Rechtbank Gelderland, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2026:6055

Op 27 July 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 05/187078-25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:6055. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
05/187078-25
Datum uitspraak:
27 July 2026
Datum publicatie:
27 July 2026

Indicatie

Veroordeling voor het meermalen plegen van ontuchtige handelingen bij drie minderjarige jongens. De rechtbank legt een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05/187078-25

Datum uitspraak : 27 juli 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1951 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. G. Altena, advocaat in Ede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1
De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 oktober 2012 tot en met 23 oktober 2016 te [woonplaats] , gemeente Lochem, met [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag] 2000), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het aftrekken en/of het betasten van de penis van die [minderjarige 1] en/of

- het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [minderjarige 1] ;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks de periode van 24 oktober 2017 tot en met 23 oktober 2018 te [woonplaats] , gemeente Lochem, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag] 2000), heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten het aftrekken en/of het betasten van de penis van die [minderjarige 1] , waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte

- voornoemde ontuchtige handeling onverhoeds heeft verricht en/of die [minderjarige 1] hiermee heeft overrompeld en/of

- ( hierbij) misbruik heeft gemaakt van zijn uit feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [minderjarige 1] , gelet op de jonge leeftijd van die [minderjarige 1] en/of het grote leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en die [minderjarige 1] en/of het feit dat hij, verdachte, een familievriend en voormalig oppas van die [minderjarige 1] was en/of

- ( hierdoor) een zodanig bedreigende en/of beangstigende situatie heeft gecreëerd en/of die [minderjarige 1] in een zodanig weerloze en/of afhankelijke toestand heeft gebracht dat die [minderjarige 1] zich niet aan bovengenoemde ontuchtige handeling kon en/of durfde te onttrekken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 oktober 2017 te Deventer, met [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag] 2005), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de penis van die [minderjarige 2] ;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 31 juli 2017 te Doesburg, met [minderjarige 3] (geboren op [geboortedag] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het aftrekken en/of het betasten van de penis van die [minderjarige 3] en/of

- het aftrekken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis in het bijzijn van die [minderjarige 3] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs  (Voetnoot 1)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle drie de tenlastegelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel van de tenlastelegging dat de ontuchtige handelingen op meerdere tijdstippen hebben plaatsgevonden, gezien verdachte slechts één moment bekent. Ten aanzien van het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat de verklaringen van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet zonder meer betrouwbaar zijn. Daarnaast is er voor deze feiten geen steunbewijs aanwezig, waardoor verdachte van beide tenlastegelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Tot slot heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat zeer voorzichtig moet worden omgegaan met het gebruik van schakelbewijs, om welke reden de raadsman heeft verzocht om het steunbewijs niet op deze wijze vorm te geven.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

Getuige [getuige] (verder: [getuige] ), moeder van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heeft verklaard dat zij op 4 december 2024 een krantenartikel las waarin stond dat een 72-jarige man uit [woonplaats] voor de rechtbank was verschenen voor aanranding van een jongen in [woonplaats] . Ook werd vermeld dat hij was betrapt door een familielid toen hij filmpjes van naakte jongens bekeek. [getuige] sloeg hier op aan, omdat zij anderhalf jaar eerder was geïnformeerd door de schoondochter van verdachte die vertelde dat zij hem hadden ‘gesnapt’ bij het kijken naar dergelijke filmpjes. Op het moment dat bij [getuige] het besef kwam dat het mogelijk om verdachte ging, kwam haar zoon [minderjarige 3] (verder: [minderjarige 3] ) thuis. [getuige] heeft – zonder de naam van verdachte te noemen – het krantenartikel aan [minderjarige 3] laten lezen. [minderjarige 3] zei dat hij niet zou weten om wie dit ging. Toen [getuige] zei dat ze dacht dat het om verdachte ging raakte [minderjarige 3] in paniek. Hij begon te huilen en dook weg op een stoel in een hoekje. Op de vraag van [getuige] wat er aan de hand was, vertelde [minderjarige 3] : “hij heeft dat ook bij mij gedaan”. [minderjarige 3] vertelde dat verdachte het in Doesburg op de camping had gedaan. [getuige] weet nog dat zij dat weekend een appje had gekregen van de partner van verdachte dat zij zelf niet kon oppassen, maar dat verdachte met [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op de camping bleef en zij daar konden blijven slapen. [minderjarige 3] vertelde dat hij die zondagavond met verdachte in de caravan in bed lag en dat [minderjarige 2] in een tentje lag. [minderjarige 3] vertelde dat verdachte achter hem kwam liggen in bed en dat hij [minderjarige 3] vasthield. [minderjarige 3] deed op dat moment alsof hij sliep.

Tien minuten na dit moment kwam [minderjarige 1] (verder: [minderjarige 1] ) binnen, die vroeg wat er aan de hand was. [getuige] heeft ook hem het krantenbericht laten lezen en gevraagd of hij wist om wie het ging, maar [minderjarige 1] gaf aan het niet te weten. Ook aan hem vertelde [getuige] dat zij dacht dat het om verdachte ging en dat verdachte het ook bij [minderjarige 3] had gedaan. [minderjarige 1] antwoordde hierop met: “jeetje ook bij [minderjarige 3] , hij heeft het ook bij mij gedaan”. Volgens [getuige] stond [minderjarige 1] erbij alsof hij wel kon kotsen en hij rende vervolgens weg naar buiten, omdat het hem te veel werd.

De volgende dag sprak [getuige] met haar derde zoon, [minderjarige 2] (verder: [minderjarige 2] ). [getuige] liet [minderjarige 2] het krantenbericht lezen en vroeg of [minderjarige 2] wist wie het kon zijn. [minderjarige 2] gaf aan dat hij dit niet wist. De man van [getuige] gaf toen aan dat het om verdachte ging. [minderjarige 2] bleef stil en zei hier niet veel op. Vervolgens gaf de man van [getuige] aan dat verdachte dit ook bij [minderjarige 1] en [minderjarige 3] had gedaan. [getuige] vroeg aan [minderjarige 2] of verdachte ook bij hem ooit wat had geprobeerd of gedaan, waarop [minderjarige 2] zei dat hij hierover na moest denken. Volgens [getuige] is [minderjarige 2] een compleet ander kind dan [minderjarige 1] en [minderjarige 3] , hij praat niet snel over van alles. Twee uur later kwam [minderjarige 2] terug en zei dat verdachte het ook bij hem had gedaan. Hij vertelde dat ze gingen zwemmen in Deventer en dat het daar in de sauna was gebeurd. (Voetnoot 2)

Verklaringen

Op 13 september 2024 heeft [minderjarige 3] in het informatieve gesprek zeden verklaard dat hij vanaf zijn geboorte bij het gezin van verdachte kwam, als zijnde zijn oppasgezin. Toen [minderjarige 3] 9 of 10 jaar oud was, ging hij op vakantie in Doesburg met verdachte. [minderjarige 2] , de broer van [minderjarige 3] sliep in een tentje en [minderjarige 3] sliep met verdachte in de caravan. Toen verdachte dacht dat [minderjarige 3] sliep, heeft hij het shirt en de onderbroek van [minderjarige 3] uitgetrokken, waarop [minderjarige 3] zich slapende heeft gehouden. Verdachte zat vervolgens met een hand aan het geslachtsdeel van [minderjarige 3] en met zijn andere hand aan zijn eigen geslachtsdeel. [minderjarige 3] kon dit voelen, omdat de hand en het geslachtsdeel van verdachte tegen zijn been aankwam. Op het moment dat [minderjarige 3] zich omdraaide, is het gestopt. Verdachte kon toen niet meer bij zijn geslachtsdeel komen. (Voetnoot 3)

Op 16 oktober 2024 heeft [minderjarige 3] vervolgens aangifte gedaan. [minderjarige 3] heeft verklaard dat hij in de zomer van 2017 op de camping in Doesburg was, hij was toen 10 jaar oud. Op een zondagavond, ging de vrouw van verdachte naar huis omdat zij moest werken. De oudste broer van [minderjarige 3] ging al niet meer mee, dus [minderjarige 3] was alleen met [minderjarige 2] . [minderjarige 2] sliep in een tent in de voortent en [minderjarige 3] lag in de caravan met verdachte in bed. Verdachte dacht dat [minderjarige 3] sliep, maar dit was niet zo. [minderjarige 3] lag met zijn rug naar verdachte toe. Ineens voelde [minderjarige 3] de hand van verdachte in zijn onderbroek.

Toen heeft verdachte aan zijn geslachtsdeel gezeten terwijl verdachte ook aan zijn eigen geslachtsdeel zat. Hij was [minderjarige 3] aan het aftrekken en tegelijkertijd was hij ook bezig om zichzelf af te trekken. [minderjarige 3] voelde dit, doordat verdachte met zijn geslachtsdeel tegen de achterkant van bovenbeen aankwam. [minderjarige 3] voelde ook zijn hand. Het duurde niet heel lang en het stopte omdat verdachte in de gaten kreeg dat [minderjarige 3] toch wakker was. [minderjarige 3] draaide zich om en deed zijn ogen open. Hij zag toen dat verdachte helemaal naakt lag en dat zijn geslachtsdeel stijf was. Verdachte schrok dat [minderjarige 3] wakker was, hij stopte direct en raakte zichzelf niet meer aan. Hierna is hij uit bed gestapt. [minderjarige 3] heeft zijn onderbroek, die door verdachte tot zijn knieholtes naar beneden was getrokken, weer omhoog gedaan. Toen [getuige] aan [minderjarige 3] het krantenartikel liet lezen, kwam bij hem alles weer omhoog. (Voetnoot 4)

Op 10 september 2024 heeft [minderjarige 1] in het informatieve gesprek zeden verklaard dat toen hij ongeveer twaalf jaar oud was hij bij verdachte, zijn oppasvader, in de kamer was. Verdachte kwam bij hem zitten, deed de broek van [minderjarige 1] uit, pakte zijn penis vast en trok [minderjarige 1] af tot hij klaarkwam. [minderjarige 1] liet het gebeuren, hij was vol ongeloof en angst. Ongeveer anderhalf jaar later, toen [minderjarige 1] in groep acht zat, herhaalde het zich nog een keer. [minderjarige 1] was toen bij de woning van verdachte kozijnen aan het schuren van de overkapping. Dit bleef bij een poging, omdat hij tegen verdachte kon zeggen dat hij moest stoppen, waarop hij stopte. (Voetnoot 5)

Op 15 oktober 2024 heeft [minderjarige 1] vervolgens aangifte gedaan van twee situaties. De eerste keer was in 2012, [minderjarige 1] was toen 12 jaar oud. Hij was met verdachte in het huis aan [adres] , hij denkt dat het op vrijdagmiddag was. De vrouw van verdachte was weg. Verdachte kwam op zijn knieën naast hem zitten, terwijl hij op de bank lag en vroeg wat [minderjarige 1] aan het doen was. Vervolgens ging verdachte achter de onderbroek van [minderjarige 1] zitten en daarbij aan zijn penis, waarbij hij [minderjarige 1] aftrekt. Vervolgens pakte hij de hand van [minderjarige 1] , deed deze achter zijn eigen onderbroek en legde zijn hand op de penis van verdachte. Verdachte ging net zolang door met het aftrekken tot [minderjarige 1] klaarkwam. Daarna stopte het en haalde verdachte zijn hand weer van de penis van [minderjarige 1] en trok [minderjarige 1] ook zijn eigen hand weg. Twee jaar later, toen [minderjarige 1] 14 jaar oud was, hielp hij bij het nieuwe huis van verdachte op [adres] met het schilderen van de raamkozijnen aan de achterkant van het huis bij de overkapping. Andere mensen konden daar niet zien wat er gebeurde. Verdachte kwam toen bij [minderjarige 1] staan en zei dat hij het goed deed. Vervolgens ging hij met zijn hand over de penis van [minderjarige 1] op zijn broek heen en weer. Hierna ging hij met zijn hand achter zijn broek en onderbroek en begint [minderjarige 1] af te trekken. Verdachte staat op dat moment rechts achter hem. Dit doet hij weer net zolang tot [minderjarige 1] klaarkomt. Er is niets gezegd. (Voetnoot 6)

Op 17 september 2024 heeft [minderjarige 2] in het informatieve gesprek zeden verteld dat toen hij 12 jaar oud was, hij met verdachte, zijn oppasvader, naar de sauna van het zwembad in Deventer ging. Verdachte en [minderjarige 2] zaten naast elkaar in de sauna, gekleed in een zwembroek. Verdachte ging met zijn arm naar het been van [minderjarige 2] en raakte met zijn hand over de zwembroek heen de penis van [minderjarige 2] aan. Dit aanraken en aaien duurde volgens hem ongeveer 5 minuten. [minderjarige 2] wist niet wat hem overkwam, hij sloeg dicht. Toen [minderjarige 2] klaar was met de sauna is hij weggelopen. Verdachte bleef zitten. Er was verder niemand in de sauna. (Voetnoot 7)

Op 7 oktober 2024 heeft [minderjarige 2] aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij in oktober 2017, hij was toen 12 jaar oud, een dagje in de herfstvakantie met zijn broers, de kleinkinderen van verdachte en verdachte naar het zwembad in Deventer ging. De sauna hadden ze erbij geboekt. Verdachte zat op enig moment alleen met [minderjarige 2] in de sauna. Hij kwam naast [minderjarige 2] . [minderjarige 2] had op dat moment zijn zwembroek aan. Verdachte legde zijn rechterhand op zijn linker bovenbeen en ging steeds meer naar zijn geslachtsdeel. Vervolgens ging verdachte met zijn duim erlangs wrijven. Hij wreef met zijn vinger op het geslachtsdeel van [minderjarige 2] , dit was over de zwembroek heen. Het duurde ongeveer vijf minuten. Toen verdachte stopte met wrijven, legde hij zijn hand op de knie van [minderjarige 2] . Op dat moment is [minderjarige 2] opgestaan en weggelopen uit de sauna. [minderjarige 2] was het een beetje kwijt dat het was gebeurd, toen zijn moeder hem het krantenartikel liet lezen. (Voetnoot 8)

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij nog weet dat hij [minderjarige 1] heeft bevredigd, hij heeft aan zijn piemel gezeten en hem afgetrokken. Dit gebeurde bij hen achter het huis aan [adres] toen [minderjarige 1] hem hielp met het afkrabben van de verf van de kozijnen aan de achterzijde van de woning. (Voetnoot 9)

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van aangevers als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt en voor het bewijs kunnen worden gebezigd. Alle drie de aangevers hebben een informatief gesprek zeden gevoerd met de politie en daarna hebben zij alle drie afzonderlijk van elkaar aangifte gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die door hen zijn afgelegd gedetailleerd zijn en zowel op essentiële punten als op hoofdlijnen consistent zijn en authentiek overkomen. Daar komt bij dat bij [minderjarige 1] en [minderjarige 3] heftige emoties worden waargenomen op het moment dat zij door hun moeder worden geconfronteerd met het krantenartikel dat over verdachte gaat. Van beïnvloeding door elkaar of door hun ouders is de rechtbank op geen enkele wijze gebleken. Dat er wellicht op bepaalde onderdelen – die naar het oordeel van de rechtbank van ondergeschikt belang zijn – anders is verklaard in de aangifte dan in het informatief zeden kan worden verklaard door het tijdsverloop sinds de feiten hebben plaatsvonden, maar ook doordat het proces-verbaal informatief gesprek zeden geen woordelijke uitwerking betreft.

Tot slot merkt de rechtbank in het kader van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op dat uit het dossier geen enkele aanwijzing volgt die kan wijzen op een motief voor het afleggen van leugenachtige verklaringen door hen.

Steunbewijs en schakelbewijs

Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige (de zogenoemde ‘unus testis-regel). Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door die aangever/getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier echter tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met geloofwaardige verklaringen van het slachtoffer toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.

De vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn hiervoor in de jurisprudentie enige regels geformuleerd. Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de aangever/getuige. Dit betekent dat het steunbewijs op relevante wijze in verband moet staan met de inhoud van de verklaring van de aangever/getuige. Het steunbewijs mag in beginsel niet afkomstig zijn van dezelfde bron, in die zin dat als steunbewijs zou kunnen worden gebruikt de verklaring van een ander aan wie de getuige heeft verteld wat hem of haar is overkomen. Een dergelijke de auditu-verklaring levert op zichzelf niet voldoende steunbewijs op. Wel kunnen bepaalde waarnemingen die de de auditu-getuige persoonlijk heeft gedaan voldoende steunbewijs opleveren. Ook kunnen eigen waarnemingen van getuigen, die weliswaar niet het kernverwijt, bijvoorbeeld de verweten seksuele handelingen, bevestigen, binnen de context van de gebeurtenissen voldoende zelfstandig onderscheidend zijn om als objectief gegeven in combinatie met andere omstandigheden een rol van betekenis te spelen als steunbewijs naast de verklaring van het slachtoffer. Niet is vereist dat het steunbewijs betrekking dient te hebben op de ten laste gelegde gedragingen. Ook is niet vereist dat het steunbewijs rechtstreeks de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit bevestigt.

Onder bepaalde omstandigheden kan aan het bewijsminimum worden voldaan door middel van schakelbewijs. Met de term schakelbewijs wordt gedoeld op een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs redengevend is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen. (Vgl. HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1303 en HR:23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024,654).

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een overeenkomende modus operandi kunnen betrokken worden de feitelijke gang van zaken ten aanzien van de betreffende feiten, waaronder begrepen de context waarbinnen zij zich hebben voorgedaan, de omstandigheden waarmee zij zijn omgeven en het desbetreffende handelen van de verdachte, alsmede de verklaringen die de verdachte daarover heeft afgelegd. Daarbij kan het bewijs in verschillende zaken over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt allereerst dat, ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde, de verklaring van [minderjarige 1] steun vindt in de bekennende verklaring van verdachte dat hij [minderjarige 1] heeft afgetrokken toen [minderjarige 1] hem in de tuin aan het helpen was.

Ten aanzien van de overige feiten oordeelt de rechtbank als volgt. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben alle drie verklaard over een ontuchtsituatie die wat betreft plaats en handelwijze op essentiële punten overeenkomt. Het gaat om drie broers waar verdachte al jaren op paste. Zij waren allen tussen de 10 en 14 jaar oud toen de ontuchtige handelingen plaatsvonden. Zowel bij [minderjarige 1] , als bij [minderjarige 2] , als bij [minderjarige 3] vonden de ontuchtige handelingen plaats op een moment waarop verdachte alleen met hen was en er verder niemand in de buurt was. Verdachte heeft hen alle drie onzedelijk betast door hen af te trekken of over hun piemel heen te wrijven. Dit gebeurde onverhoeds, het duurde slechts kort en er werd niets gezegd. In geval van [minderjarige 3] en [minderjarige 1] trok verdachte zichzelf ook af op het moment dat hij aan hun geslachtsdeel zat.

Nu de verklaringen van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertonen die duiden op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen elkaar over en weer ondersteunen, en over en weer kunnen dienen als schakelbewijs.

Daarnaast heeft de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen onverminderd de overtuiging gekregen dat de feiten zijn gepleegd zoals deze verdachte worden verweten.

De aard van de handelingen

Voor de beantwoording van de vraag of de handelingen ook kunnen worden aangemerkt als ‘ontuchtige handelingen’ in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht, moet het volgens vaste rechtspraak gaan om handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. De rechtbank is van oordeel dat de genoemde seksuele gedragingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, nu deze hebben plaatsgevonden tussen de veel oudere verdachte en drie destijds minderjarige oppaskinderen en er sprake is geweest van het aftrekken van de aangevers, dan wel het wrijven over hun geslachtsdeel en aftrekken van zichzelf in hun bijzijn. De rechtbank kwalificeert daarmee de door verdachte verrichte handelingen als ontuchtig.

Conclusie

Op grond van al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde gedragingen.

3
De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. primair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 24 oktober 2012 tot en met 23 oktober 2016 te [woonplaats] , gemeente Lochem, met [minderjarige 1] (geboren op [geboortedag] 2000), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het aftrekken en/of het betasten van de penis van die [minderjarige 1] en/of

- het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [minderjarige 1] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2017 tot en met 31 oktober 2017 te Deventer, met [minderjarige 2] (geboren op [geboortedag] 2005), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de penis van die [minderjarige 2] ;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2017 tot en met 31 juli 2017 te Doesburg, met [minderjarige 3] (geboren op [geboortedag] 2007), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

- het aftrekken en/of het betasten van de penis van die [minderjarige 3] en/of

- het aftrekken en/of betasten van zijn, verdachtes, penis in het bijzijn van die [minderjarige 3] .

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair, feit 2 en feit 3:

met iemand beneden de leeftijd van 16 jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

5
De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6
De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Overwegingen

7
De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat rekening moet worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft verzocht om – onder meer gelet op de detentieongeschiktheid van verdachte wegens medische redenen – aan verdachte een taakstraf op te leggen, al dan niet in combinatie met een gevangenisstraf van één dag vanwege het taakstrafverbod of eventueel gecombineerd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf,.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Verdachte heeft verspreid over een periode van in totaal vijf jaren op meerdere momenten ontuchtige handelingen gepleegd met de drie broertjes van destijds tussen de 10 en 14 jaar oud. Verdachte was hun oppasvader en de broertjes kwamen al vanaf hun geboorte bij dit oppasgezin. Verdachte heeft met zijn gedragingen de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige broertjes op ernstige wijze geschonden. Hij heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en daarbij geen rekening gehouden met de belangen van de slachtoffers en de gevolgen die dit voor hen zou kunnen hebben. Hij heeft er kennelijk niet bij stilgestaan dat de normale en gezonde (seksuele) ontwikkeling van de slachtoffers door deze handelwijze ernstig kan worden verstoord. Uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen is gebleken dat zij nog steeds veel last hebben van hetgeen er is gebeurd. Daarnaast heeft verdachte ter zitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

De rechtbank houdt rekening met de justitiële documentatie van verdachte, waaruit blijkt dat hij in 2023 is veroordeeld voor twee soortgelijke delicten van seksueel grensoverschrijdend gedrag, al was dat gericht naar meerderjarige jongemannen. Verdachte bevindt zich nog in de proeftijd van die veroordeling en houdt zich naar behoren aan de bijzondere voorwaarden die in dat kader zijn opgelegd.

De reclassering heeft in het rapport van 29 juni 2026 gerapporteerd dat uit psychologisch onderzoek, in 2024 verricht bij forensische polikliniek Transfore, is gebleken, dat bij verdachte sprake is van een autismespectrumstoornis (ASS), een persisterende depressieve stoornis en daarnaast is eerder de diagnose pedofiele stoornis vastgesteld (niet-exclusief type). De behandeling die verdachte op dit moment volgt is aangepast aan de diagnostiek. Door middel van psycho-educatie heeft verdachte geleerd beter om te gaan met zijn beperkingen. Hij neemt ook deel aan een zedengroepbehandeling gericht op ASS. Gelet op de motivatie van verdachte voor behandeling en begeleiding, zijn adequate medewerking aan het huidige toezicht en de ingezette risicobeperkende maatregelen, acht de reclassering een verlenging van het verplichte kader niet noodzakelijk.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een langdurige gevangenisstraf. De rechtbank acht daarnaast – ondanks het advies van de reclassering – langdurige begeleiding en behandeling noodzakelijk om het risico op herhaling te beperken. Verdachte is door deze zaak en de eerdere veroordeling nu voor meerdere seksuele vergrijpen in beeld is gekomen, en de behandelaar geeft blijkens het rapport van de reclassering aan dat verdachte door zijn ASS beperkt in staat is zich in anderen te verplaatsen. Hierdoor ervaart hij de ernst van het grensoverschrijdende gedrag jegens minderjarigen op gevoelsniveau minder sterk. De rechtbank maakt zich dan ook zorgen dat de reclassering tegelijkertijd rapporteert dat de ambulante behandeling zich in een afrondende fase bevindt. Ondanks dat verdachte volgens het reclasseringsrapport gemotiveerd lijkt te zijn voor deelname aan het programma Cirkels voor Ondersteuning, Samenwerking en Aanspreekbaarheid (COSA), vreest de rechtbank dat verdachte niet intrinsiek is gemotiveerd, waardoor de rechtbank van oordeel is dat het noodzakelijk is dat de reclassering betrokken blijft. Daarom zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk worden opgelegd, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De rechtbank legt daarom aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel wordt een proeftijd van drie jaren verbonden en met oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

8
De beoordeling van de civiele vorderingen

Vordering van benadeelde partij [minderjarige 1]

De benadeelde partij [minderjarige 1] heeft in verband met het onder feit 1 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aansluiting moet worden gezocht bij de ondergrens van categorie ‘(a) meest ernstig’ van de Rotterdamse Schaal.

Overweging van de rechtbank

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de bewezen gekwalificeerde opzetverkrachting schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de ontucht en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen van de bewezen verklaarde ontuchtige handelingen liggen zo voor de hand dat daarvan aangenomen kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en met de Rotterdamse Schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 3.500,- vaststellen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Verdachte is vanaf 23 oktober 2016 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Vordering van benadeelde partij [minderjarige 2]

De benadeelde partij [minderjarige 2] heeft in verband met het onder feit 2 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 3,500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een handeling beperkt in duur en in een gesloten, maar voor een ieder toegankelijke ruimte. Gelet daarop heeft de verdediging verzocht om aansluiting te zoeken bij categorie ‘(b) ernstig’, waarbij een bedrag van € 1.000,- passend wordt geacht.

Overweging van de rechtbank

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de bewezen ontuchtige handeling schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de ontucht en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen van de bewezen verklaarde ontucht liggen zo voor de hand dat daarvan aangenomen kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en met de Rotterdamse Schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 1.000,- vaststellen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Verdachte is vanaf 31 oktober 2017 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Vordering van benadeelde partij [minderjarige 3]

De benadeelde partij [minderjarige 3] heeft in verband met het onder feit 3 tenlastegelegde een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 6.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aansluiting moet worden gezocht bij categorie b, omdat van herhaaldelijk handelen geen sprake is geweest.

Overweging van de rechtbank

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door de bewezen ontuchtige handeling schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Door de ontucht en de omstandigheden waaronder deze plaatsvond is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan die conclusie rechtvaardigen. De nadelige gevolgen van de bewezen verklaarde ontucht liggen zo voor de hand dat daarvan aangenomen kan worden dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen en met de Rotterdamse schaal. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 2.000,- vaststellen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Verdachte is vanaf 31 juli 2017 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

9
De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

10
De beslissing

De rechtbank:

? verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

? verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

? verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

? verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

? veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 10 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van drie jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:

stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

? stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;

- veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door forensische polikliniek Transfore of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de hierboven genoemde voorwaarde en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;

- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [minderjarige 1]

veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige 1] van € 3.500,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

? verklaart de benadeelde partij [minderjarige 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige 1] , een bedrag te betalen van € 3.500,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2016 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 35 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [minderjarige 2]

veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige 2] van € 1.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2017 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

? verklaart de benadeelde partij [minderjarige 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot smartengeld;

legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige 2] , een bedrag te betalen van € 1.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2017 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 10 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd;

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [minderjarige 3]

veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [minderjarige 3] van € 2.000,- aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2017 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

? verklaart de benadeelde partij [minderjarige 3] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schade/smartengeld;

legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [minderjarige 3] , een bedrag te betalen van € 2.000,- aan smartengeld. Dit wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2017 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 20 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.H. Pennings (voorzitter), mr. Y.H.M. Marijs en mr. H.M. Stratenus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Willems, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2026.

mr. H.M. Stratenus is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, onderzoeksnaam- en nummer DHAKA/ONRBC24474, gesloten op 19 juni 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Voetnoot 2

Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 57-59.

Voetnoot 3

Proces-verbaal informatief gesprek zeden, p. 26-27.

Voetnoot 4

Proces-verbaal aangifte, p. 50-56.

Voetnoot 5

Proces-verbaal informatief gesprek zeden, p. 20-21.

Voetnoot 6

Proces-verbaal aangifte, p. 29-34.

Voetnoot 7

Proces-verbaal informatief gesprek zeden, p. 23-24.

Voetnoot 8

Proces-verbaal aangifte, p. 44-49.

Voetnoot 9

Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 85-86.