Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2025:11780

Op 5 December 2025 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 05/136234-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2025:11780.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
05/136234-25
Datum uitspraak:
5 December 2025
Datum publicatie:
11 February 2026

Indicatie

De rechtbank veroordeelt een 60-jarige man uit Arnhem voor drugshandel. In deze zaak maakten het Openbaar Ministerie en de verdediging procesafspraken. De 48 maanden cel uit het voorstel staat volgens de rechtbank in verhouding met de ernst van de zaak. De rechtbank legt deze gevangenisstraf daarom ook op.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Tegenspraak

Parketnummer : 05/136234-22

Datum uitspraak : 5 december 2025

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 in [geboorteplaats] (Suriname),

wonende aan [adres] .

Raadsman: mr. B. Korver, advocaat in Amsterdam.

1
De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 9.158,-.

2
De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 21 november 2025. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman, is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat, overeenkomstig de gemaakte procesafspraken, het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 9.158,-.

De verdediging heeft verzocht de ontnemingsvordering af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.

3
Procesafspraken

De procedure

Het Openbaar Ministerie (OM) en de raadsman van veroordeelde hebben de mogelijkheid onderzocht van het maken van procesafspraken over de afdoening van de inhoudelijke strafzaak en van de ontnemingsvordering van veroordeelde. Naar aanleiding hiervan heeft de officier van justitie de rechtbank op 29 oktober 2025 een zowel door de officier van justitie, als door veroordeelde en zijn raadsman ondertekende overeenkomst procesafspraken toegezonden. In deze overeenkomst zijn de door het OM, veroordeelde en zijn raadsman gemaakte procesafspraken, waaronder een gemeenschappelijk afdoeningsvoorstel ten aanzien van de ontnemingsvordering, opgenomen. Veroordeelde is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken.

De inhoud van de procesafspraken

Zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang is in de overeenkomst onder meer het volgende opgenomen:

- het OM zal ter terechtzitting rekwireren tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 9.158,--, en tot oplegging van een betalingsverplichting van datzelfde bedrag;

- veroordeelde betwist het totaal aan genoten voordeel niet en zal ter zitting herhalen het standpunt dat hij in staat is dit bedrag te voldoen indien er een betalingsverplichting ter hoogte van dit bedrag wordt opgelegd.

De beoordeling van de procesafspraken

Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad geschetste kader als uitgangspunt genomen (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).

De rechtbank overweegt dat de rechter alleen acht kan slaan op door het OM en de verdediging gemaakte procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt. Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat in de regel mede van een dergelijke overeenkomst deel uitmaakt dat veroordeelde afziet van de uitoefening van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten.

De rechtbank heeft de hiervoor weergegeven inhoud en strekking van de procesafspraken tijdens de terechtzitting van 21 november 2025 aan veroordeelde voorgehouden en met hem besproken. Veroordeelde heeft toen onder meer het volgende verklaard. Veroordeelde is bekend met de inhoud van de procesafspraken. Hij heeft begrepen wat de afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn ontnemingszaak hebben. De afspraken zijn op basis van voldoende en duidelijke informatie tot stand gekomen. Hij heeft vrijwillig aan de gemaakte procesafspraken meegewerkt en is bij het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde, die gedurende het proces van het maken van procesafspraken en tijdens de terechtzitting is bijgestaan door zijn raadsman, vrijwillig, op basis van voldoende duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van zijn verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling op 21 november 2025 van vergewist dat veroordeelde nog steeds achter de gemaakte afspraken staat.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op het voornoemde afdoeningsvoorstel. De rechtbank zal daarom beslissen zoals hieronder weergegeven.

Overwegingen

4
De beoordeling van de vordering

Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 5 december 2025, waarbij rekening is gehouden met procesafspraken, veroordeeld ter zake van - kort gezegd – voorbereidingshandelingen voor de handel in drugs en ketamine, het voorhanden hebben van drugs en witwassen tot een gevangenisstraf van 48 maanden.

De rechtbank heeft kennis genomen van het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie Oost-Nederland, Onderzoek Zeppelin / ON4R021127 met proces-verbaalnummer 230511.1441 en gesloten op 29 januari 2024, met bijlagen en de overeenkomst procesafspraken.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het hiervoor genoemde proces-verbaal, de overeenkomst procesafspraken en het verhandelde ter terechtzitting van 21 november 2025 aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op€ 9.158,-.

De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van de beslissing vereist en zullen dan in een aan deze beslissing te hechten bijlage worden opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde - conform de procesafspraken - de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 9.158,-.

5
De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

6
De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 9.158,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 183 dagen.

Aldus gegeven door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. A. Bril en mr. I.S. Termaat, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.H. Boshuizen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2025.