Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 18 september 2023 is eiseres in dienst getreden bij Het Wooncentrum B.V. (ook wel Seats en Sofa’s B.V. genoemd; werkgever) op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor zes maanden, eindigend op 18 maart 2024. Op 27 december 2023 heeft eiseres zich ziekgemeld bij haar werkgever. Het dienstverband van eiseres met de werkgever is met ingang van 18 maart 2024 van rechtswege geëindigd.
3.1.
Op 23 maart 2024 heeft eiseres een aanvraag voor een WW-uitkering ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft het UWV, bij besluit van 25 maart 2024, per 18 maart 2024 een WW-uitkering aan eiseres toegekend.
3.2.
Bij besluit van 25 maart 2024 heeft het UWV naar aanleiding van een melding door eiseres in Mijn UWV dat zij vanaf 27 december 2023 ziek is, aanvankelijk toekenning van ziekengeld aan eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) geweigerd, omdat zij recht heeft op loondoorbetaling door haar werkgever.
3.3.
Op 15 april 2024 heeft de werkgever eiseres alsnog ziekgemeld bij het UWV vanaf 27 december 2023. Vervolgens heeft het UWV met zijn besluit van 26 april 2024 het besluit van 25 maart 2024 ingetrokken en besloten dat eiseres per 18 maart 2024 geen recht heeft op een WW-uitkering, omdat zij vanwege ziekte niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Bij besluit van 10 juni 2024 heeft het UWV aan eiseres per 18 maart 2024 alsnog ziekengeld op grond van de ZW toegekend.
3.4.
Eiseres is op 25 juni 2024 op het spreekuur van een ZW-arts van het UWV geweest. Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft deze arts geconcludeerd dat eiseres per 25 juni 2024 geschikt is om haar arbeid bij de werkgever te verrichten. Daarom heeft het UWV, bij besluit van 3 juli 2024, het ziekengeld van eiseres met ingang van 25 juni 2024 beëindigd.
3.5.
Vervolgens heeft eiseres op 3 juli 2024 een nieuwe WW-aanvraag ingediend. Daarin geeft zij op dat de einddatum van haar laatste arbeidsovereenkomst 18 maart 2024 is. Eiseres wenst dat haar WW-uitkering begint op 1 juli 2024. Vervolgens is het UWV overgegaan tot de bestreden besluitvorming.
Wat vindt het UWV?
4. Het UWV heeft aan de afwijzing van de WW-aanvraag van eiseres het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft geen recht op een WW-uitkering, omdat zij onvoldoende weken heeft gewerkt. Om een WW-uitkering te kunnen krijgen, moet zij in de 36 weken voor haar werkloosheid in 26 weken gewerkt hebben. Dit wordt de wekeneis genoemd. De periode van 36 weken loopt in het geval van eiseres van 16 oktober 2023 tot en met 23 juni 2024. Zij heeft in deze periode vijftien weken gewerkt. Dat zijn er te weinig. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift tegen het besluit van 10 juli 2024 onder meer aangevoerd dat zij wel voldoet aan de wekeneis als de weken waarin zij wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet kon werken, worden meegeteld. Eiseres kon in deze weken niet werken vanwege zwangerschap of bevalling. Doordat de wet daarmee geen rekening houdt, maakt de wet een ongeoorloofd onderscheid op grond van geslacht, aldus eiseres.
Het UWV stelt in reactie op deze bezwaargrond dat de wet een strikte uitleg hanteert van de kalenderweken die worden meegerekend voor de wekeneis. De kalenderweken waarin eiseres wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten worden niet meegenomen in de telling van de wekeneis. De periode van ziekte of arbeidsongeschiktheid loopt in het geval van eiseres van 27 december 2023 tot en met het einde van haar dienstverband (18 maart 2024). De referteperiode van 36 weken wordt in deze situatie wel met het aantal weken van ziekte verlengd (dit wordt voorverlenging genoemd). Door de toepassing van de voorverlenging kan er volgens het UWV niet worden gezegd dat sprake is van ongeoorloofd onderscheid op grond van geslacht. Door de voorverlenging is de situatie ontstaan dat vrouwen niet langer eerder dan mannen niet voldoen aan de wekeneis. Door de voorverlenging beslaat de referteperiode van eiseres de periode van 10 juli 2023 tot en met 23 juni 2024. Eiseres heeft in deze verlengde referteperiode in minder dan 26 weken gewerkt. Daarom voldoet zij niet aan de wekeneis en daarom heeft zij geen recht op een WW-uitkering.
5. Eisers voert – samengevat – het volgende aan. Als gevolg van de onjuiste en strikte interpretatie van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van WW door het UWV, bestaat er een aanzienlijk risico dat een zwangere werkneemster, als gevolg van zwangerschapscomplicaties waardoor zij niet in staat is arbeid te verrichten, zich gedwongen zou kunnen voelen haar zwangerschap vrijwillig te beëindigen om te voorkomen dat zij haar recht op een WW-uitkering verliest. Het moederschap is echter een juridisch beschermd belang en een zwangere werkneemster mag derhalve niet in een positie worden gebracht waarin zij gedwongen wordt te kiezen tussen het voortzetten van haar zwangerschap en het behoud van haar financiële bestaanszekerheid.
Artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, voor zover toepassing van dat artikel tot gevolg heeft dat zwangere en net bevallen vrouwen gelijk worden gesteld aan zieke werknemers en werkneemsters, is in strijd is met artikel 4, eerste lid, van EG-Richtlijn 79/7 (de Richtlijn). (Voetnoot 1) Ziekengeld krachtens de ZW in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling wordt op grond van artikel 19, tweede lid, van de ZW toegekend zonder dat bij de betrokkene sprake behoeft te zijn van door ziekte veroorzaakte ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid. Maar voor de vaststelling van het recht op WW worden door het UWV tijdvakken waarin deze vorm van ziekengeld wordt ontvangen onterecht gelijkgesteld met perioden van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Nu ziekengeld in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling uitsluitend aan de vrouwelijke werknemer wordt toegekend, betekent dit dat alleen vrouwen worden getroffen door het door deze gelijkstelling veroorzaakte nadeel. De toepassing van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW door het UWV leidt daarom tot een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen en moet dan ook worden aangemerkt als direct discriminerend ten opzichte van vrouwen. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie valt af te leiden dat de Richtlijn niet voorziet in uitzonderingen op het in artikel 4, eerste lid, van die Richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling, indien sprake is van directe discriminatie naar geslacht. Dat betekent dat artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW buiten toepassing moet worden gelaten in de situatie van eiseres.
Het UWV had aan eiseres ziekengeld op grond van artikel 19, tweede lid, van de ZW toe moeten kennen, wegens ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid, die haar oorzaak vindt in zwangerschap. Het genoten ziekengeld was ten onrechte gebaseerd op artikel 19, eerste lid, van de ZW. Het niet verrichten van arbeid door een vrouwelijke werknemer tijdens haar zwangerschap wegens afwezigheid, veroorzaakt door aan zwangerschap gerelateerde klachten kan, conform het Brown (Voetnoot 2)- en Webb (Voetnoot 3)-arrest, niet worden gelijkgesteld met ziekte of arbeidsongeschiktheid. Afwezigheid wegens aan zwangerschap verbonden klachten kan dus niet worden gelijkgesteld met ziekte en arbeidsongeschiktheid. Bij eiseres was derhalve geen sprake van ziekte of arbeidsongeschiktheid in de zin van de WW. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het UWV handelt in strijd met artikel 11, eerste lid, aanhef en onder d en e, en tweede lid, aanhef en onder b, van het VN-Vrouwenverdrag (Voetnoot 4), door zwangerschapsgerelateerde uitval onterecht te kwalificeren als reguliere ziekte. Deze benadering leidt tot indirecte discriminatie van vrouwen op grond van hun zwangerschap. Door eiseres wordt daarom betwist dat het UWV artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW op een juiste wijze heeft toegepast. Eiseres is van mening dat de tijdvakken, waarin zij in de referteperiode wegens zwangerschapsklachten niet heeft kunnen werken, meegeteld moeten worden in de referteperiode en dat zij daarom aan de 26-weken-eis heeft voldaan.
De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 juni 2003 (Voetnoot 5) en van 28 oktober 2021 (Voetnoot 6) waar het UWV zich op beroept, zien op regulier zwangerschapsverlof in het kader van de WAZO (Voetnoot 7) en zijn feitelijk niet vergelijkbaar met de situatie van eiseres, die arbeidsongeschikt was als gevolg van medische zwangerschapscomplicaties. De CRvB lijkt in zijn overwegingen ook geen acht te hebben geslagen op de relevante internationale verdragen en de relevante rechtspraak.
5.1.
Subsidiair, als de rechtbank van mening is dat zwangerschapsklachten voorafgaand aan zwangerschapsverlof wel als ziekte of arbeidsongeschiktheid kunnen worden beschouwd en derhalve artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW van toepassing zou zijn, voert eiseres het volgende aan. De toepassing van de voorverlenging in haar situatie is uitsluitend het gevolg van het onvermogen van eiseres om arbeid te verrichten wegens zwangerschapsklachten voorafgaand aan het zwangerschapsverlof. Door de weken waarin geen arbeid is verricht vanwege zwangerschapsklachten buiten beschouwing te laten en vervolgens de referteperiode te verlengen, wordt een situatie gecreëerd waarin nog steeds sprake is van een verboden onderscheid op grond van geslacht. Conform vaste rechtspraak, zoals het Boyle-arrest (Voetnoot 8), is er dan sprake van indirecte discriminatie wanneer de toepassing van een nationale maatregel, in dit geval voorverlenging, hoewel neutraal geformuleerd, feitelijk een groter aantal vrouwen dan mannen benadeelt. De toepassing van de voorverlenging leidt daarom nog steeds tot een verboden indirecte discriminatie op grond van geslacht, aangezien in deze situatie eerder en meer vrouwen dan mannen niet voldoen aan de wekeneis zoals neergelegd in artikel 17 van de WW. De uitleg van het UWV dat de voorverlenging geen verboden onderscheid zou maken omdat zij formeel op zowel mannen als vrouwen van toepassing is, miskent dat in de praktijk alleen vrouwen wegens zwangerschap of bevalling aanspraak maken op deze regeling van voorverlenging. Hierdoor heeft deze regeling een discriminerende uitwerking, aangezien zij uitsluitend vrouwen benadeelt op grond van een biologisch kenmerk dat mannen niet treft. Dit leidt tot indirecte discriminatie en is in strijd met relevante Europese richtlijnen en rechtspraak. Het gelijkschakelen van de situatie van zwangere vrouwen met die van zieke mannen miskent ook de specifieke bescherming die het Unierecht juist aan zwangere vrouwen biedt.
6. Het UWV stelt zich in het verweerschrift van 8 mei 2025, aanvullend op het bestreden besluit, op het volgende standpunt.
In het geval van eiseres is geen sprake van een WAZO-uitkeringsperiode, zoals bedoeld in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW maar van een situatie van ongeschiktheid tot het verrichten van werk buiten haar schuld om. Zij was in deze periode ten gevolge van ziekte arbeidsongeschikt zoals bedoeld in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Daarom worden deze weken buiten beschouwing gelaten.
Eiseres lijkt van mening te zijn dat de ongeschiktheid tot werken over de periode van 27 december 2023 tot en met 24 juni 2024 gelijkgesteld moet worden met gewerkte weken, omdat sprake is van een verboden (indirecte) discriminatie naar geslacht. Het UWV kan eiseres hierin niet volgen. Eiseres heeft geen ziekengeld gekregen op grond van artikel 19, tweede lid, van de ZW, maar op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW.
Noch in de door eiseres genoemde Richtlijnen, noch in de arresten Boyle en Gómez heeft het UWV aanknopingspunten kunnen vinden voor het standpunt dat artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW niet richtlijnconform is uitgelegd of dat de weken waarin niet is gewerkt vanwege ziekte moeten worden aangemerkt als weken waarin arbeid is verricht.
Ook indien een mannelijke verzekerde geen arbeid heeft kunnen verrichten door een buiten zijn schuld liggende oorzaak (ziekte) worden deze weken niet als weken waarin is gewerkt aangemerkt. Indien voor een vrouwelijke verzekerde een gelijkstellingsregeling zou gelden, zou dit juist tot ongelijke behandeling kunnen leiden.
Voor zover eiseres van mening is dat er sprake is van discriminatie van vrouwelijke werknemers van wie ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling, verwijst het UWV naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 april 2003 (Voetnoot 9) en van 12 augustus 2021 (Voetnoot 10). Uit deze uitspraken blijkt dat de CRvB van oordeel is dat door de weken waarover een WAZO-uitkering (dit is niet het geval bij eiseres) is genoten buiten beschouwing te laten voor de vaststelling van het recht op uitkering ingevolge de WW en vervolgens de referteperiode voor te verlengen een situatie is gecreëerd waarbij niet (meer) kan worden gesproken van een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen. Aangezien er op deze wijze voldoende rekening mee gehouden is dat zich bij vrouwen de situatie kan voordoen dat zij in de 36 weken voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid geen werkzaamheden kunnen verrichten in verband met zwangerschap en bevalling, en dat vrouwen aldus eerder dan mannen niet voldoen aan de in artikel 17, eerste lid, van de WW neergelegde wekeneis.
Wat vindt de rechtbank?
De omvang van het geding
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep van eiseres alleen is gericht tegen het bestreden besluit waarbij de weigering van de WW-uitkering wordt gehandhaafd, en niet tegen besluiten van het UWV over haar recht op ziekengeld op grond van de ZW. Daarom kan de rechtbank niet oordelen over de vraag of het UWV aan eiseres ziekengeld op grond van artikel 19, tweede lid, van de ZW in plaats van op grond van artikel 19, eerste lid, van de ZW had moeten toekennen. Ook kan zij niet oordelen over het verzoek van eiseres om schadevergoeding voor zover dat betrekking heeft op het recht op ziekengeld op grond van de ZW.
Heeft het UWV de WW-aanvraag terecht afgewezen?
8. Uit artikel 17, eerste lid, van de WW volgt dat iemand, om in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering, in de 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan haar of zijn werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken één arbeidsuur per week heeft. Op grond van artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW worden voor de vaststelling van de periode van 36 weken niet in aanmerking genomen kalenderweken gedurende welke de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten. De periode van 36 kalenderweken (de referteperiode) wordt dan met deze weken voorverlengd.
9. Niet in geschil is dat eiseres vanaf 27 december 2023 tot het einde van haar dienstverband met de werkgever (18 maart 2024) geen werkzaamheden heeft verricht. Het UWV stelt dat eiseres in de periode van 27 december 2023 tot 18 maart 2024 geen arbeid kon verrichten (voor de werkgever) vanwege een buiten haar schuld gelegen oorzaak en daarom, zo begrijpt de rechtbank de onderbouwing van het standpunt van het UWV, verschilt de situatie van eiseres niet van die van een man die wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet kon werken. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat het wel van belang is om na te gaan wat de oorzaak was van de ongeschiktheid tot werken van eiseres in de betreffende periode. Gelet op de medische informatie die in het dossier aanwezig is en met name de gegevens neergelegd in het, door het UWV tijdens de zitting overgelegde Medisch onderzoeksverslag van 28 juni 2024, acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres in deze gehele periode verhinderd was tot het verrichten van haar werkzaamheden in verband met zwangerschaps- of bevallingsgerelateerde aandoeningen. In tegenstelling tot eiseres is de rechtbank echter van oordeel dat deze verhindering tot het verrichten van werkzaamheden wel moet worden beschouwd als arbeidsongeschiktheid. Daarbij sluit de rechtbank aan bij het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de ZW. Daarin wordt namelijk de ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid door de vrouwelijke werknemer die haar oorzaak vindt in zwangerschap of bevalling wel aangemerkt als arbeidsongeschiktheid.
10. Dit heeft tot gevolg dat het UWV toepassing moest geven aan het bepaalde in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW en de weken waarin eiseres arbeidsongeschikt is geweest tijdens de referteperiode moeten worden voorverlengd. Door deze voorverlenging loopt de referteperiode van 10 juli 2023 tot en met 23 juni 2024. In deze periode heeft eiseres slechts in vijftien weken gewerkt. Dat leidt tot de conclusie dat eiseres niet voldoet aan de wekeneis. De voorverlenging biedt voor haar daarom geen uitkomst.
11. De rechtbank ziet zich vervolgens, gelet op de beroepsgronden van eiseres, gesteld voor de vraag of het bepaalde in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in haar situatie buiten toepassing moet worden gelaten. De rechtbank antwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder licht zij dat toe.
11.1.
Van belang is of deze bepaling, voor zover toepassing daarvan tot gevolg heeft dat de vrouwelijke werknemer die arbeidsongeschikt is als gevolg van zwangerschap of bevalling gelijk wordt gesteld met andere arbeidsongeschikte werknemers en werkneemsters, in strijd is met artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn.
11.2.
In artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn is bepaald dat het beginsel van gelijke behandeling inhoudt dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.
11.3.
Artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW maakt voor wat betreft de toepassing daarvan geen onderscheid naar de oorzaak van de ongeschiktheid waardoor iemand geen arbeid heeft kunnen verrichten. Deze bepaling en in het verlengde daarvan de voorverlenging houdt echter, naar het oordeel van de rechtbank, ten onrechte geen rekening met arbeidsongeschiktheid van de vrouwelijke werknemer als gevolg van aan zwangerschap en bevalling gerelateerde aandoeningen. Ook houdt deze bepaling ten onrechte geen rekening met het feit dat de voorverlenging voor deze vrouwelijke werknemer onvoldoende soelaas kan bieden, in die zin dat zij ondanks deze voorverlenging niet voldoet aan de wekeneis. Daardoor is er, naar het oordeel van de rechtbank, bij deze voorwaarde om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering sprake van een verboden (in)directe discriminatie naar geslacht.
11.4.
Dat betekent dat het bepaalde in artikel 17a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW bij de beoordeling van de WW-aanvraag van eiseres wegens strijd met artikel 4 van de Richtlijn buiten toepassing moet worden gelaten. Dat heeft tot gevolg dat de weken in de periode van 27 december 2023 tot 18 maart 2024 waarin eiseres vanwege haar arbeidsongeschiktheid als gevolg van zwangerschap en bevalling niet heeft kunnen werken, moeten worden gelijkgesteld met gewerkte weken. Alleen langs deze weg worden in de situatie waarin eiseres verkeert de nadelige gevolgen voor haar als vrouw van het niet hebben kunnen werken als gevolg van zwangerschap of bevalling en daarmee de strijdigheid met het verbod van artikel 4 van de Richtlijn ongedaan gemaakt. Dat leidt tot de conclusie dat eiseres wel aan de wekeneis voldoet.
11.5.
Het UWV had gelet op 11.3 en 11.4 de WW-aanvraag van eiseres niet af mogen wijzen, omdat zij niet aan de wekeneis zou voldoen. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en het UWV zal worden opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van het voorgaande. De rechtbank kan het geschil niet zelf finaal beslechten, omdat de benodigde gegevens daarvoor ontbreken. Het is de rechtbank namelijk niet bekend of eiseres aan de overige vereisten voor het recht op WW-uitkering voldoet.
Heeft eiseres recht op een schadevergoeding?
12. Eiseres voert aan dat zij door de onjuiste besluitvorming van het UWV over haar recht op ziekengeld op grond van de ZW en haar recht op WW-uitkering schade heeft geleden. Daarvoor is het UWV volgens eiseres aansprakelijk te houden. Zij maakt daarom aanspraak op volledige schadevergoeding wegens geleden en nog te lijden schade. Daarbij gaat het om:
? materiële schade die bestaat uit:
o 30% te weinig betaald ziekengeld;
o het volledig mislopen van drie maanden WW-uitkering;
o een verhoging van 50% van het gemiste ziekengeld en de gemiste WW-uitkering wegens vertraagde betaling;
o nog nader vast te stellen gederfde of verlaagde inkomensafhankelijke toeslagen;
o nog nader vast te stellen fiscale schade als gevolg van afwijkende belastingheffing;
o de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand, nader op te maken bij staat;
o wettelijke rente over de gemiste uitkeringen vanaf de ingangsdatum van het recht op ZW en WW.
? Verder heeft eiseres immateriële schade geleden ten bedrage van € 1.500 wegens de psychische belasting die eiseres heeft ondervonden als gevolg van het onrechtmatig handelen door het UWV. Eiseres werd geconfronteerd met aanhoudende stress, financiële onzekerheid en emotionele belasting in de nasleep van een traumatisch verlopen zwangerschap. Vaststaat dat eiseres psychische klachten heeft waarvoor zij in behandeling is. Gezien de ernst van de medische complicaties, de duur van de procedure en het uitblijven van erkenning door het UWV, is het aannemelijk dat er een causaal verband is tussen dit handelen en de door eiseres geleden immateriële schade. Deze omstandigheden hebben geleid tot een aanzienlijke aantasting van haar levensvreugde.
12.1.
Volgens het UWV moet het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen, omdat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door het UWV.
12.2.
Zoals de rechtbank al in 7 heeft vastgesteld, kan zij in deze uitspraak niet oordelen over het verzoek van eiseres om materiële schadevergoeding voor zover dat verzoek ziet op de besluitvorming van het UWV over haar recht op ziekengeld op grond van de ZW. Die besluitvorming valt namelijk buiten de omvang van dit geding.
12.3.
In 11.5 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het UWV de WW-aanvraag van eiseres niet had mogen afwijzen, omdat zij niet aan de wekeneis zou voldoen. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat het UWV een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres moet nemen. Omdat het de rechtbank niet bekend is of dit nieuwe besluit op bezwaar ertoe leidt dat eiseres wel recht heeft op WW-uitkering, kan zij niet oordelen over de vraag of eiseres recht heeft op (im)materiële schadevergoeding en, zo ja, wat de hoogte daarvan is. De rechtbank bepaalt wel dat het UWV, indien het nieuwe besluit op bezwaar alsnog leidt tot het toekennen van een WW-uitkering aan eiseres, de wettelijke rente over de na te betalen WW-uitkering moet betalen aan eiseres. Ook zal het UWV dan een besluit moeten nemen over de andere door eiseres geclaimde (im)materiële schadeposten.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid
1. Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot:
- de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen,
- de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
- de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen, alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.
2. Het beginsel van gelijke behandeling doet geen afbreuk aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw wegens moederschap.
Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
DE RAAD EN DE COMMISSIE hebben de volgende verklaring afgelegd:
"Bij de vaststelling van de hoogte van de in artikel 11, punt 2, onder b), en punt 3, bedoelde uitkering wordt om zuiver technische redenen verwezen naar de uitkering die de betrokken werkneemster zou ontvangen in geval van een onderbreking van haar werkzaamheden om gezondheidsredenen. Met deze verwijzing wordt geenszins beoogd zwangerschap en bevalling gelijk te stellen met ziekte. In alle Lidstaten moet krachtens de nationale sociale-zekerheidswetgeving bij ziekteverzuim een uitkering worden uitbetaald. Dat in de gekozen formulering naar deze uitkering wordt verwezen, heeft slechts ten doel de Lidstaten een concreet, vast referentiebedrag te geven voor de vaststelling van het minimumbedrag van de uitkering dat tijdens het zwangerschapsverlof moet worden uitbetaald. Mochten er in bepaalde Lidstaten hogere bedragen worden uitgekeerd dan in de richtlijn is voorzien, dan blijven deze uiteraard gehandhaafd. Zulks blijkt duidelijk uit artikel 1, lid 3, van de richtlijn.".
Artikel 11, eerste lid
De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, nemen alle passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het arbeidsproces uit te bannen, ten einde vrouwen, op basis van gelijkheid van mannen en vrouwen, dezelfde rechten te verzekeren, in het bijzonder:
(…)
(d)het recht op gelijke beloning, met inbegrip van uitkeringen, en op gelijke behandeling met betrekking tot arbeid van gelijke waarde, alsmede gelijke behandeling bij de beoordeling van de kwaliteit van het werk;
(e)het recht op sociale zekerheid, in het bijzonder in geval van pensionering, werkloosheid, ziekte, invaliditeit en ouderdom, en arbeidsongeschiktheid om andere redenen, alsmede het recht op betaald verlof;
(…).
Artikel 11, tweede lid
Ten einde discriminatie van vrouwen op grond van huwelijk of moederschap te voorkomen en het daadwerkelijke recht van vrouwen op arbeid te verzekeren, nemen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag passende maatregelen om:
(…)
(b)verlof wegens bevalling in te voeren met behoud van loon of met vergelijkbare sociale voorzieningen, zonder dat dit leidt tot verlies van de vroegere werkkring, de behaalde anciënniteit of de hun toekomende sociale uitkeringen;
(…).
Artikel 17, eerste lid
Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft.
Artikel 17a, eerste lid
Voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 36 kalenderweken worden niet in aanmerking genomen kalenderweken gedurende welke de werknemer:
a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten;
b. werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 en hij op grond van dat artikel de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen;
c. wegens het genieten van onbetaald verlof geen arbeid heeft verricht, tot een maximum van 78 kalenderweken; of
d. geen arbeid heeft verricht maar wel recht op uitkering heeft op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid, of 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg.