Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2025:11851

Op 1 December 2025 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 05/006656-24 ont., bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2025:11851. De plaats van zitting was Zutphen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
05/006656-24 ont.
Datum uitspraak:
1 December 2025
Datum publicatie:
23 February 2026

Indicatie

Veroordeling voor ruim 2 jaar handelen in harddrugs tot een gevangenisstraf van 18 maanden met een ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €10.713,34.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Tegenspraak

Parketnummer: 05.006656.24

Datum uitspraak : 1 december 2025

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen aan [adres]

Raadsman: mr. R. van der Graaf, advocaat in Utrecht.

1
De inhoud van de vordering
1.1

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 12.342,-.

2
De procedure
2.1.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.

2.2.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden verlaagd vanwege de bepleite kortere tenlastegelegde periode onder feit 1 en feit 2. Daarnaast is de verdediging van mening dat de inkoopprijzen te laag zijn ingeschat, omdat veroordeelde geen grote hoeveelheden drugs inkocht. De verdediging heeft gevraagd de vordering te schatten op € 5.000,-.

Overwegingen

3
De beoordeling van de vordering
3.1.

De verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit en die voordeel door dat feit of uit de baten daarvan heeft verkregen. Ook kan wederrechtelijk verkregen voordeel uit andere strafbare feiten worden ontnomen indien daarvoor voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door een veroordeelde zijn begaan.

3.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 1 december 2025 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij hij voor de volgende feiten is veroordeeld:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Aan de veroordeelde is een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten, onder meer gelet op het strafvonnis. (Voetnoot 1)

3.4.

Bij de beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel neemt de rechtbank als uitgangspunt de door de politie Oost-Nederland opgemaakte berekening (hierna: het rapport). (Voetnoot 2)

De in de – inzichtelijke en duidelijke – berekening gerelateerde feiten zijn door de rechtbank gecontroleerd aan de hand van de onderliggende stukken. De in het proces-verbaal getrokken conclusies zijn getoetst aan datzelfde materiaal.

3.5.

De uitgangspunten van de geschatte opbrengst van de verkoop van MDMA, cocaïne en 3-MMC en de inkoopkosten van deze drugs zijn in het rapport onderbouwd door te verwijzen naar het “Drugsprijzenoverzicht van het Cluster Synthetische Drugs van de Dienst Landelijke Recherche”. Die onderbouwing is naar het oordeel van de rechtbank voldoende. Er is geen reden om de inkoopkosten van de drugs naar boven bij te stellen, te meer nu is vast komen te staan dat veroordeelde in een periode van ruim 2 jaar stevig heeft gedeald in harddrugs.

Als geschatte inkoopprijs van 1 gram cocaïne zal €28,85,- worden gehanteerd.

Als geschatte inkoopprijs van 1 MDMA (XTC) pil zal €0,40,- worden gehanteerd.

Als geschatte inkoopprijs van 1 gram 3-MMC zal €1,85,- worden gehanteerd.

Geschat genoten wederrechtelijk voordeel

3.6.

De rechtbank heeft per getuige opgenomen hoeveel gram drugs er is ingekocht en welke opbrengst de veroordeelde daaruit heeft gegenereerd.

Getuige [getuige 1]

Uit de verklaring van getuige [getuige 1] blijkt dat hij vanaf begin 2022 tot november 2022 in totaal 12 gram 3-MMC, 60 XTC-pillen en 6 gram cocaïne heeft gekocht van de veroordeelde. De totale inkoopkosten bedragen €220,20,-. [getuige 1] verklaarde dat hij 6 maanden lang voor €40,- aan 3-MMC, €40,- aan XTC pillen en €50,- aan cocaïne kocht bij de veroordeelde per maand. Dit betreft een opbrengst van €780,-.

Getuige [getuige 2]

Uit de verklaring van getuige [getuige 2] blijkt dat zij vanaf maart 2022 tot maart 2023 in totaal 52 gram cocaïne en 52 gram 3-MMC heeft gekocht van de veroordeelde. De totale inkoopkosten bedragen €1604,20,- euro. [getuige 2] verklaarde dat zij 12 maanden lang voor €200,- aan cocaïne kocht per maand en €80,- per maand aan 3-MMC. Dit betreft een opbrengst van €3.640,-.

Getuige [getuige 3]

Uit de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt dat hij van juli 2022 tot en met november 2022 in totaal 50 XTC pillen en 5 gram cocaïne heeft gekocht van de veroordeelde. De totale inkoopkosten bedragen €165,- euro. [getuige 3] verklaarde dat hij 5 maanden lang voor €40,- aan XTC pillen kocht per maand en voor €50,- per maand aan cocaïne. Dit betreft een opbrengst van €450,-.

Getuige [getuige 4]

Uit de verklaring van getuige [getuige 4] blijkt dat hij vanaf juli 2021 tot en met december 2022 in totaal 1140 gram 3-MMC en 510 XTC pillen heeft gekocht van de veroordeelde. De totale inkoopkosten bedragen €2313,-. [getuige 4] verklaarde dat hij 18 maanden lang voor €300,- aan 3-MMC kocht per maand en voor €100,- per maand aan XTC pillen. Daarnaast kocht hij ook 3 keer voor €125,- aan XTC pillen en 3 keer €800,- 3-MMC extra. Dit betreft een totale opbrengst van €9.975,-.

Getuige [getuige 5]

Uit de verklaring van getuige [getuige 5] blijkt dat hij vanaf december 2021 tot november 2022 in totaal 88 gram 3-MMC en 44 XTC-pillen heeft gekocht van de veroordeelde. De totale inkoopkosten bedragen €180,40,- euro. [getuige 5] verklaarde dat hij 11 maanden lang voor €160,- aan 3-MMC kocht en €20,- voor XTC. Dit betreft een totale opbrengst van €1.980,-.

De totale inkoopkosten bedragen volgens dit overzicht €4.483,-.

De totale opbrengsten bedragen volgens dit overzicht €16.825,-.

3.7

De rechtbank heeft verdachte onder feit 2 vrijgesproken van een deel van de ten laste gelegde periode, te weten van 1 juli 2021 tot 28 oktober 2021. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat alleen getuige [getuige 4] vanaf juli 2021 3-MMC heeft gekocht bij de veroordeelde. De rechtbank zal daarom het aantal gekochte grammen en de opbrengst van 3-MMC naar rato aanpassen.

De periode van november 2021 tot en met december 2022 betreft 14 maanden. Het nieuwe ingekochte aantal grammen voor 3-MMC is met 14 maanden: 1140 : 18 x 14 = 886,66. De nieuwe inkoopkosten bedragen daarom: 886,66 gram x 1.85 per gram = €1.640,33,- voor 3-MMC. De totale inkoopkosten inclusief de XTC pillen bedragen €1.808,33-.

Voor de nieuwe opbrengst van 3-MMC geldt 14 maanden x 300 = €4.200,-. Daar bovenop kocht [getuige 4] 3 keer voor €800,- aan 3-MMC. Naar rato van 14 maanden berekend is dit €1.866,67,-. De totale opbrengst van de veroordeelde met de aangepaste periode betreft €6.066,67 + €1.775,- voor XTC pillen = €7.841,67,-.

De nieuwe totale inkoopkosten voor alle afnemers bedragen nu €3.978,33,-.

De nieuwe totale opbrengsten voor alle afnemers bedragen nu €14.691,67,-.

Op grond van de aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen tot een bedrag van €10.713,34,- en zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat.

4
De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €10.713,34,-;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 214 dagen.

Aldus gegeven door mr. M.G.E. ter Hart (voorzitter), mr. Y.M.J.I. Baauw en mr. P.M. Lindeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.D. van Egdom, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2025.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2023573312, gesloten op 21 december 2023 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Voetnoot 2

Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e 2e lid Sr, rapportnummer PL0600-2023213809-30.