1
De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
feit 1
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (zijn partner) [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever] een of meerdere malen- in een houdgreep heeft gehouden,- bij de keel en/of hals heeft vastgepakt, en/of- de keel en/of hals van die [aangever] dicht heeft gedrukt en/of dichtgeknepen, en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (zijn partner) [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] een of meerdere malen- in een houdgreep heeft gehouden,- bij de keel en/of hals heeft vastgepakt, en/of- de keel en/of hals van die [aangever] dicht heeft gedrukt en/of dichtgeknepen, en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te [woonplaats] zijn partner, [aangever] , heeft mishandeld door die [aangever] een of meerdere malen- in een houdgreep te houden,- bij de keel en/of hals vast te pakken, en/of- (vervolgens) de keel en/of hals van die [aangever] dicht te drukken en/of dicht te knijpen, en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen te houden;
feit 2
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te [woonplaats] zijn partner, [aangever] , heeft mishandeld door die [aangever]- een of meerdere malen op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of stompen, en/of- een of meerdere malen op/tegen het bovenlichaam en/of de armen, althans het lichaam te slaan en/of stompen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot doodslag zoals primair ten laste gelegd onder feit 1 en de tenlastegelegde mishandeling onder feit 2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 tenlastegelegde omdat de verklaringen van aangeefster niet betrouwbaar zijn en daarom moeten worden uitgesloten althans niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Zij heeft langere tijd geen aangifte willen doen tegen verdachte. Daarnaast kloppen de verklaringen van aangeefster op enkele punten niet en is zij van haar verklaring teruggekomen in een aantal overgelegde e-mailberichten. Ook heeft aangeefster verdachte meerdere malen na het tenlastegelegde bezocht en in een telefoongesprek aangegeven dat verdachte haar bij de keel moe(s)t pakken. De raadsvrouw heeft verder bepleit dat getuige [getuige 1] een stikkend geluid niet heeft kunnen horen. De getuige heeft in een latere verklaring ook aangegeven dat het niet heel heftig klonk. Daarbij blijkt uit het letselrapport niet dat er sprake is geweest van inwendig of levensbedreigend letsel. Het letsel is ook niet naar zijn uiterlijke verschijningsvorm levensbedreigend. Uit het dossier is verder niet gebleken dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op de dood van of zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster.
Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte bekend dat er sprake is geweest van huiselijk geweld, maar dat er slechts eenmaal is geslagen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank zal vanwege hun onderlinge samenhang de ten laste gelegde feiten gezamenlijk bespreken.
Bewijsmiddelen
Aangeefster [aangever] (hierna: aangeefster) heeft het volgende verklaard. Verdachte en aangeefster hadden vanaf 22 april 2022 een relatie. Op 5 augustus 2024 kreeg zij ruzie met verdachte. Verdachte eiste dat aangeefster op de bank ging zitten waarna zij dit deed. Daarna sloeg hij aangeefster meerdere keren in het gezicht op beide wangen met zijn vlakke hand. Toen zij verdachte weg probeerde te duwen greep verdachte haar bij haar keel met één hand. Dit was voldoende om haar hele keel dicht te knijpen. Aangeefster voelde veel angst. Toen verdachte aangeefster los liet had zij het idee dat ze naar adem moest snakken. Daarna kreeg aangeefster weer klappen in haar gezicht. Aangeefster stond op, maar verdachte gooide haar weer op de bank. Hij hield haar vast in een houdgreep en met zijn andere hand had hij haar keel vast. Het was langer dan de eerste keer. Aangeefster kreeg geen lucht en voelde het bloed naar haar hoofd stijgen. Verdachte liet haar keel pas los toen ze zei: je gaat het verleden niet herhalen toch. Zij had pijn aan haar keel, vooral wanneer ze haar hoofd naar links en rechts draaide. Zij had verder ook pijn aan haar ellenboog en beide armen. Daarnaast had zij pijn aan haar voet en liep zij mank. (Voetnoot 2)
Aanvullend heeft aangeefster verklaard dat verdachte haar heeft gesmeekt om te benoemen dat de plekken in haar nek zijn ontstaan door wurgseks. Verdachte heeft haar vaak gesmeekt hem te helpen uit deze situatie. Aangeefster heeft verklaard dat de plekken in haar nek niet zijn ontstaan door wurgseks. (Voetnoot 3)
Op 5 augustus 2024 is de politie in [woonplaats] ter plaatse gekomen bij de woning van aangeefster. Aangeefster heeft tegen de politie verklaard dat zij geen aangifte wilde doen omdat zij bang was voor het doen van een aangifte en niet als aangever in het dossier opgenomen wilde worden. Verder heeft zij verklaard dat verdachte haar keel heeft dichtgeknepen en haar meerdere malen met de vlakke hand heeft geslagen. (Voetnoot 4) Een verbalisant zag in de hals van aangeefster een schaafwond en verkleuring in haar nek. Hij zag op haar arm een schram en op beide armen verse rode plekken. Verbalisanten merken op dat zij de indruk hadden dat aangeefster bang was voor verdachte. (Voetnoot 5)
Er is het volgende letsel bij aangeefster vastgesteld. Een oppervlakkige huidbeschadiging in de hals (krasletsel), borst, linkeronderarm, rechterpink en linkerscheenbeen. Verder is er een bloeduitstorting geconstateerd halverwege de hals, op de rechter- en linkerborst, rechterschouder, rechterbovenarm, linkerschouder, linkeronderarm, linkerhandpalm, linkerbovenbeen, rechtervoetrug en hiel van de rechtervoet. (Voetnoot 6)
Een NRGD-arts heeft een algemene letselverklaring over de gevaarzetting van verwurging opgesteld. Hieruit blijkt dat er bij blauwe plekken, zere keel, heesheid en slikklachten door schade aan het strottenhoofd sprake is van een matige (ernstige) verwurging. Bij de ernstige verwurging is er sprake van een levensbedreigende verwurging waarbij bewusteloosheid en puntbloedingen optreden. (Voetnoot 7)
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat aangeefster hem die avond heeft gebeld dat verdachte was opgepakt. In dat telefoongesprek heeft aangeefster tegen getuige verteld dat verdachte haar bij haar keel heeft gepakt. (Voetnoot 8)
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij hoorde dat er een conflict gaande was bij zijn benedenburen. Hij hoorde luid geschreeuw. Hij had het gevoel dat zijn benedenbuurman aan het doordraaien was. (Voetnoot 9)
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij buiten het appartementencomplex liep en een vrouwenstem hoorde schreeuwen: ‘ Ga je mij nu slaan?’. Getuige hoorde geluiden dat leek op het slaan van een platte hand op iemands huid. Daarna hoorde de getuige dat de vrouw iets wilde zeggen, maar het leek alsof haar keel werd dichtgeknepen. Het klonk alsof de vrouw stikte. (Voetnoot 10)
Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster eenmaal met de vlakke hand op haar linkerwang heeft geslagen. (Voetnoot 11)
Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefster niet gebruikt mogen worden voor het bewijs omdat deze verklaringen onbetrouwbaar zijn.
Hoewel aangeefster meerdere malen (schriftelijk) heeft aangegeven niet te willen meewerken aan het doen van aangifte tegen verdachte, maakt niet dat de inhoudelijke verklaringen van aangeefster over het tenlastegelegde daarmee onbetrouwbaar of niet waarheidsgetrouw zijn. In de door de verdediging aangehaalde e-mailberichten blijkt wellicht dat aangeefster destijds niet wilde meewerken aan een vervolging van verdachte - omdat haar doel was dat verdachte de hulpverlening zou krijgen die hij nodig had - maar uit geen van deze e-mailberichten blijkt dat aangeefster terugkomt op de inhoud van haar verklaringen. Daarbij overweegt de rechtbank dat aangeefster direct na het tenlastegelegde tegenover de politie heeft verklaard dat zij door verdachte bij de keel is gegrepen en geslagen en wordt door de politie ter plaatse ook gezien dat zij letsel aan haar hals had, waarbij door de politie wordt opgemerkt dat het lijkt alsof aangeefster bang is voor verdachte. Diezelfde dag heeft zij tegenover de vader van verdachte verklaard dat verdachte haar bij de keel had gepakt. Later heeft aangeefster bij de rechter-commissaris verklaard dat zij bang was voor verdachte en hij haar had gesmeekt om hem te helpen om onder deze zaak uit te komen. Zij verklaart echter ook hier dat zij door verdachte is geslagen en hij haar tot twee keer toe heeft gewurgd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en consistent zijn. Ook worden de verklaringen van aangeefster ondersteund door zowel het bij aangeefster geconstateerde letsel als ook door de verklaring van getuige [getuige 1] voornoemd
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster betrouwbaar zijn en ook ondersteuning vinden in andere bewijsmiddelen. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
Conclusie
De rechtbank stelt op grond van voornoemde bewijsmiddelen vast dat verdachte aangeefster op 5 augustus 2024 in haar woning in [woonplaats] meerdere malen heeft gewurgd met één hand door haar keel vast te pakken en dicht te knijpen, haar in een houdgreep heeft gehad en haar meerdere malen heeft geslagen. De verwurging en het slaan wordt ondersteund door het letsel in de hals, het overige letsel van aangeefster en de verklaringen van getuige [getuige 3] , getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] . Getuige [getuige 1] heeft immers specifiek verklaard dat zij geluiden hoorde dat iemand stikte, geluiden hoorde dat iemand met de platte hand geslagen werd en dat een vrouwenstem zei: ‘Ga je mij nu slaan?’. Ook getuige [getuige 2] verklaart dat aangeefster hem na het tenlastegelegde heeft gebeld en aan hem heeft verteld dat verdachte haar bij de keel heeft gegrepen.
Feit 1: vrijspraak poging tot doodslag
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden hoe het handelen van verdachte moet worden gekwalificeerd.
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het procesdossier om te kunnen vaststellen dat verdachte het (volle) opzet heeft gehad om aangeefster te doden door haar te wurgen. De rechtbank kan dit ook niet in voorwaardelijke zin vaststellen. De rechtbank stelt vast dat verdachte aangeefster meerdere malen heeft gewurgd met één hand door haar keel vast te pakken en dicht te knijpen. Aangeefster had hoog in haar hals, onder haar kin oppervlakkige huidbeschadigingen (krasletsel) en een bloeduitstorting op haar hals. Aangeefster verklaarde dat zij het bloed naar haar hoofd voelde stijgen en geen lucht meer kreeg. Het dossier bevat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende informatie over onder meer de kracht, intensiteit en duur van het dichtknijpen van de keel en of deze combinatie een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Daarom is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat door het handelen van verdachte er sprake was van een aanmerkelijke kans op haar dood.
De primair ten laste gelegde poging tot doodslag kan daarom niet worden bewezen. De rechtbank zal verdachte dan ook daarvan vrijspreken.
Feit 1: poging tot zware mishandeling
De rechtbank komt vervolgens aan de vraag toe of verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster toe te brengen.
Uit de al beschreven gedragingen van verdachte, meer in het bijzonder het houden in de houdgreep en het tot twee keer toe dichtknijpen van de keel van aangeefster, kan worden afgeleid dat verdachte in ieder geval het voorwaardelijk opzet had om zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster toe te brengen. Aangeefster heeft verklaard dat zij na de eerste keer dat verdachte haar keel dichtkneep het gevoel had dat zij naar lucht moest happen. De tweede keer dat hij haar bij de keel greep kreeg zij geen lucht meer. Het was langer dan de eerste keer en zij voelde het bloed naar haar hoofd stijgen. Van voorwaardelijk opzet is sprake als verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een bepaald gevolg in zal treden. In dit geval was er een aanmerkelijke kans dat aangeefster door de verwurging zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. In de hals bevinden zich immers vitale organen zoals de luchtpijp en de halsslagaders. Door het meerdere keren dichtknijpen van de keel - dat leidt tot een zuurstofgebrek hetgeen hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben - heeft verdachte dus de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard.
De rechtbank acht daarom de subsidiair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2: mishandeling
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde mishandeling door meerdere malen op en/of tegen het hoofd van aangeefster te slaan op grond van de verklaringen van aangeefster, de beschrijvingen van haar letsel en de verklaringen van getuige [getuige 1] en verdachte zelf. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangeefster dat zij meermalen in het gezicht is geslagen door verdachte. Dat zij is geslagen op haar armen en bovenlichaam blijkt echter niet uit haar verklaringen, nu zij benoemt dat het geconstateerde letsel is ontstaan doordat zij door verdachte op de bank is geduwd. Verdachte zal van dit gedeelte dan ook worden vrijgesproken.
Artikel 304 Sr
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde strafverzwarende bestanddeel van artikel 304 Sr, te weten dat het misdrijf is begaan tegen zijn levensgezel. Er moet dan immers sprake zijn van een nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet dan gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om die conclusie te kunnen trekken, met name omdat aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte door meerdere incidenten niet meer samenwoonden,
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 subsidiair en onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
feit 1
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te [woonplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (zijn partner) [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [aangever] een of meerdere malen- in een houdgreep heeft gehouden,- bij de keel en/of hals heeft vastgepakt, en/of- de keel en/of hals van die [aangever] dicht heeft gedrukt en/of dichtgeknepen, en/of dichtgedrukt en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te [woonplaats] zijn partner, [aangever] , heeft mishandeld door die [aangever]- een of meerdere malen op/tegen het hoofd, althans het lichaam te slaan en/of stompen, en/of - een of meerdere malen op/tegen het bovenlichaam en/of de armen, althans het lichaam te slaan en/of stompen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Overwegingen
7
De overwegingen ten aanzien van straf en maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de maatregel TBS met dwangverpleging wordt opgelegd, ongemaximeerd, en een contactverbod met aangeefster conform artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 5 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat er onvoldoende grond is voor oplegging van TBS met dwangverpleging. Aan de wettelijke criteria is niet voldaan, een actuele psychopathologie ontbreekt en er zijn alternatieven voorhanden. De oplegging van een TBS maatregel is daarom disproportioneel en niet in lijn met de adviezen van de deskundigen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank houdt bij de beslissing over de straf en/of maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij rekening wordt gehouden met het strafblad van verdachte.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstige poging tot zware mishandeling en een mishandeling. Hij heeft zijn toenmalige partner gewurgd en geslagen. Dit is een zeer ernstig feit, zeker gelet op het verleden van verdachte. Verdachte is eerder veroordeeld voor doodslag van een vrouw, met wie hij eveneens een (seksuele) relatie had, door verwurging. Dat verdachte zich nadat zijn PIJ-maatregel was opgeheven, wederom schuldig maakt aan een (poging tot) verwurging van een partner is zeer zorgwekkend en zorgt voor een maatschappelijke schok in de samenleving.
Het slachtoffer van dit feit heeft op invoelbare wijze verwoord dat deze gebeurtenis haar tot op de dag van vandaag blijft achtervolgen. Zij ervaart herbelevingen en is in haar veiligheidsgevoel aangetast. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van zulke geweldsdelicten ernstig in hun veiligheidsgevoel zijn aangetast en hier langdurig negatieve effecten van ondervinden. Verdachte had zich bewust moeten zijn van de risico’s die hij liep bij het aangaan van een relatie en de problemen die zich vervolgens daarin voordeden en daar (meer) actie op moeten ondernemen. Dat verdachte geen openheid van zaken geeft, geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden, onvoldoende noodzaak tot behandeling ziet en volledig voorbij gaat aan de gevoelens van het slachtoffer rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte. Verdachte is in 2016 veroordeeld voor doodslag. Hij heeft een straf opgelegd gekregen van 24 maanden jeugddetentie en oplegging van de PIJ-maatregel. De PIJ-maatregel is voorwaardelijk beëindigd vanaf 6 april 2022.
De straf
Omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie zal de rechtbank de eis niet volgen en op een lagere straf uitkomen. Ondanks dat in zaken bij een voltooide zware mishandeling doorgaans gevangenisstraffen van minder lang dan na te melden duur worden opgelegd acht de rechtbank bij deze poging tot zware mishandeling een forse gevangenisstraf op zijn plaats. Gelet op de proceshouding van verdachte, het feit dat hij eerder een vrouw om het leven heeft gebracht door verwurging en zijn gebrek aan inzicht in zijn handelen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend en geboden.
TBS met dwangverpleging
De maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) kan door de rechter worden opgelegd als is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Dit houdt onder andere in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop een gevangenisstraf staat van vier jaar of meer of dat de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van de maatregel vereist. Als het gevaar voor recidive zodanig ernstig is dan kan ook worden vereist dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Voor oplegging van de TBS met dwangverpleging is ook vereist dat er een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht is uitgebracht. Als de verdachte, zoals in dit geval, weigert mee te werken aan het onderzoek dat noodzakelijk is voor het advies dan kan de eis van dit volwaardige multidisciplinaire onderzoek komen te vervallen. Maar het blijft vereist dat er vastgesteld moet worden dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling is oplegging van TBS niet mogelijk.
Het is aan de rechtbank om deze vaststelling te doen. Dit kan immers ook gebaseerd worden op conclusies en adviezen van deskundigen in opgestelde rapporten die niet zijn opgesteld in het kader van deze strafzaak. In het dossier bevinden zich verschillende rapporten die over verdachte zijn opgesteld wegens een eerdere strafzaak en oplegde PIJ-maatregel. Hoewel verdachte heeft geweigerd mee te werken aan de Pro Justitia rapportages, waaronder het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), is ook dit PBC rapportage in die vaststelling, naast de eerdere rapportages, van belang.
Het rapport van 25 januari 2022, opgesteld door GZ-psycholoog en klinisch psycholoog in het kader van verlenging van de PIJ-maatregel, bevat de volgende conclusies. De rapporteurs lichten toe dat er hard is gewerkt aan de kernproblematiek van verdachte, maar dat er nog behandelnoodzaak blijft op het gebied van controlebehoefte, het omgaan met machtsverhoudingen/afhankelijkheid. De kern van de problematiek bestaat uit een sterke behoefte aan het behouden van controle en regie in de interactie met anderen, als een manier om potentiële bedreigingen (van het zelfbeeld) en/of confrontatie met eigen kwetsbaarheden af te weren. Dit kan met name een risico vormen bij het aangaan van relaties in het algemeen, maar voornamelijk liefdesrelaties of seksuele relaties. Hoewel verdachte in de behandeling meer zicht heeft gekregen op zijn eigen grenzen en heeft geleerd deze tijdig aan te geven heeft hij nog niet de kans gehad om hiermee te oefenen. Ook blijft het respecteren van de grenzen van anderen een belangrijk aandachtspunt. Het is aannemelijk dat er vooral in intieme of seksuele relaties meer risico is op explosief gedrag.
De rapporteurs concluderen dat de diagnose andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken blijft staan. Hoewel de problematiek niet meer op de voorgrond staat, was er recent hiervan nog sprake waardoor de diagnose niet wegvalt.
De Pro Justitia rapportage van het PBC van 25 september 2025 bevat de volgende relevante conclusies. De rapporteurs concluderen dat de vastgestelde andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornissen met antisociale en narcistische trekken theoretisch niet zomaar verdwijnen. Nader onderzoek was door de weigering van verdachte mee te werken aan het onderzoek, niet mogelijk. Er lijkt sprake te zijn van een (beneden)gemiddelde intelligentie, maar niet in de mate dat opvallende forensische beperkingen worden vermoed. Doordat de rapporteurs niet hebben kunnen onderzoeken of bij verdachte sprake is van eventuele psychopathologie en of hij hierdoor werd beperkt in zijn gedragskeuzes ten tijde van de ten laste gelegde feiten, of verminderd in staat was zijn gedrag te controleren of te overzien, kan er geen antwoord gegeven worden op de in de rapportage gestelde vragen.
Op basis van bovengenoemde rapporten concludeert de rechtbank dat de diagnose dat verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken sinds het stellen van deze diagnose en heden in zijn kern niet is gewijzigd. De eerdere behandelingen in het kader van de PIJ-maatregel hebben wel enige verbetering, maar geen wezenlijke verandering bij verdachte teweeggebracht. De door verdachte gepleegde poging tot zware mishandeling door verwurging van zijn toenmalige partner sluit aan bij de in de rapporten geschetste problematiek, zijnde de moeite met het omgaan van machtsverhoudingen, de behoefte aan controle en regie in de interactie met anderen met name in een liefdesrelatie en gevaar voor explosief gedrag
Hieruit volgt dat de rechtbank vaststelt dat verdachte ten tijde van het delict leed aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken die ten tijde van het delict heeft doorgewerkt in het handelen van verdachte. Dit heeft ook een gevaar gevormd en vormt nog steeds gevaar voor de veiligheid van anderen, te weten voor degene met wie hij een (intieme) relatie aangaat en onderhoudt. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar.
De rechtbank stelt verder vast dat de onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling een misdrijf is als waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist. Hierbij heeft de rechtbank de ernst van het feit en de eerdere doodslag door verwurging in aanmerking genomen. Het is vanuit het oogpunt van veiligheid onverantwoord om verdachte met een dusdanig gevaar voor recidive onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. Omdat verdachte in deze zaak geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek, zijn alternatieven voor het opleggen van een TBS met dwangverpleging om zo het recidivegevaar te beperken onmogelijk gemaakt.
Er is tevens sprake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook niet in duur gemaximeerd.
Contactverbod
Ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen, zoals door aangeefster verzocht. Deze maatregel houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren geen – direct of indirect – contact legt met [aangever] (geboren op [geboortedag] 1995).
De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt één week per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
8
De beoordeling van de civiele vordering
De benadeelde partij [aangever] heeft in verband met de tenlastegelegde feiten een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Standpunten
De officier van justitie verzoekt toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de (eventuele) toekenning van de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de hoogte van de immateriële schadevergoeding.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen gelet op de verzochte vrijspraak.
Overweging van de rechtbank
Immateriële schadevergoeding
De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van immateriële schade in het geval dat er sprake is van één of meerdere categorieën te weten: de verdachte had het oogmerk het nadeel toe te brengen, de benadeelde partij heeft lichamelijk letsel opgelopen, de benadeelde partij is in zijn eer of goede naam geschaad en de benadeelde partij is op andere wijze in de persoon aangetast.
Om van de laatste categorie te spreken moet er sprake zijn van geestelijk letsel of een diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, persoonlijke integriteit of een fundamenteel recht.
De benadeelde partij heeft gesteld dat er sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze omdat er bij benadeelde sprake is van gediagnosticeerde complexe PTSS. Dit is onderbouwd met een verklaring van haar psycholoog. Uit deze verklaring blijkt dat benadeelde al in maart 2024 in therapie is gegaan, waarna de diagnose is gesteld. Dit is een aantal maanden voor het bewezenverklaarde dat heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2024. De rechtbank kan hierdoor niet vaststellen of het geestelijk letsel - de complexe PTSS - is ontstaan door het (tenlastegelegde) handelen van verdachte.
De rechtbank stelt op basis van het dossier wel vast dat benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen door het handelen van verdachte waardoor dit aan hem toe te rekenen is. Omdat er sprake is van één van de categorieën van artikel 6:106 BW heeft benadeelde recht op vergoeding van immateriële schade.
Bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de Rotterdamse Schaal bij de categorie ‘licht letsel’ en houdt rekening met de aard en de ernst van het feit. Gelet op de aard en ernst van het lichamelijk letsel stelt de rechtbank de immateriële schade vast op een bedrag van € 1.000,00.
De hoogte van de vastgestelde immateriële schade is gebaseerd op een andere grondslag (categorie uit artikel 6:106 BW) dan de categorie die de benadeelde partij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, omdat onvoldoende onderbouwd is dat het geestelijk letsel bij de benadeelde partij (mede) ontstaan is door het handelen van verdachte. Het zal een onevenredige belasting voor het strafproces opleveren om de benadeelde partij te verzoeken dit gestelde geestelijk letsel met stukken nader te (laten) onderbouwen. De rechtbank zal het overige deel van de vordering van de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering voorleggen aan een burgerlijk rechter.
Verdachte is vanaf 5 augustus 2024 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
Beslissing
? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;
? beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
? gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;
? legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende : een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende 5 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:
o [aangever] , geboren op [geboortedag] 1995.
? beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de
maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste één week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.
veroordeelt verdachte in verband met het primair onder feit 1 en onder feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 1.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
? verklaart de benadeelde partij [aangever] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot immateriële schade;
? legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 1.000,00 aan immateriële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 10 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Veldhuizen (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. A.J.H. Steenweg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Breed, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 april 2026.