Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:71

Op 6 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/091006-25 en 09/711298-12 (v.i.) (ttz. gev.), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:71. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/091006-25 en 09/711298-12 (v.i.) (ttz. gev.)
Datum uitspraak:
6 January 2026
Datum publicatie:
6 January 2026

Indicatie

Medeplegen bedreiging in criminele circuit door wapen in mond te duwen. Toewijzing vordering tenuitvoerlegging v.i., in verband met het overtreden van de algemene voorwaarde. Oplegging van een gevangenisstraf voor duur van 24 maanden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 09/091006-25 en 09/711298-12 (v.i.) (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 6 januari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1985 te [geboorteplaats],

op dit moment gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats].

1
Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 7 juli 2025, 30 september 2025 (beide pro forma),11 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 6 januari 2026 (sluiting onderzoek ter terechtzitting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.J. van Drongelen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden mr. E.G.S. Roethof en mr. Z.L. Moezel naar voren is gebracht.

2
De tenlastelegging

De verdachte wordt, kort gezegd verweten dat hij [aangever] (hierna: [aangever]) samen met anderen heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Beslissing

3
De bewijsbeslissing
3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigen bewezen kan worden. De officier van justitie heeft zich daartoe gebaseerd op de verklaringen van aangever [aangever] (hierna: [aangever]), telefoonbevindingen en zendmastgegevens, camerabeelden, verklaringen van de getuige [getuige] (hierna: [getuige]), de fotoconfrontatie en overige politiebevindingen, zoals tapgesprekken en pinpastransacties.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft ten eerste bepleit dat de verklaringen van de aangever [aangever] niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, omdat deze niet betrouwbaar zijn, omdat hij tegenstrijdig heeft verklaard. Daarnaast is de verklaring van [aangever] dat hij ten tijde van de inbraak thuis was, onwaar, nu uit een analyse van zijn werktelefoon blijkt dat deze in de bewuste nacht om 01:46 uur een registratie heeft op een basisstation te Ter Aar.

Ten tweede is door de verdediging bepleit dat het dossier geen steunbewijs voor de aangifte van [aangever] bevat, nu de verdachte zijn telefoon en bankpas had uitgeleend en de gegevens die aan die telefoon en pas worden ontleend, niets zeggen over de plaats waar de verdachte was. Daarnaast dient de herkenning middels enkelvoudige fotoconfrontatie te worden uitgesloten van het bewijs gelet op de wijze waarop die confrontatie heeft plaatsgevonden.

3.3.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft onder bijlage 2 opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

3.4.

Bewijsoverwegingen

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangever]

De rechtbank zal allereerst beoordelen of de verklaringen van [aangever] betrouwbaar zijn.

Uit de aangifte van [aangever] van 10 oktober 2024 blijkt in de kern over de gebeurtenissen van die dag het volgende. Nadat blokken cocaïne blijken te zijn gestolen uit de loods van zijn werkgever die daar kennelijk waren opgeslagen, wordt [aangever] door een Molukse man op een dreigende manier gevraagd zijn legitimatiebewijs te tonen. Omstreeks 15:56 uur wordt [aangever] gebeld door een telefoonnummer genaamd ‘[accountsnaam]’. Daarbij wordt hem opgedragen om naar de [adres] in Ter Aar te gaan. Omstreeks 16:10 uur wordt hij opnieuw door [accountsnaam] gebeld, waarbij hij de instructie krijgt om naast een Witte Volkswagen Caddy te parkeren. Uit de auto stappen twee ‘Antilliaanse’ mannen, een bestuurder en een bijrijder. [aangever] moet plaatsnemen in de opening van de schuifdeur van de witte Caddy. De bestuurder geeft hem een hand, welke hij vasthoudt. Op aangeven van de bestuurder doet [aangever] zijn mond open waarna de bijrijder een loop van een pistool in zijn mond duwt. Daarbij is hem door de bestuurder te verstaan gegeven dat dit een waarschuwing was, de ‘spullen’ terug moesten komen en zijn de namen van zijn vrouw en dochter genoemd. Kort hierna ontvangt [aangever] wederom berichten van [accountsnaam], met daarin onder meer vermeld dat het leven van hem en, zijn gezin aan een zijden draadje hing en waarbij details over de namen en adressen van werden genoemd.

[aangever] is meerdere malen door de politie verhoord en ook is hij op 25 augustus 2025 bij de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen van [aangever] over de gebeurtenissen die dag verschillen weliswaar iets, maar komen in hoofdlijnen met elkaar overeen. Op het punt van de bedreiging met het vuurwapen zijn zijn verklaringen telkens gedetailleerd en consistent. De aangifteverklaring vindt daarnaast op belangrijke onderdelen steun in andere bewijsmiddelen. Zo blijkt onder meer uit de camerabeelden van de [straatnaam] dat de feitelijke gang van zaken rondom de bedreiging overeenkomt met hetgeen [aangever] daarover heeft verklaard. Ook de verklaring omtrent het contact met ‘[accountsnaam]’ en de inhoud van de berichten vindt steun in een data-analyse van de werktelefoon van [aangever]. Verder blijkt uit een getuigenverklaring van [getuige] dat [aangever] kort na de bedreiging in paniek was en aan het huilen en dat hij zei dat hij een pistool in zijn mond had gehad.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [aangever] over voornoemde gebeurtenis van 10 oktober 2024 betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs. Dat op de camerabeelden geen vuurwapen te zien is, doet aan het voorgaande niet af. Het zicht op wat zich afspeelt in de auto is inderdaad deels geblokkeerd, maar dat betekent niet dat geen sprake is geweest van een (vuur)wapen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de verklaring van [aangever] op dit punt te twijfelen en ziet bovendien bevestiging in de verklaring van [getuige], die [aangever] direct na het incident heeft gezien en zijn paniek en huilen heeft waargenomen terwijl hij vertelde over het vuurwapen.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, doen de bevindingen van de historische verkeersgegevens van de werktelefoon die [aangever] bij zich droeg ook niet af aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Uit die bevindingen blijkt immers enkel dat die werktelefoon op enig moment tussen 01:46 uur en 09:23 uur op 10 oktober 2024 een dataregistratie heeft bij het basisstation in Ter Aar. Dat past bij de bevindingen van de camerabeelden van de loods waaruit blijkt dat [aangever] aldaar omstreeks 08:09 uur aan is gekomen.

Is de verdachte één van de personen die [aangever] heeft bedreigd?

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de verdachte aan te merken is als één van de personen die op 10 oktober 2024 [aangever] heeft bedreigd.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]) en de verdachte elkaar kennen en vaker met elkaar optrokken en ‘klussen’ deden. Voorts blijkt dat het telefoonnummer dat door de politie aan [medeverdachte] wordt toegeschreven in de vroege middag van 10 oktober 2024 een aantal malen contact heeft met het nummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven. [medeverdachte] wordt door politie en door het slachtoffer op camerabeelden herkend als de persoon die later die middag, om 15:53 uur, vlak voor het tijdstip van de bedreiging, een pakje sigaretten afrekent bij een Esso-tankstation dat zich op loopafstand van de plaats delict bevind. [medeverdachte] gebruikt daarbij een bankpas die op naam van de verdachte staat. Daarnaast blijkt uit de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte dat deze rondom het tijdstip van de bedreiging, namelijk tussen 15:44 en 16:09 uur, een zendmast in Ter Aar aanstraalt. Uit een netwerkmeting op de plaats delict, [adres] te Ter Aar, blijkt dat deze locatie binnen het bereik is van die zendmast.

De verdachte heeft voor het eerst ter terechtzitting verklaard dat hij zijn telefoon en bankpas was kwijtgeraakt, als reden voor de aanwezigheid van zijn telefoon en bankpas nabij de plaats delict. De verdachte heeft evenwel op nadere vragen daaromtrent, zoals vanaf wanneer hij die spullen al kwijt was, of hij aangifte heeft gedaan en of hij zijn bank ook heeft ingelicht, geen verklaring willen geven. Het dossier bevat ook geen aanknopingspunten die zijn verklaring ondersteunen. Gelet op het late tijdstip van de verklaring van de verdachte, en de weinige details en antwoorden die hij hierover heeft willen geven terwijl er voorts in het dossier geen nadere aanknopingspunten voor zijn, schuift de rechtbank dit alternatieve scenario als onaannemelijk terzijde.

Naast het voorgaande heeft [aangever] tijdens een enkelvoudige spiegelconfrontatie in een verhoor van 6 maart 2025 de verdachte herkend als de bestuurder van de witte Volkswagen Caddy. De rechtbank stelt voorop dat voor het gebruik maken van een enkelvoudige fotoconfrontatie als bewijs uiterste behoedzaamheid geboden is. Dat betekent echter niet dat de fotoconfrontatie zonder meer onbetrouwbaar zou zijn, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht. De rechtbank acht van belang dat [aangever] direct na de gebeurtenissen van 10 oktober 2024 een duidelijk signalement heeft gegeven van zijn bedreigers, waaronder een specifieke baard bij de bestuurder, en dat hij de verdachte binnen afzienbare tijd, te weten vijf maanden daarna, onder meer daaraan herkent. Gelet op bovendien de samenhang met de andere bewijsmiddelen, zoals de zendmastgegevens en pinpastransactie zoals hiervoor besproken, acht de rechtbank de enkele fotoconfrontatie voldoende betrouwbaar om deze ter ondersteuning van het bewijs te gebruiken.

Op grond van het voorgaande en dit in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat de verdachte de bestuurder is geweest van de witte Volkswagen type Caddy en degene die [aangever] samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft bedreigd door een vuurwapen in zijn mond te doen en te zeggen dat hem, zijn gezin of familieleden iets zou worden aangedaan. Deze bedreigingen waren van dien aard en zijn onder zodanige omstandigheden geschied dat bij [aangever] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij en zijn familieleden het leven zouden kunnen verliezen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte de bedreiging samen met [medeverdachte] gepleegd. [medeverdachte] en de verdachte hebben [aangever] samen begroet, hem beiden begeleid om te gaan zitten in de deuropening van de auto, waarbij de verdachte hem vervolgens instrueerde zijn mond open te doen, waarna de medeverdachte [medeverdachte] een loop van een vuurwapen in de mond van [aangever] heeft geduwd. De verdachte gaf [aangever] te verstaan dat hij de lul was, dat ze wisten wie zijn vrouw en dochter zijn, hen met voor- en achternamen genoemd en waar zij wonen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande en dit in samenhang bezien, oordeelt de rechtbank dat het de verdachte is geweest die op 10 oktober 2024 [aangever] in vereniging heeft bedreigd.

3.5.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 10 oktober 2024 te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop, tezamen en in vereniging met anderen[aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, doorte verzoeken een identiteitsbewijs te tonen, en - middels een telefoonnummer met de accountsnaam ‘[accountsnaam]’ contact op te nemen met die [aangever] en op te dragen naar een bepaald adres te komen, en- te verzoeken plaats te nemen in een voertuig, en- een hand van die [aangever] vast te pakken/houden, en- die [aangever] dreigend mede te delen ‘hun spul terug te geven’, althans soortgelijke woorden, en- een (vuur)wapen tevoorschijn te halen en (vervolgens) de loop van dit wapen in de mond van die [aangever] te stoppen, en- die [aangever] toe te voegen dat ‘hij nu de lul was’ en ‘dit een waarschuwing was’ en de namen en gegevens van de vrouw en dochter van die [aangever] te noemen, en- die [aangever] mede te delen dat hij ’s avonds terug moest komen met het spul en het moest oplossen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4
De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De strafoplegging
6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde strafeis fors gematigd dient te worden.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een zeer ernstige bedreiging. Hij heeft samen met anderen het slachtoffer op een uiterst agressieve wijze bedreigd door hem naar een locatie te lokken, daar hem ogenschijnlijk vriendelijk maar koelbloedig vast te houden, terwijl een medeverdachte de loop van een vuurwapen in de mond van het slachtoffer duwt. Het slachtoffer heeft hierover verklaard dat hij doodsbang was. Vervolgens zijn er nog berichten per telefoon gestuurd. Die gevoelens van angst en onveiligheid van het slachtoffer zijn invoelbaar.

De context waarin de bedreiging is gedaan, gelegen in de georganiseerde, zware criminaliteit, versterkt de indringendheid van de bedreiging. Bij de bedreiging zijn de namen en gegevens van gezins- en familieleden genoemd. Dit moet voor het slachtoffer een buitengewone last zijn geweest. Temeer nu aan de op zichzelf zeer ernstige bedreiging kennelijk een (drugs)conflict ten grondslag ligt, waarbij doorgaans gebruik van (ernstig) geweld niet geschuwd wordt. Tegen de achtergrond hiervan, is de ernst van de bedreiging dan ook van de buitencategorie. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 21 mei 2025. Hieruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld, waaronder in 2015 waarbij 9 jaren gevangenisstraf aan hem is opgelegd in verband met vermogensdelicten. De verdachte was in verband met die veroordeling voorwaardelijk in vrijheid gesteld, hetgeen ten tijde van het plegen van het onderhavige feit van kracht was. Daarnaast is hij ook in 2021 veroordeeld wegens vermogensdelicten, waarbij een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden aan hem is opgelegd.

Strafmodaliteit en strafmaat

Gelet op de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, passend en geboden is. Dat is een iets lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, gelet op onder meer wat in vergelijkbare zaken voor dergelijke feiten wordt opgelegd.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Voorlopige hechtenis

De rechtbank is van oordeel dat de gronden, mede gelet op het voorgaande, voor de voortduring van de voorlopige hechtenis onverminderd bestaan. Het verzoek van de raadsman tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis zal dan ook worden afgewezen.

7
De vordering van de benadeelde partij/de schade vergoedingsmaatregel
7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [aangever] hoofdelijk kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente met daarbij oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [aangever] dient te worden afgewezen in verband met de verzochte vrijspraak.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.129,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met daarbij oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Het gevorderde bedrag bestaat uit immateriële schade.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De aard en ernst van de normschending brengen in dit geval (in het bijzonder: de bedreiging met daarbij een loop van een vuurwapen in de mond), mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.

De schade zal naar billijkheid worden vastgesteld op € 2.000,-, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Hoofdelijkheid

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij [aangever] aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever].

De rechtbank bepaalt dat gijzeling kan worden toegepast met een maximum van 20 dagen.

8
De inbeslaggenomen voorwerpen
8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert voorts dat de genoemde voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de inbeslaggenomen voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, nu het belang van de strafvordering zich niet daartegen verzet, de teruggave aan de verdachte gelasten van de op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

9
De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling
9.1.

De vordering van de officier van justitie

De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 9 april 2025, strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling herroept wegens het niet naleven van de daaraan verbonden algemene voorwaarde, nu veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering dient te worden afgewezen, in verband met de verzochte vrijspraak. Subsidiair is het standpunt dat slechts een klein deel ten uitvoer dient te worden gelegd.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals blijkt uit de bewezenverklaring van dit vonnis, opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. De veroordeelde heeft aldus de algemene voorwaarde die aan de voorwaardelijke invrijheidstelling is verbonden, niet nageleefd.

Gelet op de aard, ernst en omstandigheden van het bewezen verklaarde feit, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de officier van justitie in zijn geheel dient te worden toegewezen.

10
De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47 en 285 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11
De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

de vordering van de benadeelde partij [aangever];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 2.000,-- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever];

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij [aangever], begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.000,-. vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 oktober 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever];

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

de inbeslaggenomen goederen;

gelast de teruggave aan van de op de beslaglijst vermelde voorwerpen, te weten:

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002 850086 Mobiele telefoon, licht grijs hoesje, iPhone13, Grijs, merk: Apple Iphone);

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: OHRAB24002_850095 Mobiele telefoon, iPhone 6, rood hoesje, Apple Iphone);

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002_850106 Roze Blackberry Curve met roze/rood plastic hoesje Beslagene [naam 1]

Geboortedatum [geboortedatum 2]1982 roze);

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002_850119 Rode lphone, achterzijde ernstig beschadigd);

1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAB24002_850111 Samsung in roze hoesje, achterzijde van de telefoon zat een sticker warsi tel & computers Beslagene [naam 1] [geboortedatum 2]1982 Date: [naam 2], model A510, Samsung);

de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling;

wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog geheel moet worden ondergaan, te weten 743 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Kole, voorzitter,

mr. R. Wieringa, rechter,

mr. A.J. Nederhoed, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Straaten, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 januari 2026.

Bijlage I:

Tekst tenlastelegging

hij op of omstreeks 10 oktober 2024 te Ter Aar en/of Papenveer, gemeente Nieuwkoop, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- op dreigende wijze te verzoeken een identiteitsbewijs te overhandigen, en/of

- middels een afgeschermd telefoonnummer met de accountsnaam ‘[accountsnaam]’ contact op te

nemen met die [aangever] en op te dragen naar een bepaald adres te komen en/of bepaalde

instructies op te volgen, en/of

- te verzoeken plaats te nemen in een voertuig, en/of

- een hand van die [aangever] vast te pakken/houden, en/of

- die [aangever] (dreigend) mede te delen ‘hun spul terug te geven’, althans soortgelijke woorden, en/of

- een (vuur)wapen tevoorschijn te halen, althans een soortgelijk wapen, en/of (vervolgens) de loop van dit wapen in de mond van die [aangever] te stoppen, en/of

- die [aangever] toe te voegen dat ‘hij nu de lul was’ en ‘dit een waarschuwing was’ en/of de namen en gegevens van de vrouw en/of dochter van die [aangever] te noemen, en/of

- die [aangever] mede te delen dat hij ’s avonds terug moest komen met het spul en het moest

oplossen.