1
De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 9 augustus 2025 te Arnhem
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
- voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans en scherp en/of puntig voorwerp, op/in de (linker)flank, althans het (bovenlichaam), heeft gestoken en/of gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 9 augustus 2025 te Arnhem
aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een maagperforatie, althans een steekwond in de (linker)flank, althans het (boven)lichaam, heeft
toegebracht, door
- voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op/in de (linker)flank, althans het
(boven)lichaam, te steken en/of te snijden;
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs
(Voetnoot 1)
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Verdachte ontkent dat hij [slachtoffer] heeft gestoken. Hij heeft wel ruzie met hem gehad om een fiets, maar heeft hem niet gestoken.
Beoordeling door de rechtbank
Bewijsmiddelen
[slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft aangifte gedaan omdat hij in zijn zij gestoken is. Op 9 augustus 2025 rond 18:45 uur liep een man in het Musispark te Arnhem naar aangever toe. Hij gaf o.a. het volgende signalement van de man: een man van rond de 50 jaar oud , met (naar inschatting van aangever) Noord-Afrikaans uiterlijk en lang krullend grijs/zwart haar tot aan de schouders, [slachtoffer] had een fiets vast die de man terug wilde hebben omdat hij deze geleend zou hebben van een kennis van hem. Daarop pakte de man de hand van [slachtoffer] vast en draaide aan zijn vingers. [slachtoffer] gaf deze man een kopstoot. Dit was vooralsnog het einde van dit conflict.
Rond 20:20 uur kwam dezelfde man weer naar [slachtoffer] toelopen om de fiets te pakken. [slachtoffer] probeerde dit te voorkomen. Ineens voelde [slachtoffer] een vreemd gevoel aan zijn linkerzijde. Kort daarop voelde hij een branderig gevoel. De man was op dat moment de enige die in zijn buurt stond. Nadat aangever in zijn zij had gevoeld, was zijn hand rood van het bloed. Aangever zag dat de man een mes had met een lemmet van naar schatting zo’n 16 centimeter. (Voetnoot 2)
Getuige [getuige] bevond zich op 9 augustus 2025 in het Musispark te Arnhem. Hij had een verklaring bij de politie afgelegd. Hij verklaarde dat hij zag en hoorde dat er een conflict ontstond tussen het latere slachtoffer en een andere man over een fiets. De man met de fiets omschreef hij als volgt: Man, 45 jaar oud ongeveer, 1,80 meter lang, getinte huidskleur, gezet postuur, krulletjes haar. Hij zag dat deze man op enig moment een stekende beweging richting het slachtoffer maakte. [getuige] verklaarde dat hij zag dat het slachtoffer een steekwond had waar bloed uit kwam. (Voetnoot 3)
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 9 augustus 2025 om 18:45 uur te Arnhem een conflict over een fiets had met aangever. Rond 20:30 had verdachte weer een conflict met de aangever. (Voetnoot 4)
Uit de Forensisch Medische Letselrapportage bleek dat er bij lichamelijk onderzoek van [slachtoffer] een steekverwonding met uitpuilend vetweefsel van 1-2 cm werd gezien in de linkerflank. Het bloedonderzoek liet geen afwijkingen zien. Er werd een CT-scan van de buik gemaakt, hierop werd een steekverwonding links centraal in de buik gezien door alle buikwandlagen heen. Er was geen aanwijzing voor een actieve bloeding. Op basis van lucht in de buikholte was er een vermoeden van een perforatie van een hol orgaan in de buik. Hierop is betrokkene geopereerd. Er werd via een open buikoperatie een traumatische maagperforatie vastgesteld. Deze perforatie werd gehecht. Er werd een drain in de buik bij de gehechte maagperforatie achter gelaten. Er vond een debridement van de steekwond in de Linkerflank plaats (dit is een medische handeling waarbij beschadigd weefsel van de huid wordt verwijderd). De steekwond werd niet gehecht, zodat de wond van buitenaf gespoeld kon worden. [slachtoffer] werd opgenomen in het ziekenhuis en kreeg antibiotica toegediend voor de duur van vijf dagen. De steekwond werd twee keer per dag uitgespoeld. De drain werd na twee dagen verwijderd. [slachtoffer] kreeg één week vloeibaar eten. Op 13-08-2025 werd betrokkene in goede klinische conditie ontslagen naar huis. Betrokkene werd geadviseerd vier tot zes weken niet zwaar te tillen om de kans op een littekenbreuk te verkleinen. Betrokkene kreeg medicatie, bestaande uit een maagbeschermer voorgeschreven. Er werd een telefonische controle gepland na vier weken. Er zijn geen complicaties opgetreden. Een zogenaamde geïsoleerde perforatie van de maag zal niet acuut tot een levensbedreigende situatie leiden. Indien er niet tijdig was opgetreden was de kans op complicaties groter geweest. Deze complicaties (zoals een bloedvergiftiging) hadden in het ergste geval kunnen leiden tot de dood. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de kans op overlijden ten gevolge van een penetrerend letsel in de buik bij benadering tussen de 2,8 en 4 % ligt. (Voetnoot 5)
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte degene is die met een mes in de (linker)buikstreek van [slachtoffer] heeft gestoken.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] die zegt dat hij is gestoken door de man met wie hij een conflict had over de fiets. Deze verklaring wordt namelijk ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige] , die ziet dat het slachtoffer een conflict had met een man over een fiets, en dat die man een steekbeweging maakte richting het slachtoffer. Van belang daarbij is voorts dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij op de betreffende momenten een conflict had met [slachtoffer] over een fiets.
De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de verklaringen van [slachtoffer] en [getuige] op elkaar zouden zijn afgestemd, zoals verdachte heeft verklaard, nu de verklaringen kort na het incident zijn afgelegd, er ook geen andere redenen zijn om aan te nemen dat [slachtoffer] een ander dan degene die hem zou hebben gestoken zou willen aanwijzen als de dader en verdachtes verklaring voor een andere lezing op geen enkele manier steunt vindt in ander bewijsmateriaal.
Vrijspraak poging doodslag
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of sprake is geweest van een poging tot doodslag.
De rechtbank kan uit de bewijsmiddelen niet afleiden dat verdachte willens en wetens [slachtoffer] heeft willen doden, oftewel vol opzet heeft gehad. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] had.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] heeft gestoken in zijn (linker)flank. De forensisch arts heeft in de forensisch medische letselrapportage beschreven dat een geïsoleerde perforatie van de maag (zoals bij [slachtoffer] ) niet acuut zal leiden tot een levensbedreigende situatie. Voorts heeft de arts beschreven dat een studie naar de uitkomsten van een perforerend maagletsel toont dat in 2,4% van de patiënten met een geïsoleerd maagletsel (n = 41) er een ernstige infectie en/of bloedvergiftiging (sepsis) is opgetreden. Van deze patiënten met een geïsoleerd maagletsel is niemand overleden.
De forensisch arts heeft verder aangegeven dat het letsel van het slachtoffer zich net onder de milt bevond en dat een perforerend letsel van de borstkas kan leiden tot een ribbreuk, een bloeding uit een bloedvat, een klaplong of een (levensbedreigende bloeding) uit de long en/of het hart. De arts geeft daarbij echter ook aan dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de kans op overlijden ten gevolge van penetrerend letsel in de buik bij benadering tussen de 2,8 en 4% ligt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op basis van de letselrapportage niet kan worden vastgesteld dat in dit specifieke geval sprake is geweest van een aanmerkelijke kans op de dood. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging doodslag.
Zware mishandeling
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit is vereist dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel, in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Zoals hierboven is omschreven was bij [slachtoffer] sprake van een maaperforatie, die in het ziekenhuis is gehecht. Ook staat in de letselrapportage beschreven dat dergelijk letsel onbehandeld kan leiden tot een levensbedreigende situatie. De noodzaak tot medisch ingrijpen was dus groot. [slachtoffer] werd voor de duur van 5 dagen opgenomen in het ziekenhuis. Voor de genezing van de wond staat gemiddeld 4 tot 6 weken. Het genezingsproces van het litteken kan tot een jaar duren.
Conclusie
De rechtbank is, gelet op de aard van het letsel, de noodzaak tot medisch ingrijpen en eerdergenoemde algemene gezichtspunten en in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat het door de verdachte toegebrachte letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 9 augustus 2025 te Arnhem
aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een maagperforatie, althans een steekwond in de (linker)flank, althans het (boven)lichaam, heeft
toegebracht, door
- voornoemde [slachtoffer] een of meerdere malen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op/in de (linker)flank, althans het
(boven)lichaam, te steken en/of te snijden;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Overwegingen
7
De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet goed is voor verdachte en dat een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk zou kunnen worden opgelegd.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich onder invloed van verdovende middelen schuldig gemaakt aan zware mishandeling. Verdachte heeft tijdens een ruzie iemand anders opzettelijk een zware verwonding toegebracht door hem naar aanleiding van een conflict over een fiets met een mes in de buik te steken. Het slachtoffer zal daar blijvende littekens aan overhouden, waardoor hij altijd aan dit traumatische voorval zal worden herinnerd. Verdachte schuwde kennelijk geen enkel middel, terwijl het conflict was terug te voeren op een futiele en zinloze aanleiding. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Verdachte mag van geluk spreken dat het toegebrachte letsel geen ernstiger gevolgen heeft gehad. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.
Persoonlijke omstandigheden van verdachte
Uit het strafblad van verdachte van 6 januari 2026 blijkt dat hij veelvuldig in aanraking is gekomen met politie en justitie wegens geweldsfeiten.
Op 30 januari 2026 heeft de Reclassering een adviesrapportage over verdachte uitgebracht.
De reclassering ziet een mogelijk verband tussen het sociale netwerk van verdachte en zijn middelengebruik. Verdachte heeft een sociaal netwerk binnen het gebruikerscircuit. Van basecoke, dat verdachte zou hebben gebruikt voorafgaand aan het incident, is bekend dat dit kan leiden tot ontremd gedrag, impulsiviteit, verhoogde prikkelbaarheid en paranoïde gedachten. De reclassering ziet geen beschermende factoren en schat het recidiverisico in als hoog. Om dit risico in te perken acht de reclassering aanvullende bijzondere voorwaarden noodzakelijk. Daarnaast acht de reclassering nadere diagnostiek en een daaropvolgend psychische- en verslavingsbehandeling wenselijk, zodat er meer zicht komt op de risicofactoren op het delictgedrag en daarop volgend kunnen worden ingeperkt. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden:
een meldplicht bij de reclassering;
opname in een zorginstelling;
ambulante psychische behandeling;
ambulante verslavingsbehandeling met mogelijk kortdurende opname;
verblijf in begeleid wonen of maatschappelijk opvang;
aflossing schulden;
beheersing middelengebruik;
meewerken aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap; en
ambulante begeleiding.
Conclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten ziet de rechtbank geen aanleiding om te volstaan met het opleggen van een andere straf dan een gevangenisstraf. Bij de strafbepaling wijkt de rechtbank af van de strafeis van de officier van justitie, omdat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde zware mishandeling , terwijl de officier van justitie was uitgegaan van een poging doodslag. De rechtbank acht een flinke stok achter de deur nodig, om een traject met hulp en begeleiding in gang te zetten en op de rit te houden om het recidiverisico in te perken.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht passend is. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zullen de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 30 januari 2026, te weten een meldplicht bij de reclassering,
opname in een zorginstelling, ambulante psychische behandeling, ambulante verslavingsbehandeling met mogelijk kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijk opvang, aflossing schulden, beheersing middelengebruik, meewerken aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap en ambulante begeleiding. Aan de klinische opname zal de rechtbank een maximale termijn van 1 (één) jaar verbinden.
De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de reclassering het recidiverisico met letsel tot gevolg inschat als hoog.
Beslissing
? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
? beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
? bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 4 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
? stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
? stelt als bijzondere voorwaarden dat:
o verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Iriszorg op het adres: [adres] in Arnhem;
o verdachte zich tijdens de proeftijd of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelde organisatie nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een forensische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is en duurt maximaal 1 (één) jaar. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De klinische opname is gericht op de afname van diagnostiek en behandeling van de eventueel daaruit voortvloeiende diagnose. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar de ambulante zorg of verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee in de indictiestelling en plaatsing;
o verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Kairos of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
o verdachte zich gedurende de proeftijd zal laten behandelen door Iriszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbeheersing noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door een justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
o verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start zo spoedig mogelijk als verdachte uit detentie raakt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
o verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
o verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om inzicht te krijgen in het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek of een speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
o verdachte werkt aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt verdachte binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap voor zover en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
o verdachte zich laat begeleiden door een instelling gericht op ambulante begeleiding, te bepalen door de reclassering en indien de reclassering dit nodig acht. De begeleiding kan ingezet worden voor woonondersteuning, op financieel vlak of voor hulp bij overige (praktische) zaken. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft;
? beveelt dat de gestelde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;
? beveelt de tenuitvoerlegging van de op 15 mei 2025 door de politierechter voorwaardelijk opgelegde straf, te weten een gevangenisstraf van 2 maanden (parketnummer 05-133501-25).
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Sno (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. Y. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.H. Boshuizen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2026.