Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RBGEL:2026:5561

Op 13 July 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursprocesrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ARN 26/1869, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:5561. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
ARN 26/1869
Datum uitspraak:
13 July 2026
Datum publicatie:
13 July 2026

Indicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit waarin het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden tegen speelvoorzieningen bij een pannenkoekenrestaurant is afgewezen. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is weliswaar van oordeel dat de speeltoestellen in strijd met het omgevingsplan zijn geplaatst, maar ziet daarin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Een dergelijke voorlopige voorziening strekt namelijk te ver. De voorzieningenrechter zou het college dan bij wijze van voorlopige voorziening moeten opdragen om handhavend op te treden. De bevoegdheid om handhavend op te treden ligt bij het college en het is in eerste instantie dan ook aan het college om te bepalen of het van zijn handhavende bevoegdheid gebruik maakt. De voorzieningenrechter kan daar niet op vooruitlopen in deze zaak.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/1869

uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk

(gemachtigde: Y. Tas)

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Restaurant De Boskabouter B.V. uit Harderwijk

(gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van 25 maart 2026 waarin het verzoek van verzoeker om handhavend op te treden tegen speelvoorzieningen bij pannenkoekenrestaurant De Boskabouter is afgewezen.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter is weliswaar van oordeel dat de speeltoestellen in strijd met het omgevingsplan zijn geplaatst, maar ziet daarin geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Een dergelijke voorlopige voorziening strekt namelijk te ver. De voorzieningenrechter zou het college dan bij wijze van voorlopige voorziening moeten opdragen om handhavend op te treden. De bevoegdheid om handhavend op te treden ligt bij het college en het is in eerste instantie dan ook aan het college om te bepalen of het van zijn handhavende bevoegdheid gebruik maakt. De voorzieningenrechter kan daar niet op vooruitlopen in deze zaak.

1.2.

Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

Procesverloop

2. Op 10 december 2025 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend bij het college, waarin hij verzoekt om handhavend op te treden tegen speeltoestellen op het perceel [adres] in Harderwijk. Omdat een beslissing op zijn handhavingsverzoek uitbleef, heeft hij een beroep niet tijdig beslissen ingediend bij de rechtbank (zaaknummer: 26/1238). Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep niet tijdig beslissen. De rechtbank heeft het van rechtswege ontstane beroepschrift doorgezonden naar het college om als bezwaarschrift te behandelen tegen het besluit van 25 maart 2026 waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen. (Voetnoot 1)

2.1.

Verzoeker heeft ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Gelet op het voorgaande behandelt de voorzieningenrechter dit verzoek als een verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen het besluit van 25 maart 2026.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigde van het college hebben deelgenomen aan de zitting.

2.3.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter een heropeningsverzoek ontvangen de derde-partij. De reden voor dit verzoek is dat de uitnodiging om als derde-partij deel te nemen aan deze procedure en de kennisgeving voor de zitting naar een onjuist adres zijn verzonden. De voorzieningenrechter heeft hierom bij beslissing van 12 juni 2026 het onderzoek heropend, omdat de derde-partij dus geen kennis heeft kunnen nemen van de stukken en niet heeft kunnen deelnemen aan de zitting bij de voorzieningenrechter terwijl zij dat wel had gewild.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek opnieuw op zitting behandeld op 30 juni 2026. Verzoeker heeft deelgenomen aan de zitting. Het college heeft zich afgemeld en is niet verschenen. Namens de derde-partij zijn [persoon 1] , [persoon 2] en de gemachtigde verschenen.

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar de zaak over gaat. Daarna beoordeelt zij of er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Daarvoor is van belang of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.

Waar gaat deze zaak over?

4. Bij Pannenkoekenhuis De Boskabouter op het perceel [adres] in Harderwijk is een aantal speeltoestellen geplaatst. Verzoeker heeft het college verzocht om hier handhavend tegen op te treden, omdat deze volgens hem zonder omgevingsvergunning en in strijd met het omgevingsplan zijn geplaatst.

4.1.

Bij brieven van 25 februari 2026 heeft het college zijn voornemen geuit om lasten onder dwangsom op te leggen aan de eigenaar respectievelijk de exploitant van het perceel. Op de voornemens zijn zienswijzen binnengekomen en daarna is een zienswijzegesprek gevoerd. Vervolgens heeft er een hercontrole plaatsgevonden op het perceel op 24 maart 2026. Tijdens deze controle is vastgesteld dat het 5,5 meter hoge speeltoestel met glijbaan is verwijderd en dat er nu enkele kleinere speeltoestellen op het terrein achter het restaurant staan.

4.2.

Bij besluit van 25 maart 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen. Volgens het college passen de speeltoestellen binnen de bestemming ‘Horeca’ en is het te hoge speeltoestel ondertussen verlaagd en niet meer in strijd met het omgevingsplan, waardoor er (niet langer) sprake is van strijd met het omgevingsplan.

Is sprake van een spoedeisend belang?

5. Verzoeker vreest dat de geluidsoverlast significant zal toenemen nu het horeca-buitenseizoen is gestart. Het gebruik van de speeltuin zal flink toenemen

en dat tast de goede ruimtelijke orde aan. Er zijn namelijk geen speelvoorzieningen bestemd en er is dus geen rekening gehouden met de belasting die dat brengt op omliggende woningen. Het afwachten van de uitspraak zonder voorlopige voorziening zorgt dus voor significante geluidsoverlast.

5.1.

Het college daarentegen betwist dat sprake is van een spoedeisend belang en stelt dat de beslissing op bezwaar wel afgewacht kan worden. Omdat partijen van mening verschillen over de vraag of sprake is van een spoedeisend belang, beoordeelt de voorzieningenrechter dat eerst.

5.2.

Voor het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bezwaarprocedure bestaat alleen aanleiding als sprake is van een spoedeisend belang. Daarvan is sprake als de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. Een beslissing op bezwaar kan niet worden afgewacht als er vóór die tijd onomkeerbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er in dit geval wel sprake is van een spoedeisend belang. De enige mogelijkheid voor verzoeker om de eventuele gestelde (geluids)overlast als gevolg van de speeltoestellen tegen te gaan, is door de voorzieningenrechter te verzoeken om een voorlopige voorziening te treffen. Eventuele overlast van de ingebruikname van de speeltoestellen tot aan de beslissing op bezwaar is nadien niet meer met terugwerkende kracht ongedaan te maken. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Heeft het college het handhavingsverzoek terecht afgewezen?

6. Verzoeker stelt zich kort samengevat op het standpunt dat in het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, een sluitende definitie van horeca staat waar ondergeschikte speelvoorzieningen geen onderdeel van uitmaken. De speelvoorzieningen zijn dus niet toegestaan op grond van het omgevingsplan. Daarnaast zijn de speelvoorzieningen niet ondergeschikt aan de horeca-bestemming, zodat ze ook om die reden niet toegestaan zijn.

6.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de speeltoestellen niet zijn toegestaan op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en dat het bezwaar van verzoeker dus een redelijke kans van slagen heeft. Dat licht zij hieronder toe.

6.2.

Op het perceel geldt het Omgevingsplan Harderwijk. Het bestemmingsplan ‘Veegplan Buitengebied’ maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van dat omgevingsplan. Op grond van dat bestemmingsplan geldt op het perceel de functie ‘Horeca’. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van artikel 8.1 (de bestemmingsomschrijving) de voor horeca aangewezen gronden bestemd voor: horeca, wegen en paden, nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. Het aanbieden van speeltoestellen voor kinderen valt, anders dan de derde-partij op zitting heeft gesteld, niet onder de definitie van horeca. Horeca wordt in het bestemmingsplan namelijk gedefinieerd als ‘een bedrijf of instelling, niet zijnde een discotheek of bar-dancing, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies worden verstrekt.’ Volgens deze definitie is het voor het pannenkoekenhuis dus (enkel) toegestaan om bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken. Het aanbieden van speeltoestellen is niet opgenomen in deze definitie en valt dus ook niet onder het toegestane gebruik.

6.3.

Anders dan het college heeft betoogd, zijn speeltoestellen ook niet in ondergeschikte vorm toegestaan. Dan had de planwetgever in artikel 8.1 van het bestemmingsplan uitdrukkelijk moeten opnemen dat bepaalde bij de horeca-bestemming behorende of daaraan ondergeschikte (speel)voorzieningen zijn toegestaan. Dat is hier niet het geval. In artikel 9.1 van het bestemmingsplan (de bestemmingsomschrijving van de bestemming Maatschappelijk) is bijvoorbeeld wel uitdrukkelijk opgenomen dat ‘daarbij behorende speelvoorzieningen’ zijn toegestaan. Ook uit de plansystematiek is dus af te leiden dat speelvoorzieningen bij de horeca-bestemming niet zijn toegestaan, ook niet in ondergeschikte vorm.

6.4.

Het bezwaar van verzoeker heeft dus een redelijke kans van slagen. Anders dan het college meent, is er namelijk sprake van een overtreding. De voorzieningenrechter beoordeelt hieronder of aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Bestaat er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening?

7. De voorzieningenrechter overweegt dat nu het bestreden besluit de weigering om handhavend optreden betreft, verzoeker met schorsing van dat besluit niet kan bereiken dat het college alsnog handhavend gaat optreden. Feitelijk strekt het verzoek er dan ook toe dat het college, vooruitlopend op de uitkomst van de bezwaarprocedure, bij wijze van voorlopige voorziening wordt opgedragen om handhavend op te treden. Een dergelijke voorlopige voorziening strekt heel ver. Voor het treffen van een dergelijk vestrekkende voorlopige voorziening bestaat dan ook slechts aanleiding in zeer uitzonderlijke situaties. Daar is in dit geval geen sprake van. Dat licht de voorzieningenrechter hieronder toe.

7.1.

De bevoegdheid om handhavend op te treden tegen een overtreding ligt bij het college. Hoewel het college in beginsel verplicht is om bij een overtreding van zijn handhavende bevoegdheid gebruik te maken, mag in bepaalde gevallen van het college toch worden verwacht dat het afziet van handhavend optreden. Dat is bijvoorbeeld het geval als handhavend optreden onevenredig is. Het is aan het college om te beoordelen of het van zijn handhavende bevoegdheid gebruik gaat maken. Deze afweging ligt dus bij het college en de voorzieningenrechter kan daar op dit moment niet op vooruit lopen. Het bij wijze van voorlopige voorziening opdragen om handhavend op te treden strekt dus te ver. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

8.1.

Omdat het bezwaar van verzoeker wel een redelijke kans van slagen heeft en er een gebrek kleeft aan het bestreden besluit, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat het college het griffierecht aan verzoeker moet vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat het college het betaalde griffierecht ter hoogte van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Rb. Gelderland 22 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4350.