Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBDHA:2026:9663

Op 22 April 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 09/325505-21 (ontneming), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:9663. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
09/325505-21 (ontneming)
Datum uitspraak:
22 April 2026
Datum publicatie:
22 April 2026

Indicatie

Oplegging van ontnemingsmaatregel ter hoogte van € 86.491,14.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/325505-21 (ontneming)

Datum uitspraak: 22 april 2026

Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:

[de veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1
Het onderzoek op de terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 8 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. L. van der Leeuw op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de raadsman van de veroordeelde, mr. P.W. Szymkowiak, op de terechtzitting naar voren is gebracht.

2
De inhoud van de vordering

De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 86.491,14 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.

3
De grondslag voor ontneming
3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ligt in het derde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

3.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de grondslag niet kan liggen in het eerste en tweede lid van artikel 36e Sr. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde strafbare feiten heeft begaan waaruit zij netto opbrengst heeft genoten.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Uit artikel 36e, derde lid, volgt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel mogelijk is, indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dat kan als de veroordeling een misdrijf betreft dat bedreigd wordt met een geldboete van de vijfde categorie.

In deze zaak is de veroordeelde bij vonnis van heden door deze rechtbank veroordeeld wegens witwassen. Dat is een misdrijf waarvoor, zonder daarbij strafverhogende omstandigheden in aanmerking te nemen, volgens art. 420bis Sr een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Bij een veroordeling wegens witwassen is steeds sprake van andere strafbare feiten. Dat volgt alleen al uit de aard van dat delict. Witwashandelingen hebben volgens de delictsomschrijving in het Wetboek van Strafrecht immers per definitie betrekking op voorwerpen die afkomstig zijn uit enig misdrijf. Uit de bewezenverklaring van het witwasdelict volgt dus dat sprake is van een daaraan voorafgaand gepleegd gronddelict. Welke strafbare feiten dat zijn en door wie deze zijn gepleegd kan niet worden geconcretiseerd. De rechtbank laat in het midden of de pleger daarvan mogelijk iemand anders is geweest dan de veroordeelde.

De veroordeelde had de beschikking over geldbedragen waarmee zij witwashandelingen heeft verricht. Aannemelijk is dat de veroordeelde op de een of andere manier wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit andere strafbare feiten. Op grond van het voorgaande dient in deze zaak de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gegrond te worden op artikel 36e, derde lid, Sr.

4
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd. De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: ontnemingsrapport), opgemaakt op 12 oktober 2021, naar aanleiding van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 86.491,14, overeenkomstig de conclusie van het ontnemingsrapport.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 8 april 2026 op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel op een lager bedrag moet worden geschat, omdat de uitgangspunten voor de berekening niet juist zijn.

Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.

4.3.

Bewijsmiddelen

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PLl500-2021156219, onderzoek ERM, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 2426).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. de gebruikte bewijsvoering in het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als bijlage aan dit vonnis gehecht. De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak;

2. het ontnemingsrapport, opgemaakt op 12 oktober 2021.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.

De rechtbank overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.

Bewijsvermoeden

Hiervoor is overwogen dat in deze zaak de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gegrond op artikel 36e, derde lid, Sr. In geval van toepassing van dat derde lid kan worden uitgegaan van een bewijsvermoeden. Dat vermoeden houdt in dat alle gedane uitgaven evenals alle vergaarde voorwerpen in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het delict, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. Het bewijsvermoeden kan worden weerlegd als aannemelijk is dat deze uitgaven en voorwerpen uit een legale bron van inkomsten komen. Van de verdediging mag daarom worden verlangd om aan de hand van voldoende concrete en verifieerbare gegevens te onderbouwen dat sprake is van een legale bron van inkomsten.

Economische eenheid veroordeelden

De veroordeelde en haar man [man van de veroordeelde] (hierna: [man van de veroordeelde] ), die eveneens is veroordeeld, voerden gedurende de onderzoeksperiode een gezamenlijke huishouding en kunnen worden aangemerkt als een economische eenheid. In het rapport is niettemin onderscheid gemaakt tussen de berekening van wederrechtelijk voordeel dat is verkregen door de veroordeelden afzonderlijk van elkaar. Voor zover de uitgaven ten behoeve van hen beiden of hun gezinsleden zijn gedaan, is de uitgave toegerekend aan degene die de uitgave daadwerkelijk heeft gedaan. De rechtbank volgt dat gemaakte onderscheid.

Legale inkomsten

Uit onderzoek van het iCOV Rapportage Vermogen en Inkomen (hierna: iRVI) blijkt dat de veroordeelde tussen 2014 en 2018 geen vermogen bezat op haar bankrekeningen en dat zij, behoudens uitkeringen en toeslagen, geen geregistreerde inkomsten had.

Contanten bankrekeningen (stortingen-opnamen)

De veroordeelde heeft zich blijkens de bewezenverklaring in het strafvonnis van heden schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van in totaal € 78.691,14. Uit de bewijsmiddelen van het strafvonnis volgt dat tussen 1 juli 2016 en 1 augustus 2019 meerdere contante stortingen zijn gedaan op de bankrekening van de veroordeelde, voor een totaalbedrag van per saldo € 78.691,14.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de contante stortingen geen netto opbrengst voor de veroordeelde hebben gevormd, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [man van de veroordeelde] en twee kinderen en zij dit geld ten behoeve van het gezin heeft besteed. Het bedrag zou om die reden door vier of subsidiair door twee moeten worden gedeeld.

De rechtbank verwerpt het verweer dat het bedrag moet worden verdeeld en overweegt daartoe als volgt. Zoals eerder is overwogen, volgt de rechtbank het door de politie gemaakte onderscheid ten aanzien van uitgaven die ten behoeve van de veroordeelden samen of hun gezinsleden zijn gedaan. Nu de stortingen zijn gedaan op de bankrekening van de veroordeelde zullen deze aan haar worden toegerekend. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor een verdeling van dit geldbedrag en de veroordeelde heeft daaromtrent ook geen verklaring afgelegd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bedrag van

€ 78.691,14 aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.

Piaggio scooter

Uit het iRVI onderzoek naar de veroordeelde is gebleken dat zij sinds 24 juni 2019 een Piaggio scooter met kenteken [kenteken] op haar naam had staan. De waarde van de scooter is door de politie geschat op € 1.500,-.

De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de raadsman dat de veroordeelde in staat was om de scooter van haar eigen inkomsten aan te schaffen. De rechtbank overweegt dat veroordeelde bij de politie geen verklaring heeft afgelegd over de aanschaf van de scooter. Er heeft geen girale betaling plaatsgevonden voor deze aankoop, zo volgt uit de analyse van de banktransacties van de veroordeelde. De veroordeelde en [man van de veroordeelde] beschikten beiden in die periode niet over noemenswaardige inkomsten of vermogen. Daartegenover staat dat [man van de veroordeelde] bij strafvonnis van heden is veroordeeld voor het (grootschalig) telen van hennep in de periode 1 maart 2019 tot en met 12 februari 2021. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de veroordeelde en haar gezin grotendeels financieel afhankelijk waren van de criminele inkomsten van [man van de veroordeelde] en dat de scooter daarmee is bekostigd.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bedrag van € 1.500,- betrekken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.

Uitgaven die blijken uit onderzoek naar de telefoon van de veroordeelde

Door het Openbaar Ministerie is gesteld dat uit onderzoek naar de telefoon van de veroordeelde blijkt dat zij de volgende contante uitgaven heeft gedaan in de onderzoeksperiode:

16-03-2019 mogen pakken van contanten € 700,-

16-10-2019 uitgave Western Union – Turkije, niet via rekening € 1.500,-

26-11-2019 uitgave Western Union-Turkije, niet via rekening € 500,-

01-12-2020 afgifte aan 'vak' € 3.000,-

05-04-2021 uitgave voor lounge set Jysk € 600,-

Kort gezegd heeft de raadsman ten aanzien van deze posten aangevoerd dat dit geen netto opbrengst betreft, omdat zij de bovenstaande bedragen heeft uitgegeven en niet heeft verdiend. Daardoor is zij er zelf niet op vooruitgegaan. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat enkele van deze bedragen blijkens de chatgesprekken op verzoek van [man van de veroordeelde] zijn uitgegeven.

De rechtbank verwerpt het primaire verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Hiervoor is overwogen dat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in deze zaak is gegrond op artikel 36e, derde lid, Sr. Dat brengt met zich dat kan worden uitgegaan van het vermoeden dat alle gedane uitgaven in een periode van zes jaar voorafgaand aan het plegen van het delict als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.

Uit chatgesprekken tussen de veroordeelde en [man van de veroordeelde] volgt dat zij de bovenstaande uitgaven heeft gedaan. Aangezien geen girale betalingen van de uitgaven zijn teruggevonden in de banktransacties van de veroordeelde, kan worden vastgesteld dat de betalingen met contant geld zijn verricht. Zoals eerder is overwogen, volgt de rechtbank het door de politie gemaakte onderscheid ten aanzien van uitgaven die ten behoeve van de veroordeelden samen of hun gezinsleden zijn gedaan. Nu de uitgaven zijn gedaan door de veroordeelde zullen deze aan haar worden toegerekend.

Eindberekening

Concluderend, betrekt de rechtbank de volgende contante uitgaven (inclusief bankstortingen) bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Contanten bankrekeningen (stortingen-opnamen) t/m 1-08-2019 € 78.691,14

Op/rond 24-06-2019 aanschaf Piaggio [kenteken] € 1.500,-

16-03-2019 mogen pakken van contanten € 700,-

16-10-2019 uitgave Western Union – Turkije, niet via rekening € 1.500,-

26-11-2019 uitgave Western Union-Turkije, niet via rekening € 500,-

01-12-2020 afgifte aan 'vak' € 3.000,-

05-04-2021 uitgave voor lounge set Jysk € 600,-

Totaal: € 86.491,14

Nu de veroordeelde geen verifieerbare en onderbouwde verklaring heeft gegeven voor de inkomsten waarmee de bovengenoemde contante uitgaven zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel dat deze inkomsten slechts afkomstig kunnen zijn uit strafbare feiten.

4.5.

Conclusie schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande schat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 86.491,14.

5
De vaststelling van de betalingsverplichting
5.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op hetzelfde bedrag als het door de officier van justitie geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, namelijk € 86.491,14.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de betalingsverplichting moet worden vastgesteld op een lager bedrag dan het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat rekening moet worden gehouden met de draagkracht van de veroordeelde.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Draagkracht

Uitgangspunt is dat de draagkracht aan de orde wordt gesteld in de executiefase. Reden daarvoor is dat de rechter in de ontnemingsprocedure doorgaans niet met zekerheid zal kunnen vaststellen hoe de draagkracht van de veroordeelde zich in aanloop naar de executiefase zal ontwikkelen, en dat de mogelijkheid om aan de opgelegde betalingsverplichting te voldoen zich beter laat beoordelen in de executiefase (ECLI:NL:HR:2021:376). In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting als aanstonds duidelijk is dat de veroordeelde op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben (ECLI:NL:HR:2007:AZ7747). Het gaat dan om het geval waarin de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat de veroordeelde op het moment van de ontnemingsprocedure geen draagkracht heeft en dat het zeer waarschijnlijk is dat daarin in de toekomst geen verandering zal komen.

De raadsman heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de veroordeelde op dit moment en in de toekomst over onvoldoende financiële middelen beschikt om aan haar betalingsverplichting te voldoen, zodat het verweer wordt verworpen.

Indien te zijner tijd mocht komen vast te staan dat werkelijk geen middelen tot terugbetaling voorhanden zijn, staan voor de veroordeelde wegen open de rechter om een (nadere) beslissing te vragen op grond van artikel 6:6:26, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Redelijke termijn

De rechtbank constateert dat, net als in de strafzaak, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat de schending van de redelijke termijn voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak opgelegde straf. De ontnemingszaak en de strafzaak zijn gelijktijdig behandeld, waardoor de rechtbank in deze zaak zal volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden.

5.4.

Conclusie vaststelling betalingsverplichting

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting vast op een bedrag van € 86.491,14.

De rechtbank zal toepassing geven aan artikel 36e lid 11 Sr. Op grond hiervan dient de rechter thans bij de oplegging van de maatregel de duur van de gijzeling te bepalen, die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van de opgelegde betalingsverplichting niet mogelijk blijkt. De rechtbank zal die maximale duur bepalen op basis van één dag per te ontnemen € 100,00.

Gelet op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel van € 86.491,14, zal de rechtbank de duur van de gijzeling vaststellen op 864 dagen. De rechtbank gaat daarbij uit van de (gedeeltelijke) pleegperiode van vóór 25 juli 2020.

6
Het toepasselijke wetsartikel

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

7
De beslissing

De rechtbank:

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 86.491,14;

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 86.491,14 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 864 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.L. Harmsen, voorzitter,

mr. R. Wieringa, rechter,

mr. M.S. Verboom, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2026.