Rechtbank Gelderland, wraking civiel recht overig
ECLI:NL:RBGEL:2026:7221
Op 19 August 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een wraking procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/05/471046 / KG RK 26-670, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:7221. De plaats van zitting was Zutphen.
Indicatie
Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk nu verzoeker de hele rechtbank wil wraken. Dit is niet mogelijk. Daarnaast heeft verzoeker geen belang bij zijn verzoek.
Uitspraak
beslissing
zaaknummer: C/05/471046 / KG RK 26-670
Beslissing van 19 augustus 2026
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
,
wonende in Dieren,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
rechtbank Gelderland,
hierna te noemen: de rechtbank.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 7 augustus 2026.
1.2.
Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.
2.1
Het verzoek strekt tot wraking van de rechtbank inzake de rekening en verantwoording (van de bewindvoerder van verzoeker) over de periode 16 december 2024 tot en met 31 december 2025.
2.2
Verzoeker heeft per e-mailbericht van 7 augustus 2026 het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Hij heeft de rechtbank meerdere keren verzocht om inzage in de hiervoor genoemde rekening en verantwoording. Ondanks dat hij recht heeft op inzage hierin, krijgt hij dit niet. Dit vindt verzoeker onrechtmatig.
Overwegingen
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Uit het verzoek blijkt niet dat dit betrekking heeft op een specifieke rechter die met de behandeling van een zaak belast is. Alleen al om die reden kan verzoeker niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Bovendien heeft de wrakingskamer begrepen dat de door verzoeker genoemde rekening en verantwoording (nog) niet in behandeling is genomen. Ook heeft verzoeker toegang tot het zogenoemde CBM-portaal, waardoor hij de rekening en verantwoording in kan zien nadat de rechtbank de rekening en verantwoording heeft behandeld. Verzoeker heeft dus ook geen belang bij zijn wrakingsverzoek.
3.3.
Gelet op het voorgaande bestaat voor een mondelinge behandeling van het verzoek geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het voorgaande niet toegekomen.
Beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.F.A. Bierbooms, voorzitter, mr. B. Krijnen en mr. C.H. Breevoort-de Bruin, leden in tegenwoordigheid van de griffier [griffier] en in openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.