Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2026:3191

Op 22 April 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 05/220106-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:3191. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
05/220106-25
Datum uitspraak:
22 April 2026
Datum publicatie:
22 April 2026

Indicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk voor bedreigingen en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De man vuurde met een Kalasjnikov AK-47 in totaal 25 kogels af op de toegangspoort van een woonerf en hij maakte zich schuldig aan bedreiging met de dood van twee politieagenten. Toepassing van het jeugdstrafrecht. Toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de agenten. De bewoners van de woning worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, omdat deze vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05-220106-25

Datum uitspraak : 22 april 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [plaats] .

Raadsman: mr. F.H.J. van Gaal, advocaat in Wijchen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1
De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt, gemeente Heumen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door

- een of meerdere afbeeldingen van [aangever 2] op de oprit achter te laten en/of

- een of meerdere malen (25 keer) met een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, kogels richting en/of op de woning en/of de toegangspoort tot het terrein waarop de woning staat af te vuren;

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Beuningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, op hen te richten;

3.

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt en/of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad

- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Kalasjnikov, type AK-47, kaliber 7.62 nato, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere kogelpatro(o)n(en) van het kaliber 7.62 nato.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs  (Voetnoot 1)

Ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 60-61;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 63-65;

- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 234-294;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 april 2026.

Ten aanzien van feit 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Nadat [verdachte] in Overasselt de poort van een woonerf had beschoten met een automatisch vuurwapen (AK-47) is hij bij [medeverdachte] in de auto gestapt en zijn zij weggevlucht. Op de snelweg zijn zij achtervolgd door de politie en uiteindelijk heeft [medeverdachte] het voertuig in Beuningen tot stilstand gebracht. Daar is [verdachte] vanaf de achterbank aan de rechterzijde van de auto uitgestapt. (Voetnoot 2) Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] stonden op enkele meters afstand van het voertuig. (Voetnoot 3)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 tenlastegelegde bedreiging van de politieagenten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring van dit feit.

Beoordeling door de rechtbank

Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat een jongen uit de auto stapte. Zij keek eerst op de zij-/achterkant van zijn lichaam. Plotseling draaide de jongen zich om en toen zag zij dat hij een vuurwapen in zijn handen had. Zij herkende dit wapen als een AK-47. De jongen had het wapen eerst naar beneden gericht, toen draaide hij zich om en in de beweging van het omdraaien zag zij dat hij het vuurwapen in hun richting bewoog. Daarna rende de man weg. (Voetnoot 4)

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat hij de jongen die uitstapte in eerste instantie op zijn rug en zijkant van zijn lichaam keek. Op dat moment zag hij dat de jongen een lang zwart vuurwapen, lijkend op een AK-47, verticaal vasthield. De jongen draaide rechts naar hen toe en richtte het vuurwapen vervolgens horizontaal op hen. De verbalisant heeft direct zijn vuurwapen getrokken. Op dat moment rende de jongen al weg. (Voetnoot 5)

[verdachte] heeft verklaard dat hij het vuurwapen niet bewust op de politieagenten heeft gericht.

De rechtbank overweegt dat het dossier geen bewijs bevat dat [verdachte] het vuurwapen op de verbalisanten heeft gericht met de bedoeling hen af te schrikken of op afstand te houden. Echter, hij zat in een auto die op korte afstand werd gevolgd door de politie. De politie had meerdere stopsignalen gegeven. Na overleg met de bestuurder is de auto gestopt met de bedoeling dat [verdachte] zou uitstappen. Op dit moment was [verdachte] zich dus bewust van de nabijheid van de politieagenten. [verdachte] is toen uit de auto gestapt met een AK-47 in zijn handen, waarmee hij kort daarvoor daadwerkelijk had geschoten, hetgeen ook bekend was bij de politieagenten. Terwijl hij zich omdraaide, is de loop van dit (enorme) wapen korte tijd op de politieagenten gericht geweest. Naar het oordeel van de rechtbank kon hierdoor bij hen de redelijke vrees ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. [verdachte] heeft, door zo te handelen, op z’n minst het voorwaardelijk opzet daarop gehad. Er is een aanmerkelijke kans dat de politie zich bedreigd zou voelen en [verdachte] heeft die kans bewust aanvaard door onder de genoemde omstandigheden met een dergelijk groot wapen in zijn handen de auto uit te stappen en zich naar de politie om te draaien.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat [verdachte] de verbalisanten heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. Nu niet is gebleken dat hij daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen niet bewezen.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 172;

- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 176;

- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict, p. 234-240;

- het proces-verbaal onderzoek wapen, p. 467-468;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] d.d. 19 januari 2026, p. 3, 6 (dit proces-verbaal is nagekomen en maakt geen onderdeel uit van het doorgenummerde dossier);

- de verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 8 april 2026.

3
De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt, gemeente Heumen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [aangever 1] , [aangever 2] en/of [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door

- een of meerdere afbeeldingen van [aangever 2] op de oprit achter te laten en/of

- een of meerdere malen (25 keer) met een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, kogels richting en/of op de woning en/of de toegangspoort tot het terrein waarop de woning staat af te vuren;

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Beuningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere politieambtenaren heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een (automatisch) vuurwapen, te weten een AK-47, op hen te richten;

3.

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt en/of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad

- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Kalasjnikov, type AK-47, kaliber 7.62 nato, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere kogelpatro(o)n(en) van het kaliber 7.62 nato;

en

hij op of omstreeks 28 juli 2025 te Overasselt en/of Beuningen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad

- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch geweer, van het merk Kalasjnikov, type AK-47, kaliber 7.62 nato, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en/of

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten één of meerdere kogelpatro(o)n(en) van het kaliber 7.62 nato.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feiten 1 en 2, telkens:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

en

medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5
De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6
De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Overwegingen

7
De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 420 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Hieraan dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie vordert daarnaast dat deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat toepassing moet worden gegeven aan het adolescentenstrafrecht. Een groot deel van de straf dient in voorwaardelijke zin te worden opgelegd met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van meerdere personen. Midden in de nacht is hij vanuit Amsterdam naar de andere kant van het land afgereisd om daar met een Kalasjnikov AK-47 in totaal 25 kogels af te vuren op de toegangspoort van een erf waarop zich onder meer een woning bevond. Dit is een zeer ernstig feit. Een woning is bij uitstek een plek waar bewoners zich veilig zouden moeten kunnen voelen. Het behoeft geen betoog dat een dergelijke schietpartij leidt tot sterke gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De rechtbank vindt het heel ernstig en zorgelijk dat verdachte zich heeft laten lenen voor het plegen van dit zeer gewelddadige feit en hij niet heeft gedacht aan de gevolgen van zijn handelen. Hij praatte zijn voorgenomen daad goed door zichzelf voor te houden dat er niks ergs zou gebeuren en er niemand gewond zou raken. Verdachte heeft deze klus welbewust aangenomen en liet zich daarbij slechts leiden door het geld dat hij hiermee zou kunnen verdienen om zijn lachgasverslaving te kunnen bekostigen.

Na de schietpartij is verdachte weer in de vluchtauto gestapt. Nadat de politie hen meerdere keren stoptekens had gegeven, is de bestuurder uiteindelijk in Beuningen gestopt. Daar is verdachte uit de auto gestapt met de Kalasjnikov AK-47 in zijn handen. Toen hij zich omdraaide, werd de AK-47 die hij vasthad korte tijd op twee politieagenten gericht. Hiermee heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan de bedreiging van deze twee agenten. Uit hun verklaringen volgt dat zij, volstrekt begrijpelijk, enorm zijn geschrokken. Zij waren bang dat zij na deze dienst niet veilig terug zouden keren bij hun gezinnen. Eén van de agenten zag zich zelfs genoodzaakt zijn vuurwapen te trekken en een schot te lossen. Uit de indrukwekkende slachtofferverklaring van de agente op de zitting volgt dat het feit heel veel impact op haar en haar omgeving heeft gehad en zij tot op heden haar werk nog niet volledig kan uitoefenen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

Verder is bewezenverklaard dat verdachte samen met de bestuurder een geladen Kalasjnikov AK-47 met munitie in de auto voorhanden heeft gehad. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en tast de veiligheid van de samenleving ernstig aan. Een dergelijk wapen dient geen ander doel dan anderen te bedreigen, te verwonden of te doden. In dit geval is ook gebleken dat het voorhanden hebben van een wapen kan leiden tot risicovolle situaties. Hiertegen dient dan ook streng te worden opgetreden.

Uit het strafblad van verdachte volgt dat hij eerder is veroordeeld voor een bedreiging.

De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies dat over verdachte is opgemaakt. Hieruit volgt dat sprake is van een beginnend delictpatroon ten aanzien van het plegen van geweldsdelicten. Ten tijde van het plegen van de feiten was sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Verdachte was verslaafd, was dakloos omdat zijn lachgasverslaving thuis tot te veel problemen had geleid en hij had geen dagbesteding waardoor het aan een goede basis ontbrak. Daarnaast had hij geen inkomen. Hij liet zich negatief beïnvloeden door zijn sociale netwerk en pleegde het feit om in zijn lachgasverslaving te kunnen voorzien. Daarbij liet verdachte zich leiden door zijn impulsen en hij dacht onvoldoende na over de consequenties van zijn handelen.

Tijdens zijn detentie heeft verdachte laten zien dat hij gemotiveerd is zijn leven op een positieve manier te veranderen. Inmiddels heeft hij stappen gemaakt om te komen tot een blijvende positieve gedragsverandering. Hij heeft afstand genomen van zijn netwerk, hij heeft zich tot het geloof gericht en is er inmiddels sprake van een prettig en steunend contact met zijn ouders. Hoewel verdachte nog een lange weg te gaan heeft, schat de reclassering – mede gelet op deze positieve stappen – de kans op herhaling in als gemiddeld.

Gelet op het feit dat verdachte nog geen 23 jaar was ten tijde van het plegen van de feiten – hij was net 21 – heeft de reclassering onderzocht of toepassing moet worden gegeven aan het adolescentenstrafrecht. Verdachte beschikt nog over beperkte handelingsvaardigheden. Hij overziet de gevolgen van zijn handelen nog onvoldoende en hij organiseert zijn gedrag maar beperkt zelfstandig. Ook kan hij impulsief reageren en hij lijkt nog in bepaalde mate beïnvloedbaar. Hij heeft nog niet eerder een traject bij de reclassering gehad. Volgens de reclassering sluit de aanpak van de jeugdreclassering het beste aan bij wat verdachte nodig heeft. Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen en aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden begeleiding door de jeugdreclassering, ambulante behandeling met de mogelijkheid tot kortdurende klinische opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contact- en locatieverbod, dagbesteding en beheersing van middelengebruik.

Gelet op voornoemde rapportage en wat verder uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting over de persoonlijkheid van verdachte is gebleken, zal de rechtbank het advies van de reclassering overnemen en het jeugdstrafrecht toepassen.

In de ernst van de feiten ziet de rechtbank aanleiding een hogere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegend acht de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk passend.

Dit voorwaardelijke deel dient ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en dient als drukmiddel om aan zijn persoonlijke ontwikkeling en toekomst te (blijven) werken. Hieraan verbindt de rechtbank de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contact- en locatieverbod.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een contactverbod met de medeverdachte en de slachtoffers van de bedreigingen en een locatieverbod voor Overasselt. Verdachte en zijn medeverdachte lijken elkaar niet te kennen en er zijn geen aanwijzingen dat zij contact met elkaar zullen opnemen. Ook bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat verdachte contact zal opnemen met de slachtoffers, dan wel dat hij zich in de toekomst in Overasselt zal bevinden.

Verdachte heeft zich ogenschijnlijk heel eenvoudig laten verleiden tot het uitvoeren van ernstige feiten. Kennelijk alleen om (met het geld dat hij daarmee zou verdienen) te kunnen voorzien in zijn verslaving. Hoewel het in detentie stukken beter lijkt te gaan met verdachte, heeft hij behandeling en begeleiding nodig om tot een blijvende gedragsverandering te komen. De rechtbank is van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte, zonder deze behandeling en begeleiding, weer een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal zij bevelen dat de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8
De beoordeling van de civiele vorderingen

[aangever 1] en [aangever 3] (feit 1)

De benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 3] hebben in verband met de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partijen vorderen € 206.351,00 aan materiële schade en ieder € 10.000,00 aan smartengeld, die zij als gevolg van de bedreiging zouden hebben geleden.

De materiële schade is opgebouwd uit de volgende schadeposten:

reparatiekosten poort, € 1.035,00;

vervangende huisvesting, € 13.423,00;

reiskosten, € 1.589,00;

beveiligingskosten, € 108.557,00

toekomstige beveiligingskosten, € 81.747,00.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er twijfels zijn ten aanzien van de gestelde schade met betrekking tot de kosten voor reparatie van de poort, maar dat de rechtbank hier gebruik zou kunnen maken van haar schattingsbevoegdheid. Voor het overige deel aan materiële schade/smartengeld heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen te verklaren. Daartoe is, kort gezegd, aangevoerd dat de schadeposten te summier zijn onderbouwd en niet uit te sluiten is dat bepaalde kosten ook met andere factoren (zoals eerdere sluitingen van het perceel) te maken hebbe. De behandeling van de vorderingen levert daarmee een onevenredige belasting voor het strafproces op.

De verdediging heeft ten aanzien van de materiële schade het volgende naar voren gebracht. Het is evident dat schade is ontstaan aan de poort door het handelen van verdachte. Er kunnen echter wel vragen worden gesteld bij de bijgevoegde factuur, die niet is gericht aan de benadeelden maar aan een bedrijf en die bovendien is opgesteld ruim nadat de poort blijkens het proces-verbaal van de politie al was gerepareerd. Daarom is verzocht hier, als tot toewijzing van dit gedeelte van de vordering wordt gekomen, gebruik te maken van de schattingsbevoegdheid. Ten aanzien van de overige materiële schadeposten is betwist dat sprake is van een rechtstreeks verband met het handelen van verdachte en verder is gesteld dat deze onvoldoende zijn onderbouwd. De behandeling van de vorderingen levert daarmee een onevenredige belasting voor het strafproces op.

Met betrekking tot de immateriële schade is verzocht deze te matigen tot een bedrag van

€ 1.000,00.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank overweegt dat de verdediging op veel punten verweer heeft gevoerd en gemotiveerd heeft betwist dat de benadeelden schade hebben geleden waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De rechtbank stelt vast dat een groot deel van de opgevoerde schadeposten (de vervangende huisvestingskosten, de reiskosten en de beveiligingskosten) voortvloeit uit de sluiting van de woning/het perceel door de burgemeester. Uit het dossier volgt dat er in het verleden meerdere incidenten zijn geweest bij de woning en uit openbare bronnen blijkt dat de woning als gevolg hiervan eerder gesloten is geweest. De huidige sluiting van de woning/het perceel lijkt niet alleen samen te hangen met het incident op 28 juli 2025, maar ook met de eerdere incidenten. Dit maakt dat niet eenvoudig vast te stellen is in hoeverre de gestelde schade het rechtstreeks gevolg is van het nu bewezenverklaarde feit.

Daarnaast heeft de verdediging terecht naar voren gebracht dat getwijfeld kan worden aan de juistheid van de in het geding gebrachte facturen die steeds door dezelfde persoon zijn ondertekend. Deze persoon, tevens vriend van de familie, lijkt te zijn opgetreden namens verschillende, niet eenvoudig te traceren bedrijven met uiteenlopende activiteiten die niet zonder meer verband lijken te houden met de diensten die zouden zijn verleend. Daarnaast is onder meer gebruik gemaakt van een KVK-nummer dat niet lijkt te corresponderen met de bedrijfsnaam op de factuur en bovendien is opvallend dat een Portugees bedrijf zou zijn ingeschakeld voor het leveren van beveiligingsdiensten in Nederland, waarbij nul procent BTW is gerekend.

Ook kunnen kanttekeningen worden geplaatst bij de factuur voor de reparatiewerkzaamheden aan de poort door een lasbedrijf. Deze factuur is gedateerd op 12 december 2025 en uit het proces-verbaal van de politie volgt dat de metalen onderbalk van de poort op 17 november 2025 al was gerepareerd. Ook is deze factuur, waarin de reparatiekosten niet nader zijn gespecificeerd, gericht aan het bedrijf [bedrijf] , zodat niet zonder meer kan worden vastgesteld of deze factuur ziet op door benadeelden geleden schade.

Verder stelt de rechtbank vast dat, ondanks een verzoek daartoe, betalingsbewijzen van de verschillende facturen zijn uitgebleven.

Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat vraagtekens kunnen worden gezet bij de vorderingen als geheel. Onderzoek naar de vragen welk deel van de gevorderde schade benadeelden als gevolg van het bewezenverklaarde feit hebben geleden en welke kosten ook daadwerkelijk zijn betaald door benadeelden, vergt nader onderzoek en daarvoor is in het strafgeding geen plaats. Dit zou een onevenredige belasting van het strafproces opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen tot vergoeding van de materiële schade verklaren. Zij kunnen deze vorderingen nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Smartengeld

De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat:

verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen,

de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen,

de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of

de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast.

Namens de benadeelden partijen is naar voren gebracht dat verdachte met de bedreiging het oogmerk zou hebben gehad de benadeelden nadeel toe te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan echter geen sprake, nu uit het dossier niet volgt dat het oogmerk van de verdachte hierop was gericht. Uit het dossier, en dan met name de bij de poort achtergelaten foto’s, lijkt juist te volgen dat de bedreiging was gericht tegen hun zoon die op hetzelfde erf woont. Het oogmerk, zoals bij deze civiele grondslag wordt bedoeld, dient te worden onderscheiden van het opzet, zoals bij de bewezenverklaring van belang is.

De rechtbank overweegt verder dat van een aantasting in de persoon 'op andere wijze' in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon 'op andere wijze' sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de aangeleverde uitdraaien van het consult van [aangever 1] en [aangever 3] bij de huisarts in februari 2026 onvoldoende om het gestelde geestelijk letsel te onderbouwen.

De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid best aan te nemen is dat een feit als het onderhavige, waarbij met een automatisch wapen op de toegangspoort van een woonerf is geschoten, gelet op de aard en ernst van de normschending leidt tot immateriële schade bij de bewoners. In dit geval ziet de rechtbank echter contra-indicaties in de verklaringen die de benadeelde partijen zowel direct na het feit als enige tijd later over de gevolgen daarvan hebben afgelegd. In deze verklaringen gaven zij zeer expliciet en bij herhaling aan zich niet bedreigd te voelen door het incident en hiervan geen last van te hebben. Zo verklaarde [aangever 1] onder meer: “Het is natuurlijk niet leuk dat dat gebeurd is, maar het is ook niet zo dat ik zeg van, ik word er bang van ofzo. Nee, dat niet. Nee.” En [aangever 3] : “Ja eigenlijk precies hetzelfde.” En: “We hebben eigenlijk allemaal wel zoiets van: dit is gewoon treiteren.” Dat deze expliciete verklaringen niet overeenkomstig de waarheid zouden zijn geweest of dat de mentale situatie inmiddels gewijzigd is, zoals ter zitting naar voren is gebracht door de advocaat, is onvoldoende onderbouwd.

Bij dit oordeel betrekt de rechtbank verder dat dit incident niet op zichzelf lijkt te staan en speelt tegen de achtergrond van eerdere incidenten. Voor de rechtbank is daarmee onduidelijk gebleven wat precies de mentale gevolgen zijn geweest van dit specifieke incident bij de benadeelden.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen tot immateriële schadevergoeding onvoldoende zijn onderbouwd. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen verklaren. Zij kunnen de vorderingen nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

[verbalisant 2] en [verbalisant 1] (feit 2)

De benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] hebben in verband met de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging een vordering tot schadevergoeding ingediend. [verbalisant 2] vordert een bedrag van € 3.000,00 aan smartengeld en [verbalisant 1] vordert een bedrag van € 5.000,00 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden toegewezen.

Overweging van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde schade hebben geleden die binnen de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt.

Door de bedreiging met een automatisch vuurwapen heeft [verbalisant 1] immers geestelijk letsel opgelopen. Op het moment dat verdachte voor haar stond met de AK-47 was zij bang dat zij deze dienst mogelijk niet zou overleven. Als gevolg van het feit sliep zij slecht en zij had last van nachtmerries en herbelevingen. Er is bij haar PTSS vastgesteld waarvoor zij traumatherapie volgt. Tot op heden kan zij het door haar zo geliefde beroep nog niet volledig uitoefenen.

Ten aanzien van [verbalisant 2] stelt de rechtbank vast dat de benadeelde op andere wijze in de persoon is aangetast. Toen verdachte de AK-47 op hem richtte zag hij zich genoodzaakt zijn vuurwapen te trekken en een schot te lossen. Hij vreesde op dat moment voor zijn leven. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een zeer ernstige normschending, waarvan de nadelige gevolgen voor benadeelde zo voor de hand liggen dat ook zonder onderbouwing met stukken kan worden aangenomen dat de benadeelde door het bewezenverklaarde handelen van verdachte op andere wijze in de persoon is aangetast en schade is ontstaan.

Het voorgaande is aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld ten aanzien van [verbalisant 1] op het gevorderde bedrag van € 5.000,00 vaststellen en ten aanzien van [verbalisant 2] op het gevorderde bedrag van € 3.000,00.

Verdachte is vanaf 28 juli 2025 wettelijke rente over de toegewezen bedragen verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partijen toegewezen bedrag aan de Staat te betalen.

9
De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen:

- 36 f, 47, 77c, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 285 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

10
De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de hierna te melden voorwaarden:

stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, indien en zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;

- verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Tactus verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de jeugdreclassering, indien en zolang de jeugdreclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op verslavingsproblematiek en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

Indien sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

- verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de jeugdreclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat deze instelling in overleg met de jeugdreclassering opstelt;

- verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk, vrijetijdsbesteding of school, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het middelengebruik en/of het gebruik te leren beheersen, zolang de jeugdreclassering dit nodig vindt. Deze controles bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd;

? stelt als overige voorwaarden dat:

verdachte meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

verdachte meewerkt aan toezicht door de jeugdreclassering, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden op afspraken met de jeugdreclassering zo vaak en zolang de jeugdreclassering dat nodig vindt;

? geeft opdracht aan de Reclassering Leger des Heils tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarden en tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;

? beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

? beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;

? verklaart de benadeelde partijen [aangever 1] en [aangever 3] niet-ontvankelijk in de vorderingen tot materiële schade/smartengeld;

veroordeelt verdachte in verband met het feit onder 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen [verbalisant 2] en [verbalisant 1] van de volgende bedragen aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en de kosten die de benadeelde partijen mogelijk nog moeten maken om de te noemen bedragen betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

Benadeelde partij Bedrag Wettelijke rente

1. [verbalisant 2] € 3.000,00 28 juli 2025 2. [verbalisant 1] € 5.000,00 28 juli 2025

? legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de volgende benadeelde partijen de hier na te noemen bedragen aan smartengeld te betalen. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf genoemde datum tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als het bedrag niet wordt betaald, kan gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

Benadeelde partij Bedrag Gijzeling

1. [verbalisant 2] € 3.000,00 30 dagen 2. [verbalisant 1] € 5.000,00 50 dagen

? bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partijen in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Vogel (voorzitter), mr. J.M. Graat en mr. M.C. Gerritsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 april 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, onderzoek HENGEL / ON5R025057, gesloten op 1 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Voetnoot 2

Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 april 2026.

Voetnoot 3

Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 1] , p. 101; proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 2] , p. 108.

Voetnoot 4

Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 1] , p. 99-103.

Voetnoot 5

Proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 2] , p. 107-110.