Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2026:4310

Op 26 May 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 05.259686.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:4310. De plaats van zitting was Zutphen.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
05.259686.25
Datum uitspraak:
26 May 2026
Datum publicatie:
1 June 2026

Indicatie

Aanranding van twee slachtoffers. Verdachte heeft met zijn handelen de levens van een, destijds, 10-jarig meisje en 20-jarige jonge vrouw drastisch veranderd.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf voor 150 uren voor ontucht met een minderjarige, aanranding van iemand beneden de twaalf jaren en feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05.259686.25

Datum uitspraak : 26 mei 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1956 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. N.R. Pronk, advocaat in Putten.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1
De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2023 tot en met 30 juni 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het over de kleding aanraken en/of betasten van en/of drukken op de vagina en/of schaamstreek van die [minderjarige] en/of

- het over en/of onder de kleding aanraken en/of betasten van de borsten en/of buik en/of benen van die [minderjarige] ;

2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 7 november 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, met een aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het over de kleding aanraken en/of betasten van en/of drukken op de vagina en/of schaamstreek van die [minderjarige] en/of

- het over en/of onder de kleding aanraken en/of betasten van de borsten en/of buik van die [minderjarige] ,

en welke aanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- achter die [minderjarige] te gaan staan en/of zitten en/of die [minderjarige] om te draaien, althans die [minderjarige] met haar rug tegen zijn, verdachtes, buik aan te drukken en/of houden en/of

- die [minderjarige] vast te pakken en/of vast te houden bij de heupen en/of tussen de benen en/of

- een of meer handen in het shirt/topje van die [minderjarige] te brengen en/of

- tegen die [minderjarige] te zeggen dat het hun geheimpje was, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [minderjarige] hiermee te overrompelen en/of

- misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of geestelijke overwicht op die [minderjarige] ,

terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit een beroep of een gewoonte heeft gemaakt;

3

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2023 tot en met 1 april 2023 te [woonplaats] , althans in Nederland, [aangever] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen door

- achter die [aangever] te gaan staan en/of

- de borst van die [aangever] vast te pakken, althans zijn, verdachtes, hand op de borst van die [aangever] te leggen en/of

- ( nadat die [aangever] was omgedraaid) die [aangever] op de mond te kussen, althans zijn, verdachtes, gezicht/mond in de richting van het gezicht/de mond van die [aangever] te bewegen en/of

- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] hiermee te overrompelen en/of

- misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of geestelijke overwicht op die [aangever] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs  (Voetnoot 1)

Ten aanzien van feiten 1 en 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het over de kleding aanraken en/of betasten van en/of drukken op de vagina en/of schaamstreek van die [minderjarige] niet bewezen kunnen worden en, ten aanzien van feit 1, dat er enkel bewijs is voor de zomerperiode vanaf juli 2024 en er geen sprake was van een ‘gewoonte maken’. Verder was er geen sprake van geweld of bedreiging met geweld, hooguit van dwang middels een andere feitelijkheid.

Beoordeling door de rechtbank

Aangifte en verklaring van [minderjarige]

Namens de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 (Voetnoot 2), heeft haar vader aangifte gedaan van aanranding door verdachte bij verdachte thuis. Verdachte is de oom van de moeder van [minderjarige](Voetnoot 3) noemde verdachte ‘ome [verdachte] ’. (Voetnoot 4) Verdachte woont in [woonplaats](Voetnoot 5)

De verdachte betwist de betrouwbaarheid van [minderjarige] in zijn algemeenheid niet en is in zoverre een bekennende verdachte. Verdachte betwist haar verklaring wel voor zover die inhoudt dat verdachte [minderjarige] zou hebben aangeraakt, betast aan of hebben gedrukt op de vagina/schaamstreek en met betrekking tot de periode en het aantal keer dat de aanrandingen zouden hebben plaatsgevonden.

De tenlastegelegde ontuchtige/seksuele handelingen

Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij [minderjarige] heeft gekieteld op de buik en haar vervolgens met zijn handen op de blote huid onder het topje bij haar borsten heeft aangeraakt. Dit was naar eigen zeggen fout en had hij niet moeten doen. (Voetnoot 6)

Verdachte ontkent dat hij [minderjarige] bij de schaamstreek of vagina zou hebben aangeraakt. Volgens verdachte heeft hij [minderjarige] uitgelegd hoe zij moest darten en daarbij haar been bij de knie aangeraakt om deze in de juiste positie te zetten.

In het informatieve gesprek op 8 november 2024 en bij de aangifte op 8 mei 2025 is door [minderjarige] en haar vader niet verklaard over het aanraken bij de vagina of schaamstreek. Ook de moeder van [minderjarige] – aan wie [minderjarige] als eerste heeft verteld wat er was gebeurd – heeft op 14 mei 2024 daarover niet verklaard.

Wel wordt in die verklaringen gesproken over het aanraken tussen de benen. De moeder van [minderjarige] heeft verklaard dat [minderjarige] daarbij de binnenkant van haar bovenbeen aanwees.

Pas tijdens het studioverhoor op 20 mei 2025 heeft [minderjarige] verklaard dat verdachte haar op haar ‘musi’, waarmee je kunt plassen, aanraakte en erop drukte. [minderjarige] heeft verklaard dat dit vaker dan tien keer is gebeurd.

Om tot een bewezenverklaring van een onderdeel in de tenlastelegging te komen moet sprake zijn van voldoende wettig bewijs en moet de rechtbank van dit bewijs overtuigd zijn. Voor wat betreft het gedachtestreepje in de tenlastelegging dat ziet op het aanraken, betasten en/of drukken van/op de vagina en/of schaamstreek bestaat gelet op het voorgaande bij de rechtbank twijfel. De rechtbank is daarom onvoldoende overtuigd om tot een bewezenverklaring te komen van het aanraken, betasten en/of drukken van/op de vagina en/of schaamstreek te komen.

Dat verdachte [minderjarige] op haar buik en borsten heeft aangeraakt en betast en dat dit ontuchtige/seksuele handelingen waren heeft verdachte bekend. Voor de rechtbank wordt het ontuchtige/seksuele karakter nog extra bevestigd doordat verdachte volgens [minderjarige] de laatste keer zou hebben opgemerkt “Je krijgt al een beetje borsten” en een of twee keer zou hebben opgemerkt tegen [minderjarige] dat het “hun geheimpje” was. (Voetnoot 7)

Periode

Verdachte wordt verweten dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [minderjarige] in de periode van 1 november 2023 tot en met 7 november 2024. Vanwege de invoering van de Wet Seksuele Misdrijven op 1 juli 2024 is dit ten laste gelegd in twee feiten. Feit 1 ziet op de periode dat het oude recht nog gold, feit 2 ziet op het nieuwe recht.

Verdachte bekent dat hij ontuchtige handelingen met [minderjarige] heeft gepleegd in de zomer van 2024. (Voetnoot 8) Verdachte lijkt daarmee het onder 1 tenlastegelegde feit te ontkennen.

[minderjarige] heeft niet duidelijk kunnen verklaren over wanneer de ontuchtige handelingen zijn begonnen. Aan haar moeder heeft zij verteld dat het al een jaar duurde, maar als haar moeder doorvroeg over preciezere herinneringen gaf [minderjarige] aan dat het een gevoel was. (Voetnoot 9)

In het studioverhoor heeft [minderjarige] verklaard dat het een jaar of anderhalf jaar bezig was. In ieder geval heel erg lang. Zij verklaart meerdere keren dat verdachte zijn hand onder haar shirt, hemdje of topje deed. Slechts één keer verklaart [minderjarige] dat verdachte dit deed toen zij een trui aan had. Dit was echter bij de laatste keer dat het gebeurde.  (Voetnoot 10)

De door [minderjarige] beschreven kledingstukken geven aanleiding te veronderstellen dat de ontuchtige handelingen niet in de herfst en winter van 2023/2024 hebben plaatsgevonden. Wel gaat de rechtbank er gelet op haar verklaring dat het heel lang duurde en haar gevoel dat het een jaar of anderhalf jaar heeft geduurd uit van een langere periode dan vanaf 1 juli 2024.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ontuchtige handelingen heeft gepleegd in de periode van 1 mei 2024 tot en met 7 november 2024.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het deel van het onder 1 tenlastegelegde feit dat ziet op de periode vóór 1 mei 2024.

Aan waakzaamheid toevertrouwd

[minderjarige] heeft verklaard dat [verdachte] aan haar zat als er geen anderen bij waren. (Voetnoot 11) Op de zitting heeft verdachte dit bevestigd. (Voetnoot 12) Verdachte heeft verklaard dat het tenlastegelegde gebeurde als hij met [minderjarige] de dieren aan het voeren was. (Voetnoot 13) Verdachte was de oudoom van [minderjarige] en het speelde zich af in de periode dat [minderjarige] 10 en 11 jaar oud was. Zij was alleen bij hem thuis en hielp met het voeren van de dieren. Hieruit volgt dat zij tijdens het tenlastegelegde aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd.

Dwang, geweld en/of bedreiging (ten aanzien van feit 2)

Niet ter discussie staat dat geen geweld of bedreiging heeft plaatsgevonden.

[minderjarige] heeft verklaard dat verdachte iedere keer deed alsof hij haar een knuffel wilde geven. Hij draaide haar om en dan ging hij met zijn hand onder haar shirtje en dan ook onder haar hemdje. Het begon met dat hij alleen bij haar buik bleef. Iedere keer als het gebeurde dacht zij de hele tijd: alsjeblieft laat het stoppen.

Hij heeft ook één of twee keer gezegd: het is ons geheimpje.

Over de laatste keer heeft [minderjarige] verklaard dat verdachte vroeg of zij wat wilde drinken. Toen ging hij op een stoel zitten en drukte hij haar zo meteen naar hem toe. Hij drukte met beide handen net onder haar borsten terwijl zij wegliep en pakte haar bij haar heupen, waardoor zij met haar rug tegen zijn buik aankwam. Toen ging hij onder haar shirtje. (Voetnoot 14)

De rechtbank is van oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij op [minderjarige] had, voortvloeiend uit het leeftijdsverschil van 57 jaar, met het daarbij behorende fysieke en geestelijke overwicht en de familiaire relatie van oudoom-nichtje.

Hij heeft [minderjarige] onverhoeds vastgepakt, haar bij de heupen naar zich toegetrokken en is onder haar kleding al kietelend steeds verder gegaan.

Gelet op dit alles acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ontuchtige handelingen voorafgegaan, vergezeld en gevolgd door dwang heeft begaan.

Beroep of gewoonte

De rechtbank acht bewezen dat verdachte over een periode van 6 maanden met [minderjarige] ontuchtige handelingen heeft gepleegd. Dit vond (veelal) plaats tijdens het voeren van de dieren als er niemand anders bij was. De aanrakingen begonnen met een knuffel en/of kietelen op de buik en verdachte ging daarbij steeds verder omhoog onder het topje van [minderjarige] . Weliswaar lopen de verklaringen tussen verdachte en [minderjarige] uiteen over hoe vaak dit heeft plaatsgevonden, maar zelfs uitgaande van hetgeen verdachte heeft bekend (vier of vijf keer (Voetnoot 15)), levert dit naar het oordeel van de rechtbank al op dat er sprake is van een gewoonte maken van het onder feit 2 tenlastegelegde. De rechtbank weegt hierbij in het bijzonder de omstandigheden waaronder verdachte handelde (bij verdachte thuis en als er niemand anders bij was) mee.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [minderjarige] heeft aangeraakt, gedrukt of betast bij haar vagina of schaamstreek. Voor dat deel van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal verdachte worden vrijgesproken.

Wel is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voor het overige het onder 1 – vanaf 1 mei 2024 – en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , p. 73-74;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.

3
De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2023 1 mei 2024 tot en met 30 juni 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, met een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het over de kleding aanraken en/of betasten van en/of drukken op de vagina en/of schaamstreek van die [minderjarige] en/of

- het over en/of onder de kleding aanraken en/of betasten van de borsten en/of buik en/of benen van die [minderjarige] ;

2

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 7 november 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland, met een aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [minderjarige] ,

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten

- het over de kleding aanraken en/of betasten van en/of drukken op de vagina en/of schaamstreek van die [minderjarige] en/of

- het over en/of onder de kleding aanraken en/of betasten van de borsten en/of buik van die [minderjarige] ,

en welke aanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door

- achter die [minderjarige] te gaan staan en/of zitten en/of die [minderjarige] om te draaien, althans die [minderjarige] met haar rug tegen zijn, verdachtes, buik aan te drukken en/of houden en/of

- die [minderjarige] vast te pakken en/of vast te houden bij de heupen en/of tussen de benen en/of

- een of meer handen in het shirt/topje van die [minderjarige] te brengen en/of

- tegen die [minderjarige] te zeggen dat het hun geheimpje was, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [minderjarige] hiermee te overrompelen en/of

- misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of geestelijke overwicht op die [minderjarige] ,

terwijl hij, verdachte, van het plegen van dit feit een beroep of een gewoonte heeft gemaakt;

3

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2023 tot en met 1 april 2023 te [woonplaats] , althans in Nederland, [aangever] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen door

- achter die [aangever] te gaan staan en/of

- de borst van die [aangever] vast te pakken, althans zijn, verdachtes, hand op de borst van die [aangever] te leggen en/of

- ( nadat die [aangever] was omgedraaid) die [aangever] op de mond te kussen, althans zijn, verdachtes, gezicht/mond in de richting van het gezicht/de mond van die [aangever] te bewegen en/of

- voornoemde ontuchtige handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] hiermee te overrompelen en/of

- misbruik te maken van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en/of het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en/of geestelijke overwicht op die [aangever] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring cursief verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

ontucht plegen met een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

feit 2:

aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang, geweld of bedreiging

feit 3:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

5
De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6
De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Overwegingen

7
De overwegingen ten aanzien van straf

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat een taakstraf, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij bijzondere voorwaarden, passend en geboden is.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft met zijn handelen de levens van een, destijds, 10-jarig meisje en 20-jarige jonge vrouw drastisch veranderd. Beide slachtoffers hebben verklaard lange tijd, en in het geval van [minderjarige] nog steeds, ernstig last te hebben (gehad) van wat verdachte hen heeft aangedaan.

[minderjarige] leerde pas net op school over de pubertijd en seksualiteit en kreeg zo in de gaten dat wat verdachte deed niet door de beugel kon.

Verdachte is vele malen ouder dan [minderjarige] en [aangever] en had een groot overwicht op hen. Hij is de oudoom van [minderjarige] en de vader van de beste vriendin van [aangever] . Zij vertrouwden hem en verdachte heeft dit vertrouwen op zeer ernstige wijze geschaad.

Verdachte had aan [aangever] en haar familie beloofd in therapie te gaan. Dat heeft hij in eerste instantie niet gedaan. Pas nadat hij ook [minderjarige] had aangerand en ook dit bekend werd, heeft verdachte geprobeerd te achterhalen waarom hij dit doet. Verdachte heeft lange tijd therapie gevolgd om een achterliggende reden te doorgronden, zonder resultaat. Uit de brief van Transfore blijkt dat verdachte zijn best doet in de therapie. Ook nu is verdachte, in het kader van preventie, nog steeds in therapie.

Ook uit het reclasseringsadvies volgt dat verdachte zich heeft ingezet tijdens de behandeling, maar dat het verkrijgen van inzicht ten tijde van de verdenkingen na een jaar behandeling onvoldoende tot stand is gekomen. Dit is volgens de reclassering de belangrijkste risicofactor. De reclassering vindt het van belang dat zij ook na het beëindigen van de behandeling zicht blijft houden op de ontwikkelingen, waardoor gewaarborgd wordt dat verdachte en zijn netwerk alert blijven op het ontstaan van risicovolle situaties en gedrag. De reclassering adviseert daarom als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij Transfore of een soortgelijke zorgverlener.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten en het gebrek aan inzicht kwalijk en tegelijkertijd zorgelijk zijn. Toezicht door de reclassering is daarom van belang.

De ernst van de feiten maakt dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke straf. Een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf is in dit geval passend en geboden. Mede gelet op de bekennende proceshouding van verdachte komt de rechtbank wel uit op een lagere straf dan geëist.

Alles overwegend legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden.

8
De beoordeling van de civiele vorderingen

Benadeelde partij [minderjarige]

De benadeelde partij [minderjarige] , wettelijk vertegenwoordigd door [vader] en [moeder] , heeft in verband met het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 266,69 aan materiële schade en € 6.500 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging voert geen verweer op de vordering, gelet op de proceshouding van verdachte en zijn oprechte wens om de schade zo goed mogelijk te herstellen.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in debat is dat verdachte als gevolg van het bewezen verklaarde handelen jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De rechtbank overweegt verder dat de gegrondheid en de hoogte van de materiële schadeposten door de verdediging niet zijn betwist. De gevorderde reiskosten betreffen kosten ter beperking of voorkoming van (verdere) schade en komen als verplaatste schade voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot materiële schade niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor het volledige bedrag van € 266,69 kan worden toegewezen.

Smartengeld

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in debat is dat benadeelde partij door het handelen van verdachte is aangetast in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek en dat zij hierdoor schade heeft geleden.

De hoogte van het gevorderde bedrag is niet betwist en komt met de onderbouwing en verwijzing naar de Rotterdamse schaal billijk voor.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor het volledige bedrag van € 6.500 kan worden toegewezen.

Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en BEM-clausule

Verdachte is vanaf 13 september 2025, halverwege de periode waarin de kosten zijn gemaakt, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd ten aanzien van materiële schade.

Verdachte is vanaf 3 augustus 2024, halverwege de bewezenverklaarde periode, wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd ten aanzien van het smartengeld.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

De rechtbank bepaalt voorts dat de toegewezen schadevergoeding ten aanzien van [minderjarige] wordt gestort op een op haar naam te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

Benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij, heeft in verband met het onder 3 bewezenverklaarde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.675 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging voert geen verweer op de vordering, gelet op de proceshouding van verdachte en zijn oprechte wens om de schade zo goed mogelijk te herstellen.

Overweging van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in debat is dat benadeelde partij door het handelen van verdachte is aangetast in de persoon op andere wijze als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek en dat zij hierdoor schade heeft geleden.

De hoogte van het gevorderde bedrag is niet betwist en komt met de onderbouwing en verwijzing naar de Rotterdamse schaal billijk voor.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor het volledige bedrag van € 2.675 kan worden toegewezen.

Verdachte is vanaf 15 maart 2023 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9
De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c,22d, 36f, 246 (oud), 247 (oud), 248, 249 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

10
De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden;

bepaalt dat deze een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 6 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

? stelt als bijzondere voorwaarden dat:

verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen de afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de Reclassering Nederland op het adres Houtwal 16a in Zutphen;

verdachte zicht gedurende de proeftijd laat behandelen door Transfore in Zwolle of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en/of andere problematiek.

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hiervoor genoemde voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

? legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;

veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige] van € 266,69 aan materiële schade en € 6.500 aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 september 2025 voor wat betreft de materiële schade en 3 augustus 2024 voor wat betreft het smartengeld tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige] , een bedrag te betalen van € 6.766,69 aan materiële schade/smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf rente vanaf 13 september 2025 voor wat betreft de materiële schade en 1 juli 2024 voor wat betreft het smartengeld tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 58 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

? bepaalt dat de toegewezen schadevergoeding ten aanzien van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013, wordt gestort op een op haar naam te openen spaarrekening met een BEM-clausule;

veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [aangever] van € 2.675 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [aangever] , een bedrag te betalen van € 2.675 aan materiële schade. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 maart 2023 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 26 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.H.T. Rademaker (voorzitter), mr. W.H.S. Duinkerke en mr. M.S. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.I. Tuk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 mei 2026.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2024527251, gesloten op 2 oktober 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Voetnoot 2

Proces-verbaal omstandigheden studioverhoor, p. 25.

Voetnoot 3

Proces-verbaal van aangifte, p. 9, 10 en 15.

Voetnoot 4

Verbatim uitwerking studioverhoor, p. 30.

Voetnoot 5

Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 126.

Voetnoot 6

Verklaring van verdachte op de zitting van 12 mei 2026.

Voetnoot 7

Verbatim uitwerking studioverhoor, p. 45 en 60.

Voetnoot 8

Verklaring van verdachte op de zitting van 12 mei 2026.

Voetnoot 9

Proces-verbaal verhoor getuige [moeder] , p. 21.

Voetnoot 10

Verbatim uitgewerkt studioverhoor, p. 31, 33, 43 en 45.

Voetnoot 11

Verbatim uitgewerkt studioverhoor, p. 46 en 60.

Voetnoot 12

Verklaring van verdachte op de zitting van 12 mei 2026.

Voetnoot 13

Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 128.

Voetnoot 14

Verbatim uitgewerkt studioverhoor, p. 31, 32 en 43 t/m 45.

Voetnoot 15

Verklaring van verdachte op de zitting van 12 mei 2026.