Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - enkelvoudig omgevingsrecht

ECLI:NL:RBGEL:2026:5499

Op 10 July 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van omgevingsrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ARN 26/547 en ARN 26/548, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:5499. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
ARN 26/547 en ARN 26/548
Datum uitspraak:
10 July 2026
Datum publicatie:
10 July 2026

Indicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening tegen de aan het COA verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een opvanglocatie voor minderjarige asielzoekers aan voor een periode van 10 jaar. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het toestaan van de opvanglocatie op deze plek en in deze vorm voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de omgevingsvergunning dus mogen verlenen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 26/547 (verzoek) & 26/548 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] en [eiser 8] en [eiser 9] , allen uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. L. Kooijman-Arends),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst

(gemachtigde: mr. D. Robbertsen-Boon ),

Als derde-partijen nemen aan de zaken deel:

Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) uit Den Haag

en

de gemeenteraad van de gemeente Bronkhorst, uit Bronckhorst

(gemachtigde: mr. D. Robbertsen-Boon ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan het COA verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van een opvanglocatie voor minderjarige asielzoekers aan de [adres 1] in [plaats] (het perceel) voor een periode van 10 jaar.

1.1.

De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het toestaan van de opvanglocatie op deze plek en in deze vorm voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de omgevingsvergunning dus mogen verlenen. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst hij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Bij besluit van 16 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Dit besluit is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). (Voetnoot 1) Het ontwerpbesluit heeft van 24 oktober 2025 tot en met 4 december 2025 ter inzage gelegen. Eisers hebben zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend conform het ontwerpbesluit. De zienswijzen hebben dus niet tot aanpassingen van het plan geleid.

2.1.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening te schorsen.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 8 mei 2026 op zitting behandeld. Van eisers zijn [eiser 1] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] en [eiser 8] verschenen, met hun gemachtigde. Het college heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] , [vertegenwoordiger 2] en de gemachtigde. Namens het COA zijn [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] verschenen. De gemeenteraad heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2.3.

Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. Na de sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank nadere stukken ontvangen van eisers, die zijn ingediend in zowel de voorlopige voorzieningenprocedure (26/547) als de beroepsprocedure (26/548). Omdat alle partijen de wens hebben uitgesproken dat de voorzieningenrechter van zijn bevoegdheid om kort te sluiten gebruik maakt, en de nadere stukken sowieso bij de beoordeling van het beroep betrokken moeten worden, heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.

2.4.

De voorzieningenrechter heeft het college en het COA in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven op de nadere stukken die zijn aangeleverd door eisers. Het college heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Het COA heeft afgezien van het geven van een nadere reactie. Daarna heeft de voorzieningenrechter eisers in de gelegenheid gesteld om binnen één week op de schriftelijke reactie van het college te reageren. Eisers hebben geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.

2.5.

Partijen hebben geen bezwaren geuit tegen het achterwege laten van een nadere zitting. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek daarom op 11 juni 2026 gesloten.

2.6.

Omdat de voorzieningenrechter na sluiting van het onderzoek tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist hij ook op het beroep van eisers. (Voetnoot 2)

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat en staat vervolgens stil bij het wettelijk kader. Daarna beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

Waar gaat deze zaak over?

4. Op 8 juli 2025 heeft het COA een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit aangevraagd voor het realiseren van een opvanglocatie voor asielzoekers aan de [adres 1] (ongenummerd) in [plaats] (het perceel). Het plan is om in de opvanglocatie maximaal 80 minderjarige asielzoekers te huisvesten voor een periode van 10 jaar. Een omgevingsvergunning voor deze activiteit is vereist, omdat de opvang van asielzoekers op deze locatie niet is toegestaan op grond van (het tijdelijk deel) van het omgevingsplan. De gemeenteraad heeft op 16 oktober 2025 een positief bindend advies afgegeven voor het project. Vervolgens heeft het college van 24 oktober 2025 tot en met 4 december 2025 een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleend conform het ontwerpbesluit.

4.1.

Een aantal eisers woont in de directe nabijheid van de opvanglocatie en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning, omdat zij vrezen voor nadelige gevolgen die de opvang heeft voor de directe leefomgeving.

Wettelijk kader

5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. (Voetnoot 3) Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de opvang gerealiseerd wordt, waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen ‘ Stedelijk gebied Bronckhorst ’, ‘ Stedelijk gebied; Veegplan 2022-1B ’, ‘ Landelijk gebied; Veegplan 2020-2B ’ en ‘ Landelijk gebied; Veegplan 2025-1B ’ van kracht. Die bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Bronckhorst . Volgens de bestemmingsplannen gelden op het perceel de enkelbestemmingen ‘Groen’, ‘Water’ en ‘Agrarisch met waarden - Landschap’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 2'. De opvang van de asielzoekers is in strijd met deze bestemmingsplannen, omdat het langdurig bieden van dag- en nachtverblijf aan asielzoekers niet is toegestaan binnen de bestemmingen.

5.1.

Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. (Voetnoot 4) Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.2.

De voornaamste vraag die in het kader van deze procedure moet worden beantwoord, is dus of het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het toestaan van de opvang van de minderjarige asielzoekers op het perceel voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Een aantal procedurele aspecten vooraf

6. Omdat partijen de wens hebben uitgesproken dat de voorzieningenrechter meteen op het beroep beslist, stapt de voorzieningenrechter bij wijze van uitzondering over het spoedeisend belang heen.

6.1.

Verder is (procedureel) nog van belang dat het college bij een aantal eisers heeft aangegeven dat zij op een grote(re) afstand van de opvanglocatie wonen en geen zicht hebben op deze locatie. Volgens het college staat het relativiteitsvereiste bij deze eisers aan een inhoudelijke beoordeling van een aantal beroepsgronden in de weg. De voorzieningenrechter stelt vast, en dat is ook niet in geschil, dat een aantal eisers wel zodanig dichtbij woont en zicht heeft op de opvanglocatie dat het relativiteitsvereiste aan die eisers niet kan worden tegengeworpen. Omdat eisers gezamenlijk één beroepschrift hebben ingediend en de voorzieningenrechter gelet op het voorgaande dus alle beroepsgronden inhoudelijk moet beoordelen, zal hij vanwege proceseconomische redenen niet afzonderlijk beoordelen of bij een aantal eisers, ondanks dat het college daar wel uitdrukkelijk om heeft verzocht, relativiteit aan een inhoudelijke beoordeling in de weg staat.

6.2.

Ten slotte hebben eisers in hun aanvullend schrijven van 15 mei 2026 betwist dat mevrouw D. Robbertsen-Boon bevoegd was om namens de gemeenteraad het woord te voeren op de zitting. Dat volgt de voorzieningenrechter niet. De gemeenteraad heeft een doorlopende machtiging overgelegd, waaruit volgt dat mevrouw Robbertsen-Boon gemachtigd is om het woord te voeren namens de gemeenteraad bij de behandeling van beroepen bij de Rechtbank Gelderland.

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

7. Eisers stellen dat geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en voeren daar een aantal argumenten voor aan. Zij wijzen allereerst op een aantal aangedragen alternatieve locaties die niet inhoudelijk zijn onderzocht door het college. Ook maken eisers zich zorgen over het verdwijnen van groen en menen zij dat de bebouwing qua uiterlijke uitstraling niet passend is op deze locatie. Verder hebben eisers zorgen over eventuele calamiteiten en onenigheden, te meer omdat de wijkagent niet reageert op berichten van omwonenden. Ook voeren eisers aan dat zij licht- en geluidsoverlast zullen ervaren van de opvanglocatie. Uit het bestreden besluit volgt bijvoorbeeld niet hoe de avondstilte wordt gehandhaafd. Ook zijn de gevolgen voor flora en fauna volgens eisers niet voldoende duidelijk. Zij wijzen op mogelijke gevolgen van het plan voor aanwezige dassen en wezels. Eisers vrezen tevens voor onevenredig grote aantasting van hun privacy en hun woon- en leefklimaat. Daarnaast is de voorgenomen locatie niet geschikt voor 80 asielzoekers.

7.1.

De voorzieningenrechter bespreekt hieronder de verschillende argumenten die door eisers zijn aangevoerd afzonderlijk van elkaar. De voorzieningenrechter wil vooraf nog wel benadrukken dat hij niet gaat over de beslissing om in Bronckhorst (minderjarige) asielzoekers op te vangen; dat is namelijk eerst en vooral een politiek-bestuurlijke keuze. Waar hij als bestuursrechter wel over gaat is het besluit om juist op deze plek een opvanglocatie te vestigen. De voorzieningenrechter heeft aan de hand van de onder 6 uiteengezette argumenten te beoordelen of het college zijn besluit om een omgevingsvergunning te verlenen goed heeft voorbereid en gemotiveerd en of het in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij alle betrokken belangen goed zijn afgewogen. Met andere woorden: het gaat in deze procedure niet over de vraag of er wel of niet in Bronckhorst asielzoekers moeten worden opgevangen maar of het college alle ruimtelijke gevolgen van de beoogde opvanglocatie goed heeft onderzocht en alle belangen, waaronder de belangen van omwonenden, goed heeft afgewogen.

Alternatieve locaties

8. Eisers wijzen op verschillende alternatieve locaties, maar noemen in het beroepschrift concreet Het Wiemelink , de Almenseweg en Olde Lettink . Volgens eisers zijn deze locaties meer geschikt om asielzoekers op te vangen.

8.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van vaste rechtspraak geldt dat als een project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking dwingt, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van één of meerdere alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. (Voetnoot 5) De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekers geen gelijkwaardig alternatief hebben aangedragen waarvan op voorhand duidelijk is dat daar aanmerkelijk minder bezwaren tegen zullen bestaan. Voor wat de Almenseweg heeft het college toegelicht dat er in die straat geen panden in eigendom zijn van de gemeente en dat er op de locatie waar eisers op doelen reeds een school is gesitueerd. Ook de locatie Olde Lettink is niet in eigendom van de gemeente. Het college heeft toegelicht dat hij waarde hecht aan een locatie die in eigendom is van de gemeente, waardoor een snellere realisatie van de opvanglocatie mogelijk is. Het Wiemelink heeft het college concreet overwogen als alternatieve locatie. Zoals uit de stukken blijkt en op de zitting is toegelicht heeft een aantal medewerkers van de gemeente in dat kader ‘scoreformulieren’ ingevuld, waarbij aan verschillende locaties in de gemeente punten zijn toegekend voor een aantal aspecten die van belang zijn om een locatie als geschikt aan te merken. De locatie aan de [adres 1] is daarbij het meest geschikt geacht. Het is de voorzieningenrechter ook niet gebleken dat de mensen die bij het Wiemelink wonen aanmerkelijk minder bezwaren zullen hebben tegen een asielzoekerscentrum op die plek. Voor alle locaties is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dus voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van gelijkwaardige alternatieven waar aanmerkelijk minder bezwaren tegen zullen bestaan.

Sociale veiligheid en overlast

9. Eisers hebben zorgen over eventuele calamiteiten en vrezen voor overlast, te meer omdat de wijkagent niet reageert op hun berichten. Op zitting is ook toegelicht door eisers dat het opgestelde beheerplan onvoldoende waarborgen biedt. In een aanvullend schrijven van 15 mei 2026 hebben eisers nog gesteld dat de gemeenteraad niet volledig betrokken was bij het opstellen van het beheerplan. De gemeenteraad heeft een motie ingediend bij het college, maar deze punten zijn niet volledig meegenomen in het beheerplan. Ook voeren zij aan dat er niet voldoende tijd was om input voor het beheerplan te kunnen geven.

9.1.

De sociale veiligheid en de te verwachten overlast zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter aspecten die het college moet betrekken bij de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter stelt vast dat er een beheerplan is opgesteld. Dat beheerplan bevat een heel aantal voorwaarden die dienen ter bescherming van de op te vangen asielzoekers, maar ook ter bescherming van de omwonenden. In het beheerplan is expliciet aandacht besteed aan het sociale veiligheidsaspect en ook aan wie te benaderen wanneer er (onverhoopt) wel iets gebeurt. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beheerplan en de daarin opgenomen voorwaarden expliciet onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning. In de omgevingsvergunning is namelijk het volgende voorschrift opgenomen: ‘Het COA voert het beheer uit conform het vastgesteld beheerplan.’ De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het beheerplan voldoende randvoorwaarden heeft gesteld om de veiligheid in de buurt te waarborgen en overlast zoveel mogelijk te voorkomen. Omdat de naleving van de in het beheerplan gestelde randvoorwaarden is geborgd in de omgevingsvergunning, is er geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor het effect van de huisvesting van de asielzoekers op de (sociale) veiligheid.

9.2.

Ten aanzien van de stelling van eisers dat de gemeenteraad onvoldoende betrokken is geweest bij het opstellen van het beheerplan, overweegt de voorzieningenrechter nog dat het beheerplan aan de gemeenteraad is voorgelegd en dat er daarop opmerkingen zijn gemaakt door de gemeenteraad. Ook heeft het college een reactie gegeven op hoe het met deze suggesties om is gegaan. Daarnaast is de gemeenteraad op een aparte avond uitgenodigd om te reageren op het toen voorliggende concept van het beheerplan. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat, zoals het college terecht stelt, een motie niet bindend is. Het college mag hiervan afwijken en hoeft hieraan geen gehoor te geven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de gemeenteraad voldoende betrokken is bij de totstandkoming van het beheerplan.

9.3.

Anders dan eisers betogen, is de voorzieningenrechter daarnaast van oordeel dat er wel voldoende tijd was om opmerkingen te geven op het beheerplan. Op het beheerplan zijn 124 op- en aanmerkingen gekomen, ook van omwonenden. Daar komt bij dat het college heeft toegelicht dat sprake is van een dynamisch document, zodat het beheerplan ook op latere momenten nog aangepast zou kunnen worden. Eisers kunnen dus eventueel ook nu nog op- en aanmerkingen aanleveren op het beheerplan. Het is vervolgens aan het college om af te wegen of het beheerplan nog aanpassing behoeft.

Verdwijnen van groen en uiterlijk van de bebouwing

10. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het logisch is dat er als gevolg van het plaatsen van tijdelijke bebouwing groen verdwijnt. Dat betekent echter niet dat daarom geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij een plan als dit is het dan wel belangrijk dat het college motiveert hoe de bebouwing op een goede manier landschappelijk wordt ingepast. In de ruimtelijke onderbouwing is toegelicht hoe er landschappelijk wordt ingepast, waarbij ook aandacht is besteed aan het behoud van groen. Zo wordt er extra groen aangeplant en wordt in het ontwerp aangesloten bij het kenmerkende coulisselandschap. Ook is in de ruimtelijke onderbouwing het volgende beschreven:

‘ Het uitgangspunt is om het aan te planten groen binnen het besluitgebied na beëindiging van de tijdelijke opvang in stand te houden. Daartoe is in het groenontwerp rekening gehouden met kenmerkende groenstructuren in de omgeving (rechte lijnen/houtsingels, die het coulisselandschap benadrukken).’

10.1.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd hoe het asielzoekerscentrum zo goed mogelijk landschappelijk ingepast kan worden, waarbij ook aandacht is voor het behoud van groen. Daar merkt de voorzieningenrechter nog bij op dat in het bestreden besluit ook concreet geborgd is met een vergunningvoorschrift dat er landschappelijk wordt ingepast. Daarover is het volgende opgenomen:

‘Artikel 2. Landschappelijke inpassing
1. Initiatiefnemer verplicht zich jegens de gemeente, zonder enig voorbehoud, onvoorwaardelijk en onherroepelijk tot het uitvoeren van de landschappelijke inpassing;

2. de uitvoering van de landschappelijke inpassing wordt gelijktijdig, danwel binnen een termijn van 1 maand na realisatie van de bouw van de tijdelijke voorziening aangelegd en in stand gehouden tijdens de periode, waarin de voorziening aanwezig is.

10.2.

Ten aanzien van de bebouwing en het uiterlijk daarvan merkt de voorzieningenrechter nog op dat het een tijdelijk bouwplan betreft en dat het uiterlijk van het bouwwerk daarom niet hoeft te worden getoetst aan de welstandsnota of het beeldkwaliteitsplan. Dat volgt uit artikel 22.29, eerste lid, onder b van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (de bruidsschat). Het college heeft daarin dus in redelijkheid geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning te weigeren.

Licht- en geluidsoverlast

11. Ten aanzien van de gestelde licht- en geluidoverlast overweegt de voorzieningenrechter dat aan deze aspecten, zoals het college ook terecht opmerkt, in de ruimtelijke onderbouwing aandacht is besteed. Voor wat betreft lichthinder is in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen dat dit wordt tegengaan voor de omgeving door gebruik te maken van naar beneden gerichte verlichting. Voor wat betreft geluid is er een akoestisch onderzoek verricht door Aveco de Bondt en de resultaten daarvan worden door eisers niet ter discussie gesteld. De uitkomst van het onderzoek is dat het in gebruik zijn van de nieuwe opvanglocatie vanuit het oogpunt van geluid inpasbaar is. De voorzieningenrechter heeft geen aanknopingspunten om aan die conclusie te twijfelen.

Flora en fauna

12. Sommige eisers wonen zodanig dicht bij de opvanglocatie dat het belang bij behoud van een goede kwaliteit van zijn directe woon- en leefomgeving verweven is met algemeen belang dat de Omgevingswet beoogt te beschermen ten aanzien van beschermde soorten. De voorzieningenrechter bespreekt deze beroepsgrond daarom inhoudelijk.

12.1.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat het aan de aanvrager is om te bepalen wat wel en niet gelijktijdig met de buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt aangevraagd. De onlosmakelijkheid zoals die voorheen gold onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), is onder de Omgevingswet komen te vervallen. In principe valt de flora- en fauna-activiteit buiten de reikwijdte van deze omgevingsvergunning. Voor dit project is reeds een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verleend. Het college heeft daarom terecht geoordeeld dat dit aspect niet aan de uitvoerbaarheid van de deze omgevingsvergunning in de weg staat.

Privacy

13. Het college heeft het aspect privacy bij zijn besluitvorming betrokken, bijvoorbeeld in de zienswijzenota. Het college heeft daarin overwogen dat privacy niet een eeuwigdurend aspect is en dat er altijd een mogelijkheid is dat er een ontwikkeling plaatsvindt op een naastgelegen perceel. In de ruimtelijke onderbouwing is daarnaast opgenomen dat met het oog op privacy voor de sport- en spelvoorzieningen de nodige afstand is gehouden van de omliggende wegen en liggen de speel- en recreatievoorzieningen aan de achterzijde en in de oksel van het gebouw. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college voldoende kenbaar en begrijpelijk heeft gemotiveerd dat de vermindering van privacy niet onevenredig is en dat een eventuele vermindering van het recht op privacy niet maakt dat de omgevingsvergunning niet verleend had kunnen worden.

Doelgroep

14. Eisers stellen dat de locatie niet geschikt is voor zo’n grote groep en ze vinden de locatie niet kleinschalig. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat hij de omgevingsvergunning heeft te beoordelen waarin 80 asielzoekers zijn toegestaan. De voorzieningenrechter kan alleen een oordeel geven of de komst van 80 asielzoekers op deze locatie ruimtelijk aanvaardbaar is. Als dat zo is, dan kan de voorzieningenrechter niet zelf een andere keuze maken om minder asielzoekers op te vangen op deze locatie. De voorzieningenrechter is, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het college een asielzoekerscentrum voor 80 minderjarige asielzoekers op deze locatie in redelijkheid ruimtelijk aanvaardbaar heeft kunnen achten. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de belangen van omwonenden onevenredig worden geschaad.

Tussenconclusie

15. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft er voldoende participatie plaatsgevonden?

16. Eisers zijn van mening dat er onvoldoende participatie heeft plaatsgevonden, dan wel dat de gesprekken die wel hebben plaatsgevonden, niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Op zitting hebben eisers toegelicht dat zij vinden dat onvoldoende rekening is gehouden met de inbreng en wensen van de omgeving. Zo hebben zij als voorbeeld aangedragen dat in het omwonendenoverleg uitgebreid is gesproken over de ontsluiting. Op verzoek van een meerderheid van de omwonenden is besloten de ontsluiting te plaatsen op een hoek van de [adres 1] . Uiteindelijk heeft de gemeenteraad, op verzoek van één bedrijf, besloten om de ontsluiting toch weer een aantal meters te verplaatsen naar het midden van de [adres 1] .

16.1.

Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat participatie door de initiatiefnemer bij omgevingsvergunningen vrijwillig is, maar de gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin verplicht aan participatie moet worden gedaan. (Voetnoot 6) Participatie is in dit geval niet verplicht gesteld door de gemeenteraad. Ook bevat de Omgevingswet geen verplichting voor het college om aan participatie te doen. Kortom; de wet bevat geen verplichting om omwonenden vooraf te betrekken bij dit project. Nu participatie voor dit project niet verplicht is, kan de gestelde omstandigheid dat de participatie gebrekkig was, ook als dat inderdaad zo is, dus niet tot het oordeel leiden dat de omgevingsvergunning om die reden niet verleend had mogen worden.

16.2.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Met participatie wordt niet wordt beoogd om unanieme steun of draagvlak onder alle omwonenden te verkrijgen. Dat kan ook niet. Het doel van participatie is wel om burgers in een vroegtijdig stadium te betrekken bij de besluitvorming, maar participatie gaat dus niet zó ver dat de inbreng van omwonenden vervolgens ook van beslissende betekenis is en dat plannen per definitie aangepast moeten worden aan alle wensen van omwonenden. Participatie kan het draagvlak bij de burger zeker vergroten, maar heeft dus niet automatisch tot gevolg dat dit ook leidt tot een voor alle omwonenden wenselijke beslissing. Zoals ook op de zitting besproken heeft de participatie in dit geval wel geleid tot onder meer een andere oriëntering van de gebouwen, waardoor het geluid wordt verminderd, en tot verplaatsing van de ontsluiting van [adres 2] naar de [adres 1] . Uiteindelijk heeft de gemeenteraad, in een laat stadium, op verzoek van een van de eisers besloten om de ontsluiting nog weer een aantal meter te verplaatsen, tegen de wil van andere eisers. Dit is buiten het COA omgegaan en illustreert dat participatie vaak niet tot een voor alle omwonenden wenselijke beslissing kan leiden. Dit kan dus ook niet worden verlangd. Dat het college naar aanleiding van de door omwonenden naar voren gebrachte bezwaren op andere punten geen aanleiding heeft gezien het plan te wijzigen, maakt ook niet dat gezegd kan worden dat het college daarom niet rechtmatig heeft gehandeld of dat de participatie onvoldoende was.

De beroepsgrond slaagt niet.

Is voldoende geborgd dat de opvanglocatie tijdelijk is?

17. Eisers stellen dat de tijdelijkheid eigenlijk geen tijdelijkheid is. Het COA kan namelijk in overleg met de gemeente een verlenging van de vergunning aanvragen.

17.1.

Wat er ook van zij van de mogelijkheid dat in de toekomst een nieuwe vergunning wordt aangevraagd, dat maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat deze vergunning niet tijdelijk is. De vergunning is expliciet verleend voor de duur van 10 jaar. De voorzieningenrechter kan alleen de rechtmatigheid van deze vergunning beoordelen en kan niet vooruit lopen op eventuele nieuwe aanvragen in de toekomst.

De beroepsgrond slaagt niet.

Energiebehoefte

18. Eisers hebben er nog op gewezen dat enkele omwonenden met een bedrijf op het direct naastliggende industriegebied [industriegebied] al een tijd in de wachtrij staan voor extra stroombehoefte en daar waarschijnlijk tot 2030 geen verandering in komt. Uit de aanvraag die is gedaan bij de netbeheerder blijkt de energiebehoefte voor de opvanglocatie veel hoger te zijn dan eerder gecommuniceerd.

18.1.

Zoals het college op zitting heeft toegelicht, is het de netbeheerder die bepaalt hoe stroom verdeeld wordt over bedrijven en woningen. De netbeheerder geeft voorrang aan woondoeleinden, waaronder ook huisvesting van asielzoekers, boven bedrijfsdoeleinden. Hoe stroom verdeeld wordt is aan de netbeheerder en eisers hebben niet onderbouwd dat het al dan niet doorgaan van deze opvang consequenties heeft voor het kunnen krijgen van een aansluiting voor hun bedrijven. Dit betekent dat in zoverre geen sprake is van een (direct) gevolg van deze omgevingsvergunning, zodat dit betoog niet tot vernietiging van de omgevingsvergunning kan leiden.

Conclusie en gevolgen

19. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijs hij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

19.1.

Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het college heeft hiertoe de mogelijkheid op grond van artikel 16.65, vierde lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet.

Voetnoot 2

Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Voetnoot 3

Zie artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Voetnoot 4

Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd.

Voetnoot 5

ABRvS 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2058. Deze uitspraak is weliswaar gebaseerd op de Wabo (en dus op het oude recht), maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat deze rechtspraak ook onverkort toegepast kan worden onder de Omgevingswet.

Voetnoot 6

De gemeenteraad heeft deze bevoegdheid op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet.