Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2025:7270

Op 28 August 2025 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 350722, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2025:7270. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
350722
Datum uitspraak:
28 August 2025
Datum publicatie:
28 August 2025

Indicatie

Vrouw veroordeeld tot poging doodslag op haar 5-jarige zoontje door hem in psychotische toestand van balkon te gooien. Volledig ontoerekeningsvatbaar. OVAR. Oplegging tbs met voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/350722-24

Datum uitspraak : 28 augustus 2025

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

wonende aan [adres] , [postcode] in [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de [verblijfplaats] .

Raadsman: mr. M.J. van den Hoonaard, advocaat in Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1
De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 3 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar kind, [slachtoffer] opzettelijk

van het leven te beroven,

- die voornoemde [slachtoffer] bij het lichaam heeft vast gepakt en/of opgetild en/of

- die voornoemde [slachtoffer] naar het balkon heeft getild en/of gebracht en/of meegenomen en/of

- die voornoemde [slachtoffer] over de reling van het balkon (van een flat gelegen op de vijfde verdieping) naar beneden heeft gegooid en/of geduwd en/of laten vallen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond (in het gras) terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 3 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland, aan haar kind, [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een klaplong en/of een of meerdere

bloeduitstortingen op zijn rug, althans op zijn lichaam, en/of schaafletsel op de voet(en), heeft toegebracht door:

- die voornoemde [slachtoffer] bij het lichaam vast te pakken en/of op te tillen

en/of

- die voornoemde [slachtoffer] naar het balkon te tillen en/of brengen en/of mee te nemen en/of

- die voornoemde [slachtoffer] over de reling van het balkon (van een flat gelegen op de vijfde verdieping) naar beneden te gooien en/of te duwen en/of te laten vallen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond (in het gras) terecht is gekomen;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

zij op of omstreeks 3 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar kind, [slachtoffer] , opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die voornoemde [slachtoffer] bij het lichaam heeft vast gepakt en/of opgetild en/of

- die voornoemde [slachtoffer] naar het balkon heeft getild en/of gebracht en/of meegenomen en/of

- die voornoemde [slachtoffer] over de reling van het balkon (van een flat gelegen op de vijfde verdieping) naar beneden heeft gegooid en/of geduwd en/of laten vallen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond (in het gras) terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs  (Voetnoot 1)

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 november 2024 heeft verdachte haar zoon, [slachtoffer] , opgetild en hangend over de reling van het balkon op de vijfde verdieping van een flat in Zutphen losgelaten. [slachtoffer] is op de grond (in het gras) terechtgekomen. (Voetnoot 2) De hoogte van de onderzijde van het betreffende balkon is circa 14 meter en de balustrade van het balkon is 1,17 meter hoog. (Voetnoot 3)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte vol opzet had op het doden van [slachtoffer] . Er kan dus wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Verdachte wilde niet dat haar zoontje zou sterven, maar dat hij zou vliegen. Van voorwaardelijk opzet is evenmin sprake. Door het psychotische toestandsbeeld van verdachte heeft zij niet bewust de aanmerkelijke kans op ernstige gevolgen aanvaard.

Beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] is medisch onderzocht en het volgende letsel werd bij hem geconstateerd: een pneumothorax (samengevallen long, ‘klaplong’) zonder aanwijzingen voor een ‘spanningscomponent’ (ophoping van lucht in de borstholte), bloed of vocht bij de long(vliez)en en wat vocht bij de lever, mogelijk passend bij een kleine leverscheur en/of bloeduitstorting(en) in de lever. Bij het bloedonderzoek werden sterk verhoogde enzymwaardes gevonden, geduid als passend bij diverse vormen van traumatische (door krachtsinwerking(en) veroorzaakte) weefselschade. (Voetnoot 4) [slachtoffer] verkeerde door de val in een levensbedreigende situatie met een algeheel zuurstoftekort als gevolg van de klaplong rechts waarvoor hij werd geïntubeerd en beademd. (Voetnoot 5)

De forensisch arts heeft over de gevaarzetting van de val opgemerkt dat bij een val van vijftien meter of meer de kans op overlijden aanzienlijk is. Als ordegrootte is in de literatuur tot circa 50% beschreven. (Voetnoot 6)

Verdachte heeft in haar verhoor bij de politie onder meer het volgende verklaard (waarbij ‘F’ staat voor de verhoorder en ‘P’ voor verdachte):

“P: En ik was als een hypnose..., weetje, hypnose. (…) Te luisteren naar die stem (…) (Voetnoot 7)

P: En....ja, en ze zeggen dat, ik moet, ik moet mijn zoon sacrificen (fon). (…)

F. Ja? En wie zegt dat?

P. De stem (…) ja ik moet dat doen omdat ik drie keer gekeken naar boven. (…) en dan hun zeggen: jij moet binnen (ntv) binnen een tijdje (ntv) mijn zoon vermoorden (…)

F: Die signs.

P: Ja.

F: Die zeiden: je moet je zoon vermoorden.

P: Klopt.

(…)

P: ... ik begrijp niet, ik wil niet iets dat, nee, niks, ik wil niemand dood maken. En die stem die zei. Als je dat nu doen niet, moet je springen. ( [verdachte] wijst met haar linkerhand en maakt een

boogbeweging vooruit) (…) (Voetnoot 8)

P: Oke, ik was in een hypnose. En ik ben gehoor stemmen. En die stemmen zeggen: je moet sacrifice (…) Wat heb ik nu zegde, “het is tijd om te doen”. (…)

P: En ik was (,,,) ik was rennen. ((…) En dan komt politie naar boven...(…) Dus ze proberen mij uit te rusten ....en: 'alsjeblieft doe maar niet meer’ en ik ben gezegd: “nee, dat ga ik niet doen". (…) En toen hun zijn weggegaan. (…)

P: Maar daarna, over al....over paar...paar minuutjes ofzo ....overeen halfuurtje ofzo...heb ik eh...hoor die stem...'het is tijd, ik ben klaar zijn" (…) Ik proberen nog steeds in mijn eigen zelf maar daarna tjuuk, ik hoor iets in mijn oor ( [verdachte] houdt haar rechterwijsvinger in/ bij de ingang van haar rechteroor) tjuuk. Alsof iemand mij locked ( [verdachte] maakt met de vingers van haar rechterhand een “op slot beweging" bij de ingang van haar rechteroor) Mijn, mijn mind. ( [verdachte] wijst met haar wijsvinger haar haar hoofd) Mijn verstand. En toen, wat ik herinner, ik heb gepakt [slachtoffer] ( [verdachte] doet haar beide handen voor mond) “kom schatje” ( [verdachte] houdt beide handen voor haar mond en maakt een kusbeweging), jij gaat vliegen". " En eh.ik heb meenemen mijn zoon ( [verdachte] legt haar handen gekruist aan haar ellebogen (…) [verdachte] wrijft met beide handen gekruist over haar onderarmen) En toen heb ik gezegd: “jij moet gaan, jij moet vliegen” (emotioneel) En toen heb ik gegooid van de vijfde etage. (…) Ik heb gegooid mijn zoon” (Voetnoot 9).

Voor bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde, de poging tot doodslag op [slachtoffer] , is vereist dat verdachte het opzet had om hem van het leven te beroven en dat dit opzet zich heeft geopenbaard in een begin van uitvoering. Van een begin van uitvoering is sprake indien de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf, te weten het doden van een ander.

De rechtbank stelt op grond van de bovengenoemde feiten en omstandigheden vast dat verdachte haar zoon over de reling van het balkon op de vijfde verdieping naar beneden heeft gegooid. Uit de verklaring van verdachte bij de politie volgt dat zij haar zoon van ‘stemmen’ moest ‘sacrificen’ (opofferen) en vermoorden en dat zij de opdracht van die stemmen heeft gevolgd door hem van het balkon te gooien. Dat duidt naar het oordeel van de rechtbank op opzet op de dood van [slachtoffer] . Bovendien is naar het oordeel van de rechtbank deze handeling (iemand van een balkon gooien van deze hoogte) zodanig gericht op het doden van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dat verdachtes opzet zag op het doden van [slachtoffer] . Dat zij dit deed in opdracht van ‘stemmen’ (onder invloed van hypnose – zoals zijzelf verklaart – dan wel van een psychose) doet aan dat opzet niets af.

Uit het rapport van de forensisch arts volgt dat bij een val van een hoogte van vijftien meter de kans op overlijden aanzienlijk is. Het handelen van verdachte in combinatie met haar verklaring over de aanleiding tot dat handelen maakt dat de rechtbank vaststelt dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] wilde doden.

Anders dan de verdediging stelt volgt uit de verklaring van verdachte bij de politie niet dat verdachte de opdracht van ‘de stemmen’ om haar zoon te doden heeft genegeerd en dat zij hem enkel over het balkon zou hebben gegooid om hem te laten (weg)vliegen. Dit volgt ook niet uit de omstandigheid dat zij tegen [slachtoffer] zei “jij gaat vliegen” voordat ze hem gooide. Deze woorden passen immers ook zonder meer bij het over de reling van het balkon gooien van [slachtoffer] met het voornemen hem op te offeren. Dat verdachte later heeft verklaard dat zij dacht dat haar zoon daadwerkelijk zou vliegen doet evenmin af aan de bewezenverklaring: er is geen reden te twijfelen aan de eerste verklaring van verdachte bij de politie noch een aanleiding te veronderstellen dat zij op dat moment de inhoud van haar waanideeën niet naar waarheid omschreef. De verklaring was ondanks de toestand waarin verdachte verkeerde op dit punt eenduidig en consistent en wordt bevestigd door de door verdachte verrichte handelingen.

De rechtbank acht daarom het primair tenlastegelegde, poging tot doodslag, wettig en overtuigend bewezen.

3
De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 3 november 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om haar kind, [slachtoffer] opzettelijk

van het leven te beroven,

- die voornoemde [slachtoffer] bij het lichaam heeft vastgepakt en/of opgetild en/of

- die voornoemde [slachtoffer] naar het balkon heeft getild en/of gebracht en/of meegenomen en/of

- die voornoemde [slachtoffer] over de reling van het balkon (van een flat gelegen op de vijfde verdieping) naar beneden heeft gegooid en/of geduwd en/of laten vallen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op de grond (in het gras) terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

primair:

poging tot doodslag.

5
De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6
De strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, waardoor verdachte niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – indien een bewezenverklaring volgt – op het standpunt gesteld dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is, waardoor het feit niet aan haar kan worden toegerekend. Zij dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De beoordeling door de rechtbank

Er heeft een multidisciplinair (dubbel) Pro Justitia onderzoek plaatsgevonden naar de geestvermogens van verdachte. Dr. H.A. de Haan, psychiater, en F.A.M. de Reeper, psycholoog, hebben een Pro Justitia rapport opgesteld, gedateerd op 3 maart 2025 respectievelijk 27 februari 2025.

De psychiater heeft vastgesteld dat verdachte lijdt aan een psychotische stoornis, deels in remissie, lichte verstandelijke beperking, PTSS en een stoornis in het gebruik van middelen, waarvan de meeste nu (kortdurend) in remissie zijn.

De psychiater concludeert dat het psychotische toestandsbeeld verdachte op dat moment (ten tijde van het incident) geen keuzevrijheid liet. Zij was zodanig onder invloed van imperatieve auditieve hallucinaties dat zij daar geen weerstand aan kon bieden. De stoornis heeft als het ware bezit van haar genomen. De psychiater adviseert om verdachte het tenlastegelegde niet toe te rekenen.

De psycholoog heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een lichte verstandelijke beperking, een posttraumatische stressstoornis, een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, een stoornis in het gebruik van alcohol, matig van ernst, en een stoornis in het gebruik van een stimulantia, licht van ernst, en beide in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. De psycholoog heeft geconcludeerd dat verdachte gezien haar toestand op het moment van het tenlastegelegde niet in staat was het wederrechtelijke/ongeoorloofde van haar handelen in te zien. Verdachtes vermogen om haar wil in vrijheid te bepalen was dermate aangetast dat zij niet in staat was een andere gedragskeuze te maken en dienovereenkomstig te handelen. De psycholoog adviseert daarom om verdachte het feit niet toe te rekenen.

De rechtbank volgt de psychiater en psycholoog in hun conclusies en neemt de adviezen over. Dit betekent dat het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend. Verdachte is dan ook niet strafbaar.

De rechtbank zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Overwegingen

7
De overwegingen ten aanzien van de maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna: tbs-maatregel met voorwaarden) wordt opgelegd met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geadviseerd in het advies van de reclassering van 30 juli 2025. De officier van justitie vordert de dadelijke tenuitvoerlegging van deze tbs-maatregel met voorwaarden. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat gelet op de bepleite vrijspraak er niet wordt voldaan aan de vereisten van een tbs-maatregel. De raadsman heeft subsidiair – indien een bewezenverklaring volgt – geen verweer gevoerd tegen de eventuele oplegging van een tbs-maatregel met voorwaarden.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] is zo’n vijftien meter naar beneden gevallen nadat zijn moeder hem van het balkon heeft gegooid. Hij heeft daardoor aanzienlijk lichamelijk letsel opgelopen. Zijn leven is hierdoor ernstig in gevaar gebracht. Daarnaast heeft dit voorval bij [slachtoffer] psychische klachten veroorzaakt waarvoor hij trauma-hulp gaat krijgen. Ook voor de buurtbewoners die [slachtoffer] in het gras onderaan de flat hebben zien liggen, heeft de gebeurtenis enorme impact gehad.

Gezien het hiervoor overwogene met betrekking tot de psychische stoornissen van verdachte, kan het begane feit niet aan haar worden toegerekend. Daarom is verdachte (op grond van artikel 39 Wetboek van Strafrecht) niet strafbaar en kan geen straf aan verdachte worden opgelegd. Dat verdachte geen verwijt kan worden gemaakt en daarom ook geen straf kan worden opgelegd doet niet af aan impact van de gebeurtenis voor de betrokkenen.

De volledige ontoerekeningsvatbaarheid van verdachte staat niet in de weg aan het opleggen van een tbs-maatregel, indien dat aangewezen is en als overigens aan de daaraan te stellen eisen is voldaan. De rechtbank acht de oplegging van deze maatregel aangewezen en noodzakelijk en overweegt hiertoe als volgt.

De psychiater en psycholoog schatten de kans op herhaling als matig tot hoog in. Zonder behandeling van haar verschillende stoornissen, waaronder medicamenteuze behandeling voor haar psychose, en zonder een goede sociaal-maatschappelijke inbedding, acht de psychiater de kans matig tot hoog dat verdachte op een andere manier (bijvoorbeeld ten gevolge van auditieve hallucinaties) kan recidiveren in gewelddadig en/of crimineel gedrag, ondanks het feit dat dit tot nu toe slechts zeer beperkt heeft plaatsgevonden. De psychiater baseert dat op de verschillende soorten bizarre opdrachten die verdachte op de dag van het tenlastegelegde kreeg en waar ze geen weerstand aan kon bieden. Bij het ontbreken van zorg of bij onvoldoende zorg werken de onbehandelde stoornissen en problemen sterk op elkaar in en wordt de kans op herhaling van algemeen geweld maar ook zelfdestructief gedrag door de psycholoog als matig-hoog getaxeerd.

De psycholoog heeft geconcludeerd dat vanwege de beschreven problematiek van verdachte behandeling noodzakelijk is. Interventies moeten afgestemd zijn op haar cognitieve niveau en gericht zijn op het verbeteren van haar zelfredzaamheid en emotionele stabiliteit. Gezien de complexiteit van de problematiek en de noodzaak van langdurige behandeling is het advies om verdachte op te nemen in een klinische setting. Van daaruit kan afhankelijk van de progressie naar een ambulante vorm van begeleid of beschermd wonen worden overgegaan. De psycholoog heeft geadviseerd behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een tbs-maatregel. Een tbs-maatregel met voorwaarden zou kunnen volstaan als verdachte zich committeert aan de behandeling en zich weet te houden aan de voorwaarden.

De psychiater heeft de rechtbank in overweging gegeven om aan verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen met als voorwaarde een voldoende lange klinische behandeling, die waarschijnlijk meerdere jaren in beslag zal nemen. Deze behandeling kan volgens de psychiater op beveiligingsniveau 2 (forensisch psychiatrische afdeling) plaatsvinden. De psychiater adviseert om vervolgens onder toezicht van de reclassering een langdurig forensisch beschermd wonen-traject te volgen, waarin de mogelijkheid onderzocht kan worden in hoeverre verdachte weer de zorg en opvoeding (onder professionele begeleiding) van haar jongste zoon, het slachtoffer, op zich zou kunnen nemen.

Naar aanleiding van de door de psychiater en de psycholoog opgemaakte rapportage is door Reclassering GGZ Tactus Zwolle een reclasseringsadvies opgesteld, gedateerd 30 juli 2025. In dit advies is beschreven dat er sprake is van een gemiddeld tot hoog recidiverisico. De combinatie van een psychotische stoornis, verslavingsproblematiek, verstandelijke beperking en PTSS en daarbij een zeer gebrekkige sociale inbedding voorafgaand aan de tenlastelegging, maakt dat behandeling klinisch dient aan te vangen en goed geïntegreerd plaats dient te vinden. Een langdurig forensisch kader, in de vorm van een tbs met voorwaarden, is gezien de complexe multiproblematiek noodzakelijk. De op te leggen voorwaarden zouden volgens de reclassering moeten bestaan uit de volgende: meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan een time-out, niet naar het buitenland, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, beschermd/begeleid wonen of maatschappelijke opvang, drugsverbod, alcoholverbod en inzicht geven in de financiële situatie.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 14 augustus 2025 verklaard het eens te zijn met het advies en zich te zullen houden aan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

De rechtbank volgt voornoemde deskundigen in hun conclusies en neemt deze conclusies over.

De tbs-maatregel

Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot de volgende conclusies.

De rechtbank is van oordeel dat aan verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden dient te worden opgelegd. De rechtbank zal hieraan de voorwaarden koppelen die de reclassering heeft geadviseerd. Omdat er bij [kliniek] nog geen plek voor verdachte beschikbaar is, zal – zoals ook ter terechtzitting is besproken – als extra voorwaarde worden opgelegd dat verdachte meewerkt aan de opname bij [kliniek 2] ter overbrugging totdat zij kan worden overgeplaatst naar [kliniek] op het moment dat daar een plek beschikbaar is.

Ook met die aanvullende voorwaarde stemt heeft verdachte tijdens de terechtzitting ingestemd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat is voldaan aan alle voorwaarden voor het opleggen van de tbs-maatregel volgens artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. Voor het geval de verdachte zich ondanks haar bereidverklaring niet aan (één of meer van) de voorwaarden mocht houden, overweegt de rechtbank dat de terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen, als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Dat betekent dat wanneer de verdachte zich niet aan (één of meer van) de voorwaarden houdt en de dwangverpleging alsnog wordt bevolen, de duur van de maatregel niet gemaximeerd is.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De officier van justitie heeft gevorderd dat de maatregel en de hieraan gekoppelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. De verdediging heeft zich hiertegen niet verzet.

De reclassering heeft in haar advies van 30 juli 2025 de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden geadviseerd. De rechtbank geeft toepassing aan het bepaalde in artikel 38, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, en zal bevelen dat de te stellen voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Maatregel ex artikel 38z Wetboek van Strafrecht

De officier van justitie heeft gevorderd dat de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd. De verdediging heeft zich niet verzet tegen oplegging van voornoemde maatregel.

De reclassering heeft in het advies van 30 juli 2025 de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel geadviseerd, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden tijdens en na de tbs-maatregel met voorwaarden.

Nu gelet op de aard van de bij de verdachte bestaande stoornissen langdurige waarborgen met het oog op toekomstige risico’s ten aanzien van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, nodig zijn, acht de rechtbank het noodzakelijk om naast de tbs-maatregel met voorwaarden een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Er is voldaan aan de formele eisen die de wet stelt voor het opleggen van deze maatregel. Met de maatregel kan zodoende – indien dit met alsdan bestaande risico’s noodzakelijk is – worden bewerkstelligd dat verdachte na afloop van de tbs-maatregel met voorwaarden onder toezicht wordt gesteld.

8
De beoordeling van de civiele vordering

Namens het slachtoffer [slachtoffer] heeft de wettelijk vertegenwoordiger zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een bedrag gevorderd van € 10.000,00 aan smartengeld met de bepaling dat dit bedrag zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer] te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Verder is om toekenning van de wettelijke rente verzocht en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en metH oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, omdat de behandeling hiervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Overweging van de rechtbank

Smartengeld

Vast staat dat [slachtoffer] door de door verdachte gepleegde poging tot doodslag lichamelijk letsel heeft opgelopen, onder meer bestaande uit een klaplong, waarmee sprake is van een van de gevallen als genoemd in artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW) waarin recht bestaat op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding voor nadeel dat niet in vermogenswaarde bestaat (smartengeld).

De verdediging voert terecht aan dat gelet op het bepaalde in 6:165 BW de geestelijke tekortkoming van verdachte ten tijde van het feit niet aan de toerekening van de onrechtmatige daad in de weg staat. Anders dan de verdediging stelt, maakt de aard van de aansprakelijkheid, waarbij het gaat om aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, de poging tot doodslag, evenmin dat de door [slachtoffer] ondervonden schade niet aan de gebeurtenis kan worden toegerekend.

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

In dit geval weegt de rechtbank mee dat [slachtoffer] heeft meegemaakt dat zijn moeder hem vanaf een hoogte van vijftien meter naar beneden heeft gegooid, waarna hij in een levensbedreigende situatie verkeerde en moest worden geïntubeerd en beademd. Vast staat dat sprake was van bloed of vocht bij de long(vliez)en en wat vocht bij de lever, passend bij een kleine leverscheur en/of bloeduitstorting(en) in de lever en sterk verhoogde enzymwaardes in zijn bloed passend bij diverse vormen van traumatische weefselschade. De rechtbank houdt er rekening mee dat dit letsel aanzienlijk was, maar dat anderzijds het herstel voorspoedig is verlopen en niet gebleken is van blijvende lichamelijke schade.

De rechtbank houdt voorts rekening met de jeugdige leeftijd van [slachtoffer] en de omstandigheid dat de impact van de op hem gepleegde doodslag, waarbij hij van vanaf vijftien meter van het balkon werd gegooid, des te groter is, nu dit feit werd begaan door zijn moeder, bij wie hij zich juist veilig zou moeten voelen. De omstandigheid dat zijn moeder in een psychose verkeerde en ontoerekeningsvatbaar was maakt niet dat de schade die deze gebeurtenis met zich brengt wegvalt. Uit de zogeheten situatieschets van Jeugdbescherming Gelderland van 4 augustus 2025 blijkt dat [slachtoffer] zich het incident nog heel duidelijk kan herinneren. [slachtoffer] ervaart tot op heden de contactmomenten met verdachte als emotioneel zwaar beladen. Tijdens het contact is hij blij, maar ook clownesk en gespannen. Na het contact worden ’s nachts regelmatig nachtmerries geactiveerd. Dit is aan verdachte toe te rekenen.

Het voorgaande betekent dat een bedrag aan immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Voor de hoogte daarvan houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen.

Met bovenstaand omstandigheden rekening houdend acht de rechtbank het gevorderde smartengeld van € 10.000,00 billijk en zal zij de immateriële schade op dit bedrag vaststellen en de vordering toewijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om de toegewezen bedragen betaald te krijgen. De proceskosten tot vandaag worden begroot op nihil.

Verdachte is vanaf 3 november 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. De rechtbank zal geen toepassing van de gijzeling als bedoeld in artikel 36f, vijfde lid, Wetboek van Strafrecht opleggen, omdat toepassing van de gijzelingsmaatregel niet opportuun is gelet op de opgelegde tbs-maatregel.

De rechtbank bepaalt voorts dat als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden overgemaakt op een ten behoeve van de minderjarige benadeelde partij te openen spaarrekening met een zogenoemde BEM-clausule. Een dergelijke BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijk vertegenwoordiger kunnen aldus slechts met toestemming van de kantonrechter over het vermogen van de minderjarige benadeelde partij beschikken.

9
De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

10
De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

? gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstelling de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van verdachte:

1. Verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken.

2. Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

? Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

? Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van verdachte vast te stellen.

? Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

? Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

? Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.

? Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

? Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

? Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.

3. Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in forensische psychiatrische afdeling De Boog of een forensisch psychiatrisch centrum (fpc) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

4. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

5. Verdachte laat zich opnemen in forensische psychiatrische afdeling [kliniek] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

6. Verdachte laat zich – na afloop van klinische behandeling – behandelen door een nader te bepalen forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

7. Verdachte verblijft – na afloop van klinische behandeling – in een nader te bepalen instelling voor beschermd wonen of een andere instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.

8. Verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.

9. Verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.

10. Verdachte geeft inzicht in haar financiële situatie en conformeert zich aan de afspraken die met de reclassering worden gemaakt ten aanzien van haar financiën.

11. Verdachte werkt mee aan de opname in [kliniek 2] ter overbrugging, totdat zij kan worden overgeplaatst naar [kliniek] (of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing) op het moment dat daar een plek beschikbaar is.

? bepaalt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is;

? schorst de voorlopige hechtenis onder de hierboven genoemde voorwaarden met ingang van 29 augustus 2025 op het moment waarop zij met justitieel vervoer arriveert bij [kliniek 2] ;

? legt een gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht op;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

? veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 10.000,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 november 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

? veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

? legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat te betalen, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag van € 10.000,00 aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de hiervoor omschreven wettelijke rente tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

? bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

? bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden overgemaakt op een ten behoeve van [slachtoffer] , geboren op 30 oktober 2019, te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. E.S.M. van Bergen en mr. A. van Veldhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.F.A. Vrede, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 augustus 2025.

Mr. Van Bergen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024518493, gesloten op 14 januari 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Voetnoot 2

Proces-verbaal van bevindingen, p. 89 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 14 augustus 2025.

Voetnoot 3

Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 235 en proces-verbaal van bevindingen, p. 220.

Voetnoot 4

NFI-rapport forensisch-medisch onderzoek van 4 juli 2025, p. 5-6.

Voetnoot 5

NFI-rapport forensisch-medisch onderzoek van 4 juli 2025, p. 12.

Voetnoot 6

NFI-rapport forensisch-medisch onderzoek van 4 juli 2025, p. 13.

Voetnoot 7

Proces-verbaal van bevindingen (Uitwerking PV verhoor verdachte [verdachte] ), p. 46.

Voetnoot 8

Proces-verbaal van bevindingen (Uitwerking PV verhoor verdachte [verdachte] ), p. 51-52

Voetnoot 9

Proces-verbaal van bevindingen (Uitwerking PV verhoor verdachte [verdachte] ), p. 54 en 55.