Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2026:1766

Op 4 March 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 05/223290-25 en 96-283948-23 (tul), bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:1766. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
05/223290-25 en 96-283948-23 (tul)
Datum uitspraak:
4 March 2026
Datum publicatie:
9 March 2026

Indicatie

Gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden voor poging tot zware mishandeling en mishandeling. Verdachte heeft zijn ex-partner in zijn gezicht geslagen met een haspel en met zijn vuisten. Eendaadse samenloop van poging zware mishandeling en mishandeling. GVM niet opgelegd. Vordering benadeelde partij deels toegewezen. Vordering toekomstige schade afgewezen. Voor proceskosten wordt aansluiting gezocht bij liquidatietarief kantonzaken. Vordering tenuitvoerlegging afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers: 05.223290.25 en 96-283948-23 (tul)

Datum uitspraak : 4 maart 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

Raadsman: mr. L.E. de Rode, advocaat in Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1
De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 12 augustus 2025 te Zutphen, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een haspel, althans een hard voorwerp, op het gezicht en/of op het hoofd heeft geslagen, en/of

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met vuist op het hoofd en/of op de nek heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 12 augustus 2025 te Zutphen, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een haspel, althans een hard voorwerp, op het gezicht en/of op het hoofd heeft geslagen, en/of

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met vuist op het hoofd en/of op de nek heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 12 augustus 2025 te Zutphen, in elk geval in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld, door

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een haspel, althans een hard voorwerp, op het gezicht en/of op het hoofd te slaan,

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met vuist op het hoofd en/of op de nek te slaan, waarbij zij ten val is gekomen,

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen tegen het lichaam te schoppen, waarbij zij ten val is gekomen, en/of

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen aan haar haren te trekken.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs  (Voetnoot 1)

Ten aanzien van feit 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag op [slachtoffer] , door haar met zijn vuisten en een haspel tegen haar hoofd en nek te slaan.

Ook kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. In het dossier zijn contra-indicaties aanwezig, waardoor niet zonder meer aan de hand van de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangenomen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van [slachtoffer] . [slachtoffer] heeft onbetrouwbaar, althans vaag verklaard over het gebruikte voorwerp en er is geen voorwerp aangetroffen dat aan de door haar gegeven beschrijving voldoet. Op de voorwerpen die met één kenmerk overeenkomen met de gegeven beschrijving zijn geen bloedsporen aangetroffen. Ook past het letsel van [slachtoffer] niet bij letsel dat is toegebracht door een hard voorwerp. Als de rechtbank zou aannemen dat er een voorwerp is gebruikt, hetgeen verdachte heeft ontkend, dan kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld met welke intensiteit en kracht daarmee zou zijn geslagen.

Ten aanzien van de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat deze feiten niet beide bewezen kunnen worden, gelet op het bepaalde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling door de rechtbank

Vast staat dat [slachtoffer] op 12 augustus 2025 samen met verdachte, haar ex-partner, naar het bedrijfspand van verdachte aan [adres] is gegaan om hem daar te helpen met de boekhouding van zijn autogarage. (Voetnoot 2)

[slachtoffer] heeft in de nacht van 12 op 13 augustus 2025 aangifte gedaan van poging tot doodslag. Zij heeft als volgt verklaard. Nadat zij boven in de zaak wat aan verdachte had uitgelegd over de boekhouding, zei verdachte tegen haar dat ze wel weer met elkaar konden gaan. Toen [slachtoffer] aangaf dat ze dat niet zag zitten, zei verdachte dat ze ook gewoon haar telefoon aan hem kon geven. [slachtoffer] was ondertussen haar spullen aan het inpakken en zag toen dat verdachte opeens haar telefoon in zijn handen had. Op het moment dat ze haar telefoon probeerde terug te pakken, voelde ze dat ze geslagen werd. Ze viel vrijwel meteen op de grond, halverwege tussen de bank en het bureau. Terwijl ze op de grond lag, zag ze dat verdachte een voorwerp pakte. Ze kon niet goed zien wat voor voorwerp dit was, maar ze omschrijft het als een hard voorwerp van 15 bij 15 centimeter, rood en wit van kleur, met een touw of een ketting eraan. Terwijl [slachtoffer] op de grond lag en probeerde om op te staan, werd ze geslagen met het bovengenoemde voorwerp. Ze weet niet of ze op dat moment lag of stond en hoe vaak en hoe hard ze werd geslagen. Wel weet ze dat ze voornamelijk op haar hoofd werd geraakt en dat dit heel veel pijn deed. [slachtoffer] probeerde snel naar beneden te lopen. Daar kreeg ze ook nog wat klappen van verdachte, dit deed hij met zijn vuisten. Ze voelde dat ze meerdere malen werd geraakt op haar achterhoofd. Haar hoofd zwol op en ze voelde dat ze twee voortanden van haar bovengebit miste. Ze weet nog dat ze op haar knieën zat en merkte dat er veel bloed van haar gezicht afkwam. Soms voelde ze dat ze even geen bewustzijn meer had door de harde klappen die ze had gekregen. Ze denkt dat het ongeveer 30 tot 45 minuten geduurd heeft. Ze weet niet meer goed hoe ze van de zaak naar haar auto is gekomen. Ze zat op de bijrijdersstoel en verdachte zat naast haar op de bestuurdersstoel. Op een gegeven moment heeft ze de autodeur losgemaakt en is ze op blote voeten in paniek richting een ander bedrijf gerend. Uiteindelijk is ze langs de weg gaan zitten en is ze door een omstander opgevangen die de politie heeft gebeld. (Voetnoot 3)

De politie kwam op 12 augustus 2025 ter plaatse op [adres] , waar zij [slachtoffer] huilend en in paniek aantroffen. [slachtoffer] vertelde dat verdachte haar telefoon had afgepakt en haar in elkaar had geslagen met iets van een strijkbout. De verbalisant heeft opgetekend dat het rechteroog en de neus van [slachtoffer] helemaal blauw en opgezwollen waren en dat zij moeilijk praatte vanwege haar afgebroken tanden. [slachtoffer] is met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. (Voetnoot 4)

Op 18 augustus 2025 is [slachtoffer] lichamelijk onderzocht door een forensisch arts van de GGD. Uit de letselrapportage volgt dat [slachtoffer] na het incident is opgevangen op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis, waar zwellingen en bloeduitstortingen werden geconstateerd in haar gezicht en dan voornamelijk rondom het rechteroog. De conclusie van het ziekenhuis was weke delen letsel. Ook zijn twee tanden afgebroken. De rapporteur merkt op dat [slachtoffer] niet goed kan kauwen en drinken en gebruik maakt van een rietje. Er zit een spalkje van de rechtervoortand naar de eerste kies aan de rechterzijde. Rondom het rechteroog bevindt zich een scherp begrensde ovale rood/paarse huidverkleuring (bloeduitstorting) van circa 3 bij 4 centimeter. Hieromheen bevindt zich nog een uitgebreide gele verkleuring door uitzakking. Rondom het linkeroog en dan voornamelijk aan de onderzijde en aan de binnenzijde van het linkeroog bevindt zich een diffuse maanvormige huidverkleuring van circa 3,5 bij 3,5 centimeter. Ook op beide armen en benen van [slachtoffer] zijn bloeduitstortingen zichtbaar. (Voetnoot 5)

De politie heeft forensisch onderzoek gedaan in het bedrijfspand van verdachte. Op de eerste verdieping waren onder meer een bureau en een bank met tv gesitueerd. Naast het bureau werd een haspel aangetroffen. Ook werd daar een oorbel aangetroffen. Verder werden er bloedsporen aangetroffen ter hoogte van de vaste trap en op de trapleuning. (Voetnoot 6)

De haspel is door de politie nader forensisch onderzocht. Deze wordt door de politie omschreven als een beschadigde, bevuilde en zwart/rood gekleurde haspel met een meerkleurig etiket. (Voetnoot 7) Na onderzoek bleek het te gaan om een kunststof elektrische kabelhaspel met 20 meter snoer en met een gewicht van 2230 gram. (Voetnoot 8)

De politie heeft het handvat (AASY5307NL#01) en de onderzijde van de haspel (AASY5308NL#01) bemonsterd op humane biologische sporen. Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek, uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI), volgt dat in beide bemonsteringen een DNA-mengprofiel is aangetroffen, waarbij wordt aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen. Uit de berekening van de bewijskracht volgt dat het DNA-mengprofiel AASY5307NL#01 (het handvat) meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen. Ook is het DNA-mengprofiel AASY5307NL#01 meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen. Daarnaast volgt uit de berekeningen van het NFI dat het DNA-mengprofiel AASY5308NL#01 (de onderzijde van de haspel) meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer zowel verdachte [verdachte] als [slachtoffer] DNA aan de bemonstering hebben bijgedragen, dan wanneer drie willekeurige personen aan het bemonstering hebben bijgedragen. (Voetnoot 9)

Uit de resultaten van het DNA-onderzoek concludeert de rechtbank dat van zowel verdachte als [slachtoffer] DNA is aangetroffen op het handvat en de onderzijde van de haspel.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] met zijn vuist twee harde klappen heeft gegeven; één op haar rechteroog en één op haar kaak. (Voetnoot 10) Bij de politie heeft verdachte verklaard dat het 30 à 40 minuten heeft geduurd voordat [slachtoffer] en hij weggingen uit het bedrijfspand. (Voetnoot 11)

Verdachte heeft verder verklaard dat hij [slachtoffer] had vastgepakt om haar gerust te stellen. Zij verzette zich, waarna hij heeft uitgehaald. Hij ontkent [slachtoffer] te hebben geslagen met een voorwerp.

Uit het voorgaande leidt de rechtbank echter af dat [slachtoffer] – in tegenstelling tot verdachte – vanaf het begin consistent heeft verklaard over de gebeurtenissen op 12 augustus 2025 en dat haar verklaringen worden ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Uit de aangifte volgt dat [slachtoffer] na te zijn geslagen door verdachte halverwege tussen het bureau en de bank op de grond is gevallen en dat zij, terwijl ze op de grond lag, zag dat verdachte een rood-witkleurig voorwerp pakte waarmee hij haar vervolgens heeft geslagen. De politie heeft op de grond naast het bureau een haspel aangetroffen met een snoer eraan. Deze haspel was zwart-rood van kleur en voorzien van een meerkleurig etiket. Op het handvat en de onderzijde van deze haspel is DNA van zowel verdachte als [slachtoffer] aangetroffen. Voorts acht de rechtbank van belang dat het letsel dat bij [slachtoffer] is geconstateerd niet enkel kan worden verklaard door de twee vuistslagen die verdachte haar naar eigen zeggen heeft gegeven. Uit de letselbeschrijving volgt immers dat [slachtoffer] ook letsel had rond haar linkeroog, terwijl verdachte volgens zijn verklaring alleen met zijn vuist op haar rechteroog en haar kaak heeft geslagen.

Gelet op al het voorgaande, concludeert de rechtbank dat verdachte [slachtoffer] niet alleen met zijn vuisten, maar ook met de haspel heeft geslagen. Weliswaar voldoet de haspel niet volledig aan de omschrijving die [slachtoffer] van het voorwerp heeft gegeven, maar dat is gegeven de omstandigheden waaronder zij de omschrijving heeft gegeven naar het oordeel van de rechtbank niet onbegrijpelijk en maakt niet dat haar verklaring op dit punt als onbetrouwbaar dient te worden aangemerkt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met zijn vuisten tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen, waardoor zij ten val is gekomen en met een haspel tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen.

Voorts moet worden beoordeeld hoe dit handelen van verdachte juridisch dient te worden gekwalificeerd. Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag te komen, moet worden bewezen dat verdachte het opzet had, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van [slachtoffer] . Uit het dossier blijkt niet dat verdachte als doel had om [slachtoffer] te doden. Van vol opzet is naar het oordeel van de rechtbank derhalve geen sprake. Onder omstandigheden kan het uitoefenen van geweld tegen het hoofd een aanmerkelijke kans in het leven roepen dat het slachtoffer als gevolg van dit geweld komt te overlijden. Indien uit het handelen van verdachte blijkt dat hij deze aanmerkelijke kans op de dood bewust heeft aanvaard, is sprake van voorwaardelijk opzet. De rechtbank overweegt dat het dossier onvoldoende informatie bevat om de aanmerkelijke kans op de dood te kunnen vaststellen. Uit het dossier volgt weliswaar dat verdachte [slachtoffer] meermaals (hard) tegen het hoofd heeft geslagen, maar er kan niet worden vastgesteld hoe vaak en waar op het hoofd zij met de haspel is geslagen en met welke kracht dit is gebeurd. Evenmin is over de kans op overlijden door een forensisch deskundige gerapporteerd. Daarmee kan de rechtbank niet vaststellen of er sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] als gevolg van het handelen van verdachte. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.

De rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] wel bewezen. Verdachte heeft [slachtoffer] meermaals hard tegen het hoofd geslagen met zijn vuisten, waardoor zij ten val is gekomen en heeft haar met een haspel tegen het hoofd geslagen. [slachtoffer] heeft aan deze handelingen letsel overgehouden. Bij haar zijn twee voortanden afgebroken en zij heeft – onder meer in haar gezicht – diverse (forse) bloeduitstortingen opgelopen die enkele dagen later nog steeds zichtbaar waren. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte tenminste met meer dan geringe kracht heeft gehandeld. De rechtbank overweegt dat het hoofd een kwetsbaar gebied vormt, waarin zich vitale delen van het lichaam bevinden. De kans dat deze vitale delen bij het op dergelijke wijze slaan tegen het hoofd blijvend dan wel langdurig beschadigd raken, is aanmerkelijk te noemen. Door op deze wijze te handelen, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen aan [slachtoffer] .

De rechtbank acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1, subsidiair ten laste gelegde feit.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling van [slachtoffer] bewezen, met uitzondering van het deel van de tenlastelegging dat ziet op het schoppen en het trekken aan de haren. De rechtbank overweegt dat het bewijs in dit geval uit één bron komt, te weten [slachtoffer] , en dat het dossier onvoldoende andere bewijsmiddelen (uit andere bronnen) bevat die haar verklaring in voldoende mate ondersteunen. Weliswaar volgt uit de letselbeschrijving dat er op de armen en benen van [slachtoffer] diverse bloeduitstortingen zichtbaar zijn, maar daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende worden vastgesteld dat deze het gevolg zijn van schoppen door verdachte. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor deze onderdelen van de tenlastelegging. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Van een situatie zoals bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), het zogenaamde ‘ne bis in idem’-beginsel, is in de onderhavige zaak geen sprake. Dat er in juridische zin samenloop is tussen het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde, betekent namelijk niet dat er dus ook sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 68 Sr. Verdachte is immers niet eerder (onherroepelijk) veroordeeld voor het feitencomplex dat ten grondslag ligt aan het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde. De rechtbank komt dan ook tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair en feit 2 ten laste gelegde.

3
De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 12 augustus 2025 te Zutphen, in elk geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een haspel, althans een hard voorwerp, op het gezicht en/of op het hoofd heeft geslagen, en/of

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met vuist op het hoofd en/of op de nek heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op een of meerdere tijdstippen op of omstreeks 12 augustus 2025 te Zutphen, in elk geval in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld, door

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met een haspel, althans een hard voorwerp, op het gezicht en/of op het hoofd te slaan,

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met vuist op het hoofd en/of op de nek te slaan, waarbij zij ten val is gekomen,

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen tegen het lichaam te schoppen, waarbij zij ten val is gekomen, en/of

- die [slachtoffer] eenmaal of meermalen aan haar haren te trekken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

eendaadse samenloop van:

feit 1, subsidiair:

poging tot zware mishandeling

en

feit 2:

mishandeling

5
De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6
De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Overwegingen

7
De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient op deze straf in mindering te worden gebracht. Aan het voorwaardelijke deel dienen de bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld zoals geadviseerd door de reclassering.

Ook heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard, conform de bevindingen van de psycholoog van het NIFP. Daarnaast wordt verzocht om een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Voor een voorwaardelijk deel is geen ruimte meer over.

Voorts heeft de raadsman verzocht om aan verdachte geen GVM op te leggen, omdat – kort gezegd – de oplegging van een GVM in dit geval niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Indien de rechtbank voornemens is om de GVM wel aan verdachte op te leggen, wordt verzocht om een duur van maximaal drie jaar en een sanctie per overtreding van maximaal drie dagen op te leggen.

De raadsman heeft ten slotte verzocht om opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en mishandeling van [slachtoffer] , zijn ex-partner. Zij waren samen in het bedrijfspand van verdachte, waar zij hem zou helpen met de administratie. Nadat het gesprek op het onderwerp van het eventueel hervatten van hun relatie was gekomen, sloeg de sfeer om. Gedurende langere tijd heeft verdachte [slachtoffer] meermaals hard tegen haar hoofd geslagen met zijn vuisten en met een haspel, waardoor zij twee gebroken tanden en flinke zwellingen en bloeduitstortingen in het gezicht heeft opgelopen. Buurtbewoners hoorden haar gillen en huilen. Eén van hen trof haar onder het bloed aan langs de kant van de weg. Ter terechtzitting heeft [slachtoffer] de enorme impact onder woorden gebracht die de gebeurtenissen van die avond op haar leven hebben gehad en hoe zij nog iedere dag met de gevolgen wordt geconfronteerd, zowel fysiek als mentaal.

Bij de politie en de rechter-commissaris heeft verdachte meermaals beweerd dat [slachtoffer] het letsel aan zichzelf zou hebben toegebracht. Pas na een maand heeft hij (deels) openheid van zaken gegeven over zijn eigen handelen.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte. Daaruit volgt dat hij in de afgelopen vijf jaar vaker voor (soortgelijke) strafbare feiten is veroordeeld. In 2022 werd hij veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren voor mishandeling van zijn toenmalige partner.

Met betrekking tot de persoon van verdachte zijn meerdere rapportages opgemaakt. Uit de Pro Justitia-rapportage van de GZ-psycholoog van 3 november 2025 volgt dat bij verdachte sprake is van een voorgeschiedenis van psychotrauma naast vermijdende en dwangmatige persoonlijkheidskenmerken, een periodiek explosieve stoornis en partner-relatieproblemen. Bij de rapporteur is het beeld naar voren gekomen dat hiervan ook sprake was ten tijde van het tenlastegelegde. De pathologie bij verdachte heeft geleid tot beperkingen in het inzicht in en sturing op zijn handelen ten tijde van het tenlastegelegde, zonder dat gesproken kan worden van een allesbepalende invloed. Verdachte was zich – onder meer gegeven zijn voorgeschiedenis met huiselijk geweld – bewust van het risico op escalatie en had mogelijkheden om te kiezen voor de gedragsalternatieven die hij had geleerd. Zijn vermijdende persoonlijkheidskenmerken en de context van de complexe relatie met aangeefster hebben dergelijk adequaat handelen waarschijnlijk belemmerd. Vanuit de bij hem aanwezige periodiek explosieve stoornis lijkt verdachte ten tijde van het tenlastegelegde geen weerstand hebben kunnen bieden aan zijn agressieve impuls en was er sprake van een onvermogen om de agressieve impuls te beheersen. Aan de rechtbank wordt daarom in overweging gegeven om bij bewezenverklaring het ten laste in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Het risico op herhaling van een geweldsdelict wordt ingeschat als hoog indien er geen interventies worden ingezet. De beschermende factoren zijn op dit moment ondergeschikt aan de risicofactoren. Een complicerende factor is de mogelijkheid dat de partnerrelatie door aangeefster en verdachte wordt hervat. Dit verhoogt het risico op recidive en vraagt om directe en actieve begeleiding van de partnerrelatie. Ook in het geval verdachte een nieuwe partner krijgt is het zeer aan te bevelen directe begeleiding te bieden in het vormgeven van de relatie. Om het verhoogde risico op herhaling van het delict maximaal te kunnen terugdringen is behandeling van de pathologie nodig, waarbij aandacht wordt besteed aan het versterken van het zelfbeeld, de oplossingsvaardigheden, emotie-regulatievaardigheden en relatievaardigheden. De agressieproblematiek vindt zijn basis in de hardnekkige patronen van inadequate coping. Dergelijke patronen zijn niet eenvoudig te doorbreken en vragen om langdurige inspanning en begeleiding om tot blijvende gedragsverandering te komen. Aan de rechtbank wordt daarom in overweging gegeven om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een ambulante forensisch psychiatrische behandeling en toezicht door de reclassering. Daarbij kan worden overwogen om verdachte ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen om zo langer durend toezicht te kunnen houden op het risico op recidive en zo nodig aanvullende interventies in te zetten. Behandeling als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel is te verkiezen boven een vrijwillige behandeling. Een (ambulant) behandelkader als bijzondere voorwaarde kan een stok achter de deur bieden om goede voornemens om te zetten in feitelijk gedrag. Met het opleggen van een GVM wordt ook rekening gehouden met het gegeven dat verdachte gerecidiveerd is met huiselijk geweld, hetgeen een patroon doet vermoeden dat naar het inzicht van de psycholoog maakt dat een langer durend toezicht met mogelijkheden tot ingrijpen op de kans op herhaling op zijn plaats is.

Uit het rapport van de reclassering van 31 januari 2026 volgt dat de combinatie van de problemen van verdachte op het gebied van agressieregulatie en de triggers in de conflictueuze relatie met aangeefster als voornaamste delictgerelateerde factoren worden geduid. Beschermende factoren zijn de ontvankelijke en gemotiveerde houding van verdachte om aan de slag te gaan met zijn problematiek en het feit dat hij de relatie met aangeefster definitief heeft beëindigd. Verder schetst verdachte een beeld van een stabiele leefsituatie, waarbij het voortzetten van zijn werk in zijn autogarage op dit moment zijn grootste prioriteit betreft. Een locatieverbod met elektronische monitoring is niet uitvoerbaar gebleken, omdat aangeefster haar adresgegevens of woonplaats niet wenst te verstrekken, vanwege de angst dat verdachte dan achter haar nieuwe adres komt. Verdachte gaat echter akkoord met een contactverbod en benoemt geen aanleiding te zien om met aangeefster in contact te komen of haar op te zoeken. De risico’s op recidive en letsel worden ingeschat als gemiddeld. Het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden die gericht zijn op de aanpak van de risicofactoren, waaronder een meldplicht bij de reclassering met ambulante forensisch psychiatrische behandeling gericht op het versterken van het zelfbeeld, de oplossingsvaardigheden, de emotie-regulatievaardigheden en de relatievaardigheden. Daarnaast adviseert de reclassering, overeenkomstig het advies van het NIFP, een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) op te leggen om zo langer durend toezicht te kunnen houden op het risico op recidive en zo nodig aanvullende interventies in te zetten.

De op te leggen straf

Gelet op het advies van de psycholoog is de rechtbank van oordeel dat de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank is voorts, gelet op de aard en de ernst van het feit, de eerdere veroordeling voor huiselijk geweld en de zorgen die in de rapportages worden beschreven, van oordeel dat een (ambulante) behandeling van verdachte noodzakelijk is om te voorkomen dat het in de toekomst weer fout gaat. De rechtbank zal het advies van de GZ-psycholoog en de reclassering daaromtrent overnemen.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank verder gekeken naar de oriëntatiepunten voor de rechtspraak en straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de intensiteit en de duur van het geweld dat door verdachte is gebruikt, kijkt de rechtbank daarbij niet enkel naar het letsel dat het slachtoffer daadwerkelijk heeft opgelopen, maar ook naar het letsel dat verdachte met zijn vuisten en de haspel had kunnen veroorzaken.

Zoals hiervoor al opgemerkt is de rechtbank (anders dan de verdediging) van oordeel dat van een situatie als bedoeld in artikel 68 Sr geen sprake is, aangezien over het feit nog niet onherroepelijk is beslist . Wel is er sprake van eendaadse samenloop van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank zal daar bij de strafoplegging rekening mee houden.

Gezien de ernst van de feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel opleggen, zodat verdachte een flinke stok achter de deur heeft om de hieraan te verbinden voorwaarden na te komen en te voorkomen dat hij in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.

Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van

12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering, inclusief het contactverbod.

De tijd die verdachte al in verzekering heeft doorgebracht, zal in mindering worden gebracht op de straf. Gelet op het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde straf, zal de rechtbank het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

Door de officier is verder nog de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr gevorderd (GVM).

Gelet op het mogelijk ingrijpende karakter en de potentieel lange duur van het toezicht vergt de oplegging van de GVM volgens de Hoge Raad steeds een beoordeling van de individuele feiten en de omstandigheden van het voorliggende geval. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 38z Sr moet de rechter die de GVM oplegt onder meer een inschatting maken van het toekomstige recidiverisico, waarbij hij rekening houdt met het type delict (in het bijzonder of aan dat delict mogelijk een verhoogd recidiverisico kleeft), de omstandigheden waaronder dat is begaan en eventuele eerdere strafbare feiten.

Gelet op de bewezenverklaring en het door de reclassering geschetste recidiverisico, ziet de rechtbank in de onderhavige zaak onvoldoende aanleiding om tot oplegging van de GVM over te gaan. Ook de omstandigheid dat verdachte een keer eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsdelict rechtvaardigt oplegging van deze verstrekkende maatregel in de onderhavige zaak niet. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat aan verdachte bijzondere voorwaarden, inhoudende een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met slachtoffer, met een proeftijd van drie jaren worden opgelegd.

8
De beoordeling van de civiele vordering

[slachtoffer] heeft als benadeelde partij een vordering tot schadevergoeding ingediend. Zij vordert in totaal € 10.127,85 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert zij een bedrag van € 5.833,80 aan proceskosten. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het gedeelte van de vordering dat ziet op de toekomstige kosten voor tandheelkundige behandeling, nu deze kosten nog niet gemaakt zijn. Dit betreft zowel de gevorderde materiële schade ten bedrage van € 9.400,00 als de gevorderde proceskosten met betrekking tot het tandheelkundig advies ten bedrage van € 1.865,44.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten voor rechtsbijstand heeft de officier van justitie verzocht om deze toe te wijzen conform het gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken.

Ten aanzien van de overige materiële en immateriële schade stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het gedeelte van de vordering dat ziet op de toekomstige kosten voor tandheelkundige behandeling, dan wel dat het gevraagde bedrag aanzienlijk dient te worden gematigd. Om tot een exact schadebedrag te komen, wenst de verdediging een tegenonderzoek te laten plaatsvinden. Dit tegenonderzoek zal een onevenredige belasting veroorzaken van het strafproces, waardoor deze schade in een civiele procedure dient te worden beoordeeld. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om enkel de kostenposten 1 en 2 toe te wijzen, zoals vermeld op pagina 14 van het tandheelkundig advies.

Voor wat betreft de overige materiële schade heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de verdediging verzocht om het gevorderde bedrag te matigen tot een bedrag van € 2.000,00, omdat de bedragen genoemd in de Rotterdamse schaal niet in verhouding staan tot het onderhavige strafbare feit.

Ten aanzien van de gevorderde proceskosten voor rechtsbijstand heeft de verdediging de rechtbank verzocht om bij toewijzing het gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken te hanteren tot het bedrag behorende bij twee punten.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt dat uit de bewezenverklaring volgt dat verdachte tegen het gezicht en het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen. Als gevolg daarvan zijn bij haar twee voortanden afgebroken, waardoor zij meermaals de tandarts heeft moeten bezoeken. De vordering is voor wat betreft de tandartskosten die reeds zijn gemaakt niet betwist. Het gevorderde bedrag is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd, zodat het gevraagde bedrag van € 727,85 voor medische kosten zal worden toegewezen.

Voor wat betreft de gevorderde toekomstige kosten voor tandheelkundige behandelingen ten bedrage van € 9.400,00 is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van deze schadepost, mede gelet op de betwisting daarvan door de verdediging, een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Immateriële schade

Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde feiten immateriële schade heeft geleden, nu zij door het handelen van verdachte lichamelijk letsel heeft opgelopen. Door het geweld zijn bij haar twee voortanden afgebroken en heeft zij diverse bloeduitstortingen opgelopen, onder meer in haar gezicht.

Rekening houdend met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, gelet op de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en de bedragen die in de zogenaamde ‘Rotterdamse schaal’ worden geadviseerd voor dergelijk letsel, zal de rechtbank de immateriële schadevergoeding vaststellen op het gevorderde bedrag van € 4.000,00. Dat, zoals door de verdediging aangevoerd, de bedragen die worden genoemd in de Rotterdamse schaal in deze zaak niet in verhouding staan tot hetgeen bewezen kan worden verklaard, volgt de rechtbank niet. Het letsel aan het gezicht en de tanden van de benadeelde partij wordt immers niet betwist door de verdediging. En voor het verlies of de ernstige beschadiging van twee voortanden (zoals het geval bij de benadeelde partij), schrijft de Rotterdamse schaal een immateriële schadevergoeding van € 3.000,00 tot € 5.000,00 voor. De gevorderde schadevergoeding van de benadeelde partij ligt binnen die bandbreedte en komt de rechtbank ook redelijk voor.

Proceskosten

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.865,44 gevorderd aan proceskosten voor het opvragen van de medische informatie en het schrijven van het tandheelkundig advies. Gelet op de samenhang met de gevorderde toekomstige kosten voor tandheelkundige behandelingen en hetgeen de rechtbank daarover reeds heeft overwogen, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in dit deel van de vordering.

Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag van € 3.968,36 aan proceskosten gevorderd voor de rechtsbijstand van haar advocaat. Bij het beoordelen van dit onderdeel van de vordering houdt de rechtbank conform de lijn van de Hoge Raad rekening met de verschillen tussen werkzaamheden van advocaten in civiele procedures en de werkzaamheden die een rechtsbijstandsverlener in een voegingsprocedure moet verrichten. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding zal de rechtbank daarom aansluiten bij het gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken. Uit de pro forma nota van de rechtsbijstandverlener van de benadeelde partij blijkt dat er werkzaamheden zijn verricht voor het opstellen van de vordering en het bijwonen van de zitting. De rechtbank zal deze werkzaamheden waarderen op 2 punten.

De rechtbank zal het bijbehorende bedrag van € 864,00 toekennen ter zake van de proceskosten en zal het meer gevorderde afwijzen.

Conclusie

In totaal zal de rechtbank een bedrag toewijzen van € 727,85 aan materiële schade en € 4.000,00 aan smartengeld.

Verdachte is ten aanzien van de materiële schade wettelijke rente verschuldigd met ingang van de vervaldata van de onderliggende facturen:

over het bedrag van € 342,14 is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 oktober 2025;

over het bedrag van € 49,33 is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 8 oktober 2025;

over het bedrag van € 239,73 is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 20 november 2025;

over het bedrag van € 96,65 is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 17 september 2025.

Ten aanzien van de immateriële schade is verdachte wettelijke rente verschuldigd vanaf 12 augustus 2025.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

Ook zal de rechtbank een bedrag van € 864,00 toekennen voor de gemaakte proceskosten.

9
De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 96-283948-23)

De politierechter heeft verdachte op 28 november 2024 veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis en een voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft verzocht om de gevorderde tenuitvoerlegging van die straf af te wijzen, omdat deze niet passend is bij de ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen omdat deze is opgelegd in het belang van de verkeersveiligheid, terwijl het in de onderhavige zaak om een geheel ander rechtsbelang draait.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Gelet op de straf en de bijzondere voorwaarden die aan verdachte worden opgelegd, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van de taakstraffen op dit moment niet opportuun.

10
De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

11
De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten vijf (5) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

? stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- Meldplicht bij reclassering (na afspraak)

Verdachte meldt zich binnen twee werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16 A, 7201 ES Zutphen . Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- Ambulante behandeling

Verdachte laat zich behandelen door Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

- Contactverbod

Verdachte heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer] (geboren op [geboortedag] 1997), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

? stelt als overige voorwaarden dat verdachte:

- zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;

? geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

? beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

? wijst af het verzoek tot (onmiddellijke) opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis;

? heft op de voorlopige hechtenis met ingang van de dag dat de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht gelijk wordt gesteld aan de aan hem opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

? veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 727,85 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de aan die vordering ten grondslag liggende facturen, te weten:

vanaf 1 oktober 2025 ten aanzien van het bedrag van € 342,14;

vanaf 8 oktober 2025 ten aanzien van het bedrag van € 49,33;

vanaf 20 november 2025 ten aanzien van het bedrag van € 239,73; en

vanaf 17 september 2025 ten aanzien van het bedrag van € 96,65.

veroordeelt verdachte in verband met het bewezenverklaarde tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 4.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op € 864,00;

? verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade;

? legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 4.727,85 aan materiële schade/smartengeld. Voor het toegewezen bedrag van € 727,85 wordt dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de aan dat bedrag ten grondslag liggende facturen tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, te weten:

vanaf 1 oktober 2025 ten aanzien van het bedrag van € 342,14;

vanaf 8 oktober 2025 ten aanzien van het bedrag van € 49,33;

vanaf 20 november 2025 ten aanzien van het bedrag van € 239,73; en

vanaf 17 september 2025 ten aanzien van het bedrag van € 96,65.

Voor het bedrag van € 4.000,00 wordt dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2025 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 47 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

? bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

De beslissing ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 96-283948-23)

? wijst de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van 28 november 2024 voorwaardelijk opgelegde taakstraffen af parketnummer 96-283948-23).

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.A. Arts (voorzitter), mr. M.A. van Leeuwen en mr. S.W. van Kasbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.K. Verberkt, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 maart 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland opgemaakte proces-verbaal met proces-verbaalnummer 2025385846 (zaak Elba), gesloten op 19 december 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Voetnoot 2

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 19-21 en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 18 februari 2026.

Voetnoot 3

Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 19-21.

Voetnoot 4

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 50.

Voetnoot 5

Het Letselonderzoek en -verslag Forensische Geneeskunde GGD Oost Nederland, p. 156-168.

Voetnoot 6

Het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] ), p. 128-130, 137-139.

Voetnoot 7

Het proces-verbaal van bevindingen, aanvullend proces-verbaal, p. 7 en 11.

Voetnoot 8

Het proces-verbaal van bevindingen, aanvullend proces-verbaal, p. 3, 5-6

Voetnoot 9

Het rapport DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 190-191.

Voetnoot 10

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting op 18 februari 2026.

Voetnoot 11

Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 198.