffer is/zijn aangereden en/of hem hebben achtervolgd

(telkens) met het doel om (met een vuurwapen) op het beoogde slachtoffer te

schieten, en/of

- ( vervolgens) de poging heeft/hebben gestaakt omdat het beoogde slachtoffer heeft

ontdekt dat hij werd gevolgd en/of de verdachten te veel opvielen, en/of

- via Signal en/of andere chatdiensten (uitvoerig) heeft/hebben gesproken met één

of meerdere opdrachtgever(s) waarbij de opdrachtgever(s) instructies en/of

inlichtingen en/of opdrachten geeft en/of de verdachte updates en/of inlichtingen

geeft over de uitvoering van het delict, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 13 november 2024 te Aalsmeer en/of Amsterdam, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om [aangever 2] , althans een persoon, zijnde het beoogde slachtoffer,

opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die voornoemde [aangever 2]

- heeft opgewacht bij zijn verblijfplaats met als doel (met een vuurwapen) op hem te

schieten, waarbij, (kennelijk) dit niet is gelukt omdat het beoogde slachtoffer in een

voertuig is gestapt en/of is weggereden, en/of

- ( vervolgens) nadat het beoogde slachtoffer in de auto is gestapt, de verdachte(n)

achter het beoogde slachtoffer is/zijn aangereden en/of hem hebben achtervolgd

(telkens) met het doel om (met een vuurwapen) op het beoogde slachtoffer te

schieten, en/of

- ( vervolgens) de poging heeft/hebben gestaakt omdat het beoogde slachtoffer heeft

ontdekt dat hij werd gevolgd en/of de verdachten te veel opvielen, en/of

- via Signal en/of andere chatdiensten (uitvoerig) heeft/hebben gesproken met één

of meerdere opdrachtgever(s) waarbij de opdrachtgever(s) instructies en/of

inlichtingen en/of opdrachten geeft en/of de verdachte updates en/of inlichtingen

geeft over de uitvoering van het delict, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 2 november

2024 tot en met 13 november 2024 te Aalsmeer en/of Amsterdam, in elk geval in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving

een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of

doodslag en/of zware mishandeling met voorbedachten rade (op [aangever 2] ,

althans een persoon) (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 en/of 287 en/of

303 Wetboek van Strafrecht oplevert), althans een misdrijf waarop naar de

wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld,

opzettelijk

- één of (meerdere) vuurwapens en/of een (automatisch) vuurwapen (merk

Zastrava, type M72B1) en/of munitie, en/of

- een (personen)auto en/of een (gestolen) bestelbus, althans een voertuig met

valse/vervalste kentekenplaten en/of een motorfiets, en/of

- één of meer (encrypted) telefoon(s) en/of communicatiemiddelen (onder andere

een iPhone), en/of

- een digitale foto- en/of videocamera en/of gegevensdragers,

heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat

misdrijf.

Dagvaarding II (parketnummer 13/020499-25)

hij in of omstreeks de periode tussen 8 november 2024 en 13 november 2024 te

Amsterdam, althans in Nederland, één of meerdere kentekenplaten en/of een voertuig (Volkswagen Caddy), althans een of meer goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.