3.4.
Bewijsoverwegingen
Juridisch beoordelingskader
Voor een bewezenverklaring van witwassen in de zin van artikel 420bis e.v. Sr is vereist dat het betreffende voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank stelt voorop dat daarvoor niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Of daarvan sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader dat in de rechtspraak is uitgekristalliseerd in een aantal stappen.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (stap 1), mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van het voorwerp (stap 2). Deze verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn (stap 3). De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte een dergelijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring (stap 4). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal dan moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is (stap 5). Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352).
Piaggio scooter
Uit onderzoek van het iCOV Rapportage Vermogen en Inkomen (hierna: iRVI) naar de verdachte is gebleken dat zij tussen 2014 en 2019 geen vermogen bezat op haar bankrekeningen en dat zij, behoudens uitkeringen, kinderbijslag, pensioen zorg en welzijn en zorgtoeslag, geen inkomsten heeft gehad.
Uit iRVI onderzoek blijkt dat de partner van de verdachte, [partner van de verdachte] (hierna: [partner van de verdachte] ), tussen 2014 en 2018 geen vermogen bezat op zijn bankrekeningen en dat hij, behoudens een bescheiden inkomen in 2015 en 2016, geen geregistreerde inkomsten had.
Het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van een melding bij het Team Criminele Inlichtingen (hierna: TCI) onderzoek verricht naar mogelijke contante uitgaven voor een verjaardagsfeest van de zoon van de verdachte. Uit de TCI-informatie kwam naar voren dat [partner van de verdachte] een verjaardagsfeest voor hun zoon zou hebben georganiseerd voor een bedrag van € 30.000,-. Op het feest zouden meerdere bekende artiesten hebben opgetreden en de zoon van de verdachte zou een Vespa scooter als cadeau hebben gekregen van [partner van de verdachte] .
In de telefoon van de verdachte zijn beelden aangetroffen die bevestigen dat op 1 juni 2019 een verjaardagsfeest voor haar zoon heeft plaatsgevonden, waar onder andere de artiesten Boef, Gio en Keizer hebben opgetreden. Uit navraag bij de evenementenlocatie is gebleken dat het huren van de zaal € 1.500,- heeft gekost en dat dit is voldaan door [naam 1] (hierna: [naam 1] ), ten behoeve van iemand anders. Verder is gebleken dat [partner van de verdachte] een Piaggio Vespa Sprint scooter met kenteken [kenteken 1] op zijn naam had staan sinds 18 juli 2019.
Op de bankrekeningen van de verdachte en [partner van de verdachte] zijn geen betalingen zichtbaar met betrekking tot het verjaardagsfeest en de scooter, zodat de betalingen daaromtrent contant moeten zijn verricht.
Op grond van die feiten en omstandigheden acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat de contante geldbedragen die zijn uitgegeven voor het verjaardagsfeest uit misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van die voorwerpen.
De verdachte heeft hierover geen verklaring afgelegd. De verdediging heeft gewezen op de verklaring van [partner van de verdachte] en de verklaringen van de getuigen [naam 1] en [naam 2] die in de strafzaak tegen [partner van de verdachte] over de witwasverdenking bij de rechter-commissaris zijn gehoord. Deze verklaringen zijn ter terechtzitting aan het dossier in de strafzaak tegen de verdachte [verdachte] toegevoegd.
[partner van de verdachte] heeft kort gezegd het volgende verklaard. Hij heeft het feest samen met [naam 1] georganiseerd. Omdat [naam 1] in de evenementenbranche zit, heeft hij de zaal en de optredens van Gio en Keizer voor een goede prijs kunnen regelen. Het optreden van Boef is geregeld door de neef van [partner van de verdachte] , [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Hij had eerder gratis diensten verleend aan Boef (tanden bleken), hetgeen ertoe leidde dat Boef het optreden kosteloos wilde doen. De totale kosten voor het feest kwamen neer op een bedrag van € 8.500,-. Het feest is bekostigd met het geld dat cadeau is gegeven door de 200 tot 250 aanwezigen op het feest. In totaal is een bedrag van circa € 22.000,- geschonken. Daarvan is het feest en ook de Piaggio scooter met kenteken [kenteken 1] betaald. [partner van de verdachte] had de scooter al voorafgaand aan het feest gehaald, maar nadien pas betaald. Het was mogelijk om de scooter later te betalen omdat [partner van de verdachte] hem heeft gekocht van bekenden van [naam 2] , die met [partner van de verdachte] mee was gegaan om te bemiddelen.
[naam 1] en [naam 2] zijn als getuigen gehoord bij de rechter-commissaris. Zowel [naam 1] als [naam 2] hebben verklaard dat de artiesten voor een vriendenprijs of zelfs kosteloos hebben opgetreden, wegens de goede band die de getuigen hebben met die artiesten. Verder hebben zij beiden verklaard dat het feest is betaald van de contante geldbedragen die de zoon van de verdachte cadeau heeft gekregen. [naam 2] heeft verklaard dat dit een gebruikelijke gang van zaken is en dat hij zelf een bedrag van € 500,- in een envelop heeft gegeven. Daarnaast heeft [naam 2] verklaard dat hij [partner van de verdachte] heeft voorgesteld bij Scooter Exclusief Lammenschans, waar goede bekenden van hem werken, waardoor [partner van de verdachte] een betere prijs zou hebben gekregen.
[partner van de verdachte] heeft naar het oordeel van de rechtbank een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring gegeven voor de contante uitgaven met betrekking tot het verjaardagsfeest. De rechtbank overweegt daartoe dat zijn verklaring wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [naam 1] en [naam 2] .
De betaling van de scooter, pas enkele dagen nadat de scooter door [partner van de verdachte] is meegenomen, roept naar het oordeel van de rechtbank vragen op. Het had echter op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar dit onderdeel van de verklaring. Door [partner van de verdachte] en [naam 2] is immers vermeld bij welk bedrijf de scooter is gekocht, zodat hun verklaringen geverifieerd hadden kunnen worden.
Het uitblijven van nader onderzoek staat naar het oordeel van de rechtbank in de weg aan een bewezenverklaring, nu de lezing van [partner van de verdachte] niet kan worden uitgesloten. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het medeplegen van witwassen van de Piaggio scooter met kenteken [kenteken 1] .
Mercedes AMG met kenteken [kenteken 2]
De politie heeft naar aanleiding van TCI-informatie onderzoek verricht naar een mogelijke contante uitgave van medeverdachte [partner van de verdachte] voor de aankoop van een Mercedes AMG in Duitsland, waarvoor hij meer dan € 40.000,- zou hebben betaald.
Uit het iRVI onderzoek inzake [partner van de verdachte] is gebleken dat hij een Mercedes AMG met kenteken [kenteken 2] op naam had staan sinds 2 augustus 2019. In afgetapte telefoongesprekken van [partner van de verdachte] komt naar voren dat hij de Mercedes heeft gekocht van een particulier in Duitsland. Uit onderzoek van de politie naar soortgelijke voertuigen die te koop werden aangeboden, is gebleken dat de verkoopprijs varieert van € 33.790,- tot
€ 42.950,-. Vanaf 11 januari 2021 stond de Mercedes op naam van de verdachte.
Zoals eerder is overwogen, beschikten de verdachte en [partner van de verdachte] nauwelijks over geregistreerde inkomsten en vermogen. Op de bankrekeningen van de verdachte en [partner van de verdachte] zijn geen betalingen zichtbaar met betrekking tot de Mercedes, zodat de betalingen daaromtrent contant moeten zijn verricht.
Op grond van die feiten en omstandigheden acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het contante geldbedrag dat is uitgegeven aan de Mercedes uit misdrijf afkomstig zijn, wat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van dat voorwerp.
De verdachte heeft hierover geen verklaring afgelegd. De verdediging heeft gewezen op de verklaring van [partner van de verdachte] en de verklaringen van de getuige [naam 3] die in de strafzaak tegen [partner van de verdachte] over de witwasverdenking bij de rechter-commissaris zijn gehoord. Deze verklaring is ter terechtzitting aan het dossier in de strafzaak tegen de verdachte [verdachte] toegevoegd.
[partner van de verdachte] heeft kort gezegd het volgende verklaard. Hij is bevriend met [naam 3] (hierna: [naam 3] ), een kunstverzamelaar. [partner van de verdachte] heeft in 2017 of 2018 twee schilderijen van [naam 3] meegenomen en verkocht. Hij heeft de Mercedes gekocht met het geld dat hij met de verkoop van de schilderijen had verdiend. Omdat [partner van de verdachte] de twee schilderijen van [naam 3] had meegenomen, had hij een schuld bij hem die in delen werd afbetaald. Er was geen afbetalingsregeling op papier gezet, dat ging in goed vertrouwen. [partner van de verdachte] heeft de schilderijen verkocht aan kennissen die hij niet bij naam wil noemen.
Ook [naam 3] is als getuige gehoord bij de rechter-commissaris. Hij heeft eveneens genoemd dat hij [partner van de verdachte] in 2009 een schilderij heeft gegeven uit dank voor een bemiddeling en dat dit schilderij later is omgeruild voor een Rolex. Ook heeft hij verklaard dat [partner van de verdachte] rond 2017 schilderijen had meegenomen en deze voor hem had verkocht. Maar vanaf hier lopen de verklaringen uiteen. Zo verklaart [naam 3] dat het om drie schilderijen ging, waar [partner van de verdachte] het over twee schilderijen had. Voort heeft [naam 3] verklaard dat de schuld in 2021 is afbetaald terwijl [partner van de verdachte] heeft verklaard dat hij de schuld nog steeds aan het afbetalen is.
Naast dat er opmerkelijke verschillen in de verklaringen zitten, acht de rechtbank de verklaring van [partner van de verdachte] op andere, wezenlijke punten onvoldoende concreet en verifieerbaar. [naam 3] heeft verklaard dat hij individuele transacties niet bijhoudt in zijn administratie en dat de betalingen voor zijn schilderijen contant werden verricht. Toen hem werd gevraagd naar de transacties van [partner van de verdachte] , verklaarde [naam 3] dat die niet op papier staan, maar alleen in zijn hoofd zitten. De rechtbank overweegt dat het uitsluitend noemen van een bron van herkomst of inkomsten (zoals de verkoop van een schilderij), onvoldoende is om te kunnen spreken van een concrete en verifieerbare verklaring. Omdat [partner van de verdachte] en [naam 3] geen van de door hen gestelde transacties hebben gedocumenteerd, kunnen hun verklaringen niet worden geverifieerd.
De rechtbank overweegt verder dat [naam 3] op 6 juni 2025 door deze rechtbank is veroordeeld voor het witwassen van geldbedragen in de periode van 1 februari 2017 tot 22 september 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2025:9951). Bovendien is gebleken dat [partner van de verdachte] en [naam 3] tussen 24 september 2021 en 23 februari 2022 in dezelfde penitentiaire inrichting verbleven. Ten tijde van het indienen van de onderzoekswensen, op 21 januari 2022, zijn [partner van de verdachte] en [naam 3] daarom in de gelegenheid geweest om daarover te spreken met elkaar. Dat maakt in dit geval dat aan hiervoor genoemde verklaringen hoe dan ook weinig bewijswaarde toekomt.
Nu de verklaringen van [partner van de verdachte] en [naam 3] op onderdelen van elkaar verschillen, op wezenlijke punten niet kunnen worden geverifieerd en het dossier een aanwijzing bevat dat de verklaringen mogelijk op elkaar zijn afgestemd, is de rechtbank van oordeel dat het door [partner van de verdachte] geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen onvoldoende aanleiding geeft tot nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.
Gelet op het voorgaande is er geen andere conclusie mogelijk dan dat de ten laste gelegde Mercedes onmiddellijk of middellijk uit enig (eigen) misdrijf afkomstig is. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de Mercedes voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt. Gelet op de financiële situatie van de verdachte en [partner van de verdachte] heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de Mercedes afkomstig was uit enig misdrijf. Daarmee is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen.
Contante stortingen
Op de bankrekening van de verdachte zijn in de tenlastegelegde periode meerdere contante stortingen gedaan. Het totaalbedrag aan contante stortingen in de periode van 1 juli 2016 tot 1 augustus 2019, gecorrigeerd met bankopnamen, betreft € 78.691,14.
De legale inkomsten van de verdachte staan niet in verhouding tot het totaalbedrag aan contante stortingen. De feiten en omstandigheden rechtvaardigen dan ook het vermoeden dat het geldbedrag van € 78.691,14 afkomstig is uit enig misdrijf.
De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de contante stortingen. De raadsman heeft zich ten aanzien hiervan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Nu het vermoeden van witwassen door de verdachte niet is weerlegd, concludeert de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat het contant gestorte geldbedrag van per saldo
€ 78.691,14 afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte dit geldbedrag heeft witgewassen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij in de periode van 1 juli 2016 tot en met 8 juni 2021 te Leiden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens)
- een voorwerp te weten een personenauto (Mercedes AMG [kenteken 2] ) en
- meerdere grote (contante) geldbedragen van (in totaal circa) € 78.691,14 (via haar bankrekening),
- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat deze geldbedragen en dit voorwerp, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.