Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2026:3060

Op 16 April 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 05/265303-24 ontneming, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:3060. De plaats van zitting was Zutphen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
05/265303-24 ontneming
Datum uitspraak:
16 April 2026
Datum publicatie:
20 April 2026

Indicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar, vanwege het medeplegen van meerdere Opiumwet-feiten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Tegenspraak

Parketnummer: 05/265303-24

Datum uitspraak : 16 april 2026

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem.

1
De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 400.149,25. Dit bedrag dient door drieën gedeeld te worden, waarmee het te ontnemen bedrag € 133.383,08 per persoon betreft.

2
De procedure

De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit berichten valt af te leiden dat verdachte olie heeft gekregen om zelf te verkopen, waardoor een bewezenverklaring van de feiten niet automatisch betekent dat verdachte voordeel heeft genoten. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bij de ontnemingsvordering onvoldoende rekening wordt gehouden met de kosten. Gelet op de notitie met de titel “ [titel] ” en de chatberichten bedragen de totale kosten volgens de verdediging € 390.553,60.

Overwegingen

3
De beoordeling van de vordering

De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 16 april 2026 tegen veroordeelde gewezen vonnis waarbij veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden ter zake van (onder meer):

medeplegen van het om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen,

- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of mede te plegen om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen;

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;

- voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De rechtbank heeft in het vonnis – kort gezegd - bewezen geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van Opiumwet-feiten en het voorhanden hebben van een hoeveelheid amfetamineolie. In het vonnis worden [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] als medeverdachten van veroordeelde genoemd.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat in de drugslabs ook daadwerkelijk synthetische drugs is geproduceerd en dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de volgende bewijsmiddelen. (Voetnoot 1) De rechtbank komt daarbij op een ander totaalbedrag dan de officier van justitie heeft gevorderd.

Op 25 april 2024 werd op de bovenverdieping van de loods aan [adres] in Wageningen een drugslab aangetroffen. In het lab stond onder andere een ronde langwerpige ketel waarop een koelbuis en roermotor waren bevestigd. Naast de ketel stonden speciekuipen gevuld met een vloeistof, met in elk een gasfles waarop een gasbrander met een gasslang bevestigd was. Er stonden gasflessen, dozen voor pre-precursoren, jerrycans, emmers, klemdekselvaten, scheitrechters, meerdere maatbekers en een 600 liter IBC. Verder waren hoeveelheden fosforzuur, mierenzuur, formamide en BMK in de loods aanwezig. (Voetnoot 2)

Uit het onderzoek van de Landelijke Faciliteit Ontmantelen (hierna: LFO) blijkt dat deze goederen en chemicaliën gebruikt worden bij de vervaardiging van (synthetische) drugs en/of precursoren. Er werden 20 lege dozen pre-precursor aangetroffen met een totaal verbruik van 500 kilogram. Daarmee kan 265 liter ruwe BMK en vervolgens 252 liter zuivere amfetamine olie worden geproduceerd. (Voetnoot 3) In het pand werd 19 liter amfetamineolie aangetroffen. (Voetnoot 4)

Ten aanzien van de periode en de opbrengst blijkt uit het dossier het volgende. Er is een huurovereenkomst ontvangen waaruit volgt dat [medeveroordeelde 2] de loods heeft verhuurd aan [medeverdachte] . Het huurcontract ging in op 1 oktober 2023. In de telefoon van [medeveroordeelde 1] is een video van 30 november 2023 en 1 december 2023 aangetroffen waarop te zien is dat de gasbranders onder de ketel actief branden. Gelet daarop is de productie in ieder geval vanaf 30 november 2023 gestart. Verder zijn drie video’s aangetroffen van 18 april 2024 waarop sterke rookontwikkeling en een persoon met een gasmaker en een handschoen te zien was. Hieruit blijkt dat de productielocatie in bedrijf was.

De rechtbank heeft in eerdergenoemd vonnis vastgesteld dat [medeveroordeelde 1] gebruik maakte van de naam [account naam] . In de telefoon van [medeveroordeelde 1] zijn berichten van 2 februari 2024 gevonden waarin hij onder deze naam stuurt dat hij alles gaat opruimen vanwege een controle door de gemeente, maar dat hij nog wel probeert af te maken waar hij mee bezig is en doorgaat met koken tot hij wat stoomliters heeft. Op 10 februari 2024 stuurt [medeveroordeelde 1] een bericht dat hij druk bezig is om alles weer in te richten op dezelfde plek. Uiteindelijk heeft op 9 februari 2024 een controle door de gemeente plaatsgevonden. De politie stelt daarom vast dat twee draaien werden gemaakt: één draai voor de controle en één draai na de controle. (Voetnoot 5)

Verder zijn berichten aangetroffen waaruit blijkt dat de zelf geproduceerde amfetamine olie werd verkocht. Op 1 februari 2024 stuurt [medeveroordeelde 1] : ‘maat heb straks laatste klant voor de laatste 7L wie ik heb staan’. Op 25 maart 2024 stuurt hij: ‘ja sporen niet maat maar wij gaan alles sparen en buitenlandse klanten wie nog beetje betalen gaan liters weg heb 1 die pakte elke week 20L 600 op de pof 1 klant elke 2 weken 35L 850 op de pot dat is nog leuk en dan 1 2 3 liters duitser die betalen tussen 1000/1250 voor losse liters dan is nog leuk’(Voetnoot 6)

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat in de periode van 1 oktober 2023 tot en met 24 april 2024 twee productiecycli van amfetamineolie hebben plaatsgevonden, waarbij per keer 252 liter amfetamineolie werd geproduceerd. Bij de ontdekking van het drugslab werd 19 liter amfetamineolie aangetroffen. De rechtbank gaat er van uit dat de geproduceerde en niet aangetroffen amfetamineolie is verkocht. Daarom wordt uitgegaan van de volgende berekening:

2 x 252 liter = 504 liter - 19 liter achtergebleven amfetamineolie = 485 liter amfetamineolie

Opbrengst

Er is in totaal 485 liter amfetamineolie geproduceerd en verkocht. In 2023 was de prijs van amfetamineolie € 949,50 per liter. In totaal bedraagt de opbrengst van het drugslab aldus 485 liter x € 949,50 = € 460.507,50.

Kosten

Bij de berekening van de kosten gaat de rechtbank uit van de benodigde chemicaliën en hardware. Ten aanzien van de kosten voor de grondstoffen sluit de rechtbank – anders dan de officier van justitie – aan bij vergelijkbare zaken en gaat zij uit van een bedrag van € 201,47 per liter amfetamineolie.

In de telefoon van [medeveroordeelde 1] is een notitie aangetroffen met de titel “ [titel] ”, waarin de volgende kosten voor de hardware worden genoemd:

hele ketelset ketel F1 ketel en stoom 108k

Dusty/kannen 75 uit pot

Tegels 40 uit pot

Kannen 70 uit pot

Gasvullen 920 uit eigen zak

Lasser/bezem/gord 230 uit pot.

Verder is in de telefoon van [medeveroordeelde 1] een gesprek aangetroffen waarin [medeveroordeelde 1] stuurt: (…) heb al roerde gehaald in Duitsland (…) niet zo duur 700.

De rechtbank stelt op basis van deze notitie en het bericht vast dat € 108.000,- is betaald voor de ketel, € 700 voor een roerder en een totaal van € 1.335,- voor dusty/kannen, tegels, kannen, gasvullen en lasser/bezem.

Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank rekening met de volgende kosten:

Kosten gebruikte grondstoffen € 201,47 x 485 liter = € 97.712,95

Kosten benodigde hardware = € 110.035,-

----------------- +

Totale kosten € 207.747,95

Voor zover door de raadsman is aangevoerd dat ook rekening gehouden dient te worden met de kosten voor de geplaatste wanden en de betaalde huur voor het pand, overweegt de rechtbank het volgende. Het plaatsen van wanden is niet noodzakelijk voor het produceren van amfetamineolie en staat daarom niet in rechtstreeks verband met het produceren van amfetamineolie. De rechtbank zal deze kosten daarom niet van de opbrengst aftrekken. Ook zal de rechtbank de kosten met betrekking tot de huur van het pand niet van de opbrengst aftrekken, omdat [medeveroordeelde 2] die door de rechtbank als medepleger is veroordeeld de eigenaar van het pand was.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

Het totaal wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt: € 460.507,50 - € 207.747,95 = € 252.759,55.

De rechtbank heeft in het voornoemde vonnis bewezen geacht dat sprake is geweest van medeplegen tussen [medeveroordeelde 1] , [medeveroordeelde 2] en [veroordeelde] . Het wederrechtelijk verkregen voordeel dient daarom door drie te worden gedeeld nu uit het dossier geen andere verdeling naar voren is gekomen. Het aandeel van [veroordeelde] komt daarmee op een bedrag van € 84.253,18.

4
De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

5
De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 84.253,18;

- legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van dit bedrag;

- bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 842 dagen.

Aldus gegeven door mr. A.T.G. van Wandelen (voorzitter), mr. J.M.J.M. Doon en mr. M.G.E. ter Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Hut, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 april 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek Nassau, nummer ON4R024052, gesloten op 21 mei 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Voetnoot 2

Proces-verbaal van bevindingen landelijke faciliteit ontmantelen, p. 575.

Voetnoot 3

Proces-verbaal landelijke faciliteit ontmantelen, p. 584.

Voetnoot 4

Proces-verbaal van bevindingen landelijke faciliteit ontmantelen, p. 575 en rapport NFI, p. 620-621.

Voetnoot 5

Proces-verbaal van bevindingen, p. 630-641.

Voetnoot 6

Proces-verbaal van bevindingen, p. 639.