4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij de vordering gepersisteerd. De officier van justitie heeft zich bij de berekening gebaseerd op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: ontnemingsrapport), opgemaakt op 12 oktober 2021, naar aanleiding van het strafrechtelijk financieel onderzoek dat naar de veroordeelde is ingesteld.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op een bedrag van € 86.491,14, overeenkomstig de conclusie van het ontnemingsrapport.
4.3.
Bewijsmiddelen
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PLl500-2021156219, onderzoek ERM, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden Bollenstreek, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 2426).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. de gebruikte bewijsvoering in het vandaag gewezen vonnis van deze rechtbank in de strafzaak tegen de veroordeelde. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over en is (voor de leesbaarheid) als bijlage aan dit vonnis gehecht. De voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel redengevende feiten en omstandigheden ontleent de rechtbank rechtstreeks aan de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen. In de ontnemingszaak verbindt de rechtbank op grond van dezelfde overwegingen dezelfde gevolgtrekkingen aan die bewijsmiddelen als in de strafzaak;
2. het ontnemingsrapport, opgemaakt op 12 oktober 2021.
4.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de volgende berekening. De bij deze berekening gebruikte aantallen en bedragen ontleent de rechtbank aan de inhoud van de genoemde wettige bewijsmiddelen. Redengevend voor deze schatting zijn de daar vermelde feiten, omstandigheden en gevolgtrekkingen.
De rechtbank overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.
Bewijsvermoeden
Hiervoor is overwogen dat in deze zaak de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gegrond op artikel 36e, derde lid, Sr. In geval van toepassing van dat derde lid kan worden uitgegaan van een bewijsvermoeden. Dat vermoeden houdt in dat alle gedane uitgaven evenals alle vergaarde voorwerpen in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van het delict, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. Het bewijsvermoeden kan worden weerlegd als aannemelijk is dat deze uitgaven en voorwerpen uit een legale bron van inkomsten komen. Van de verdediging mag daarom worden verlangd om aan de hand van voldoende concrete en verifieerbare gegevens te onderbouwen dat sprake is van een legale bron van inkomsten.
Economische eenheid veroordeelden
De veroordeelde en haar man [man van de veroordeelde] (hierna: [man van de veroordeelde] ), die eveneens is veroordeeld, voerden gedurende de onderzoeksperiode een gezamenlijke huishouding en kunnen worden aangemerkt als een economische eenheid. In het rapport is niettemin onderscheid gemaakt tussen de berekening van wederrechtelijk voordeel dat is verkregen door de veroordeelden afzonderlijk van elkaar. Voor zover de uitgaven ten behoeve van hen beiden of hun gezinsleden zijn gedaan, is de uitgave toegerekend aan degene die de uitgave daadwerkelijk heeft gedaan. De rechtbank volgt dat gemaakte onderscheid.
Legale inkomsten
Uit onderzoek van het iCOV Rapportage Vermogen en Inkomen (hierna: iRVI) blijkt dat de veroordeelde tussen 2014 en 2018 geen vermogen bezat op haar bankrekeningen en dat zij, behoudens uitkeringen en toeslagen, geen geregistreerde inkomsten had.
Contanten bankrekeningen (stortingen-opnamen)
De veroordeelde heeft zich blijkens de bewezenverklaring in het strafvonnis van heden schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van in totaal € 78.691,14. Uit de bewijsmiddelen van het strafvonnis volgt dat tussen 1 juli 2016 en 1 augustus 2019 meerdere contante stortingen zijn gedaan op de bankrekening van de veroordeelde, voor een totaalbedrag van per saldo € 78.691,14.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de contante stortingen geen netto opbrengst voor de veroordeelde hebben gevormd, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [man van de veroordeelde] en twee kinderen en zij dit geld ten behoeve van het gezin heeft besteed. Het bedrag zou om die reden door vier of subsidiair door twee moeten worden gedeeld.
De rechtbank verwerpt het verweer dat het bedrag moet worden verdeeld en overweegt daartoe als volgt. Zoals eerder is overwogen, volgt de rechtbank het door de politie gemaakte onderscheid ten aanzien van uitgaven die ten behoeve van de veroordeelden samen of hun gezinsleden zijn gedaan. Nu de stortingen zijn gedaan op de bankrekening van de veroordeelde zullen deze aan haar worden toegerekend. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor een verdeling van dit geldbedrag en de veroordeelde heeft daaromtrent ook geen verklaring afgelegd. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bedrag van
€ 78.691,14 aanmerken als wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.
Piaggio scooter
Uit het iRVI onderzoek naar de veroordeelde is gebleken dat zij sinds 24 juni 2019 een Piaggio scooter met kenteken [kenteken] op haar naam had staan. De waarde van de scooter is door de politie geschat op € 1.500,-.
De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van de raadsman dat de veroordeelde in staat was om de scooter van haar eigen inkomsten aan te schaffen. De rechtbank overweegt dat veroordeelde bij de politie geen verklaring heeft afgelegd over de aanschaf van de scooter. Er heeft geen girale betaling plaatsgevonden voor deze aankoop, zo volgt uit de analyse van de banktransacties van de veroordeelde. De veroordeelde en [man van de veroordeelde] beschikten beiden in die periode niet over noemenswaardige inkomsten of vermogen. Daartegenover staat dat [man van de veroordeelde] bij strafvonnis van heden is veroordeeld voor het (grootschalig) telen van hennep in de periode 1 maart 2019 tot en met 12 februari 2021. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de veroordeelde en haar gezin grotendeels financieel afhankelijk waren van de criminele inkomsten van [man van de veroordeelde] en dat de scooter daarmee is bekostigd.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het bedrag van € 1.500,- betrekken bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde.
Uitgaven die blijken uit onderzoek naar de telefoon van de veroordeelde
Door het Openbaar Ministerie is gesteld dat uit onderzoek naar de telefoon van de veroordeelde blijkt dat zij de volgende contante uitgaven heeft gedaan in de onderzoeksperiode:
16-03-2019 mogen pakken van contanten € 700,-
16-10-2019 uitgave Western Union – Turkije, niet via rekening € 1.500,-
26-11-2019 uitgave Western Union-Turkije, niet via rekening € 500,-
01-12-2020 afgifte aan 'vak' € 3.000,-
05-04-2021 uitgave voor lounge set Jysk € 600,-
Kort gezegd heeft de raadsman ten aanzien van deze posten aangevoerd dat dit geen netto opbrengst betreft, omdat zij de bovenstaande bedragen heeft uitgegeven en niet heeft verdiend. Daardoor is zij er zelf niet op vooruitgegaan. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat enkele van deze bedragen blijkens de chatgesprekken op verzoek van [man van de veroordeelde] zijn uitgegeven.
De rechtbank verwerpt het primaire verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Hiervoor is overwogen dat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in deze zaak is gegrond op artikel 36e, derde lid, Sr. Dat brengt met zich dat kan worden uitgegaan van het vermoeden dat alle gedane uitgaven in een periode van zes jaar voorafgaand aan het plegen van het delict als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt.
Uit chatgesprekken tussen de veroordeelde en [man van de veroordeelde] volgt dat zij de bovenstaande uitgaven heeft gedaan. Aangezien geen girale betalingen van de uitgaven zijn teruggevonden in de banktransacties van de veroordeelde, kan worden vastgesteld dat de betalingen met contant geld zijn verricht. Zoals eerder is overwogen, volgt de rechtbank het door de politie gemaakte onderscheid ten aanzien van uitgaven die ten behoeve van de veroordeelden samen of hun gezinsleden zijn gedaan. Nu de uitgaven zijn gedaan door de veroordeelde zullen deze aan haar worden toegerekend.
Eindberekening
Concluderend, betrekt de rechtbank de volgende contante uitgaven (inclusief bankstortingen) bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Contanten bankrekeningen (stortingen-opnamen) t/m 1-08-2019 € 78.691,14
Op/rond 24-06-2019 aanschaf Piaggio [kenteken] € 1.500,-
16-03-2019 mogen pakken van contanten € 700,-
16-10-2019 uitgave Western Union – Turkije, niet via rekening € 1.500,-
26-11-2019 uitgave Western Union-Turkije, niet via rekening € 500,-
01-12-2020 afgifte aan 'vak' € 3.000,-
05-04-2021 uitgave voor lounge set Jysk € 600,-
Totaal: € 86.491,14
Nu de veroordeelde geen verifieerbare en onderbouwde verklaring heeft gegeven voor de inkomsten waarmee de bovengenoemde contante uitgaven zijn gedaan, is de rechtbank van oordeel dat deze inkomsten slechts afkomstig kunnen zijn uit strafbare feiten.