Rechtbank Gelderland, raadkamer strafrecht overig

ECLI:NL:RBGEL:2026:2455

Op 25 March 2026 heeft de Rechtbank Gelderland een raadkamer procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 26-000716, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2026:2455. De plaats van zitting was Arnhem.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
26-000716
Datum uitspraak:
25 March 2026
Datum publicatie:
30 March 2026

Indicatie

Klaagschrift beslag (art. 552a Sv). Klager beroept zich op retentierecht: hij heeft reparatie uitgevoerd aan auto's en wil deze pas teruggeven als de eigenaren betalen. Eigenaren hebben aangifte tegen klager gedaan wegens oplichting, vernieling en/of verduistering. Uit onderzoek blijkt dat klager zeer hoge bedragen eist van de eigenaren, terwijl de auto's technisch in zeer slechte staat zijn ('total loss'). Ook lijkt klager de auto's privé gebruikt te hebben en is hij zeer onzorgvuldig met de auto's omgegaan. Beroep op retentierecht door klager is onaanvaardbaar. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

raadkamernummer : 26-000716

datum : 25 maart 2026

beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[bedrijf] ,

gevestigd aan de [adres 1] in ( [postcode 1] ) [vestigingsplaats] ,

ter zake vertegenwoordigd door [klager],

geboren op [geboortedag] 1993 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 2] in ( [postcode 2] ) [woonplaats] ,

raadsman: mr. J.P. Plasman, advocaat in Amsterdam,

hierna te noemen: klager.

1
Feiten

Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat op 18 december 2025 onder klager twee personenauto’s in beslag zijn genomen, te weten:

een [merk 1] met kenteken [kenteken 1] , op naam van [belanghebbende 1] ;

een [merk 2] met kenteken [kenteken 2] , op naam van [belanghebbende 2] .

2
Procedure
2.1

Het klaagschrift is op 6 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Het openbaar ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

2.2

De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld. Daarbij zijn gehoord:

- klager;

- de officier van justitie, [naam 1] ;

- [belanghebbende 2] (hierna: [belanghebbende 2] ), en haar echtgenoot (tevens aangever) [belanghebbende 3] (hierna: [belanghebbende 3] ).

De belanghebbende [belanghebbende 1] (hierna: [belanghebbende 1] ) is met kennisgeving van verhindering niet in raadkamer verschenen. De raadsman van klager is zonder aankondiging niet verschenen.

3
Beklag
3.1

Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen.

3.2

Door klager is aangevoerd dat hij de voertuigen van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] heeft gekregen met de opdracht om reparatiewerkzaamheden uit te voeren. Deze werkzaamheden zijn inmiddels verricht, maar [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] weigeren om de factuur te betalen. Klager beroept zich dan ook op het retentierecht; hij houdt de voertuigen onder zich totdat de rekeningen zijn betaald. Het is niet aan hem om [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] hierin tegemoet te komen of hen een betalingsregeling aan te bieden.

Uit de stukken blijkt volgens klager dat het openbaar ministerie geen toestemming aan de politie heeft gegeven om de voertuigen in beslag te nemen, dus is die inbeslagname onrechtmatig en is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk. Er ligt geen enkele substantiële verdenking tegen klager, dus er is ook geen rechtsgrond. Het dossier bevat enkel de stukken die in zijn nadeel zijn en zowel de politie als het openbaar ministerie lijken erop uit om klager opzettelijk te benadelen. Als [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] het retentierecht willen doorbreken, hadden zij zich tot de civiele rechter moeten wenden. Zij maken nu misbruik van de politie, het openbaar ministerie en het strafrecht.

4
Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie verzet zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager, omdat hij niet de rechtmatige eigenaar is. De politie mocht de voertuigen zelfstandig in beslag nemen zonder toestemming van het openbaar ministerie. [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] hebben aangifte gedaan tegen klager en er loopt nu een onderzoek tegen hem wegens verdenking van (poging tot) oplichting, verduistering en/of vernieling. Uit de stukken blijkt dat de voertuigen in slechtere staat zijn dan toen [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] deze aan klager meegaven (er ontbreken onderdelen of onderdelen zijn stuk), met de voertuigen zijn privéritten gemaakt door klager terwijl hij deze onder zich had en klager heeft [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] gefactureerd voor werkzaamheden waartoe zij geen opdracht hebben gegeven. Klager kan zich niet op het retentierecht beroepen, aangezien hij niet als een goed zaakwaarnemer heeft gehandeld. Er is geen strafvorderlijk belang meer bij voortduring van het beslag, dus de voertuigen moeten worden teruggegeven aan hun rechtmatige eigenaren, de belanghebbenden, en het klaagschrift dient ongegrond te worden verklaard.

Overwegingen

5
Beoordeling

Ontvankelijkheid en forum

5.1

Klager stelt onder andere dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard en dat deze zaak bij de civiele rechter moet worden behandeld.

5.2

De rechtbank merkt in dit verband op dat het in deze procedure niet gaat om een inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen klager, maar om het door klager ingediende klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag op de inbeslaggenomen voertuigen. Klager is deze procedure zelf gestart en verwacht van de rechtbank een beslissing dat de voertuigen aan hem kunnen worden teruggegeven. De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie staat in dit stadium in het geheel niet ter discussie.

5.3

Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.

5.4

Daarnaast merkt de rechtbank op dat het vaker voorkomt dat een zaak zowel civiel- als strafrechtelijke aspecten kent. Dat geldt ook voor de onderhavige zaak. Dat een eventueel geschil omtrent de overeenkomsten tussen klager en [belanghebbende 1] of [belanghebbende 3] met betrekking tot de reparatie en de betaling daarvan in beginsel bij de civiele rechter thuishoort, betekent niet dat er parallel daaraan geen strafrechtelijk beslag kan worden gelegd op de voertuigen in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar klager. Bovendien volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad dat (een geldig) retentierecht niet tenietgaat door een strafrechtelijk beslag, (Voetnoot 1) waardoor ook geen sprake is van een doorkruising van een eventuele civiele zaak.

De feitelijke gang van zaken

5.5

Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken kan het volgende worden afgeleid.

5.6

Klager heeft een autoreparatiebedrijf onder de naam [naam 2] of [naam 3] of [naam 4] . Beide belanghebbenden, [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] / [belanghebbende 2] , hebben hem medio 2025 benaderd voor herstelwerkzaamheden aan hun [merk 3] . In eerste instantie waren er problemen met het roetfilter. Beiden hebben in december 2025 aangifte gedaan tegen klager. Hun bezwaren komen er, samengevat, op neer dat klager voortdurend zou hebben aangegeven dat zich nieuwe gebreken voordeden die dringend moesten worden verholpen. Daarvoor werden telkens weer nieuwe facturen gestuurd. Zij hebben op een gegeven moment te kennen gegeven hun auto terug te willen omdat ze geen vertrouwen meer hadden in klager. Die heeft daarop echter nieuwe facturen gestuurd en weigert teruggave van de auto’s zolang deze niet zijn betaald.

5.7

De eigenaren hebben hiervan melding gemaakt bij de politie, waarop deze een onderzoek heeft ingesteld bij het bedrijf van klager.

5.8

Toen een door klager gehuurd bedrijfspand in [plaats] op 18 december 2025 werd ontruimd door de deurwaarder en de politie werd gevraagd bijstand te verlenen, zijn de genoemde auto's aangetroffen. (Voetnoot 2) Beide auto’s zijn daarbij in beslag genomen.

5.9

Na de inbeslagname heeft de forensische opsporingsdienst van de politie technisch onderzoek verricht aan beide auto’s. De verbalisant heeft hierbij ernstige gebreken geconstateerd. Zie nader 5.14 en 5.17.

[belanghebbende 1] , [merk 3] [merk 1] , kenteken [kenteken 1]

5.10

De problemen met het roetfilter zouden zijn hersteld, maar bij een testrit zouden allerlei andere gebreken zijn gebleken die moesten worden gerepareerd, Klager heeft de auto toen opgehaald voor verder onderzoek, waarna allerlei nieuwe gebreken aan het licht kwamen. De kilometerstand van de auto was op het moment van ophalen 162.000 km.

[belanghebbende 1] heeft klager in totaal € 4.300,- betaald, maar toen zij de auto terug wilde hebben, eiste klager dat zij eerst € 10.000,- zou betalen. Schriftelijke facturen of kostenspecificaties heeft zij, ondanks herhaald aandringen, nooit ontvangen. (Voetnoot 3) Verbalisant [naam 5] heeft op 23 december 2025 foto’s gemaakt van de auto van [belanghebbende 1] . Er lag allerlei afval en troep in de auto en de kofferbak, die er volgens [belanghebbende 1] eerder niet lag. (Voetnoot 4)

5.11

Op 16 oktober 2025 is de auto gesignaleerd op de oprit van het privéadres van klager in [woonplaats](Voetnoot 5)

5.12

De factuur aan [belanghebbende 1] dateert van 12 december 2025 en betreft een totaalbedrag van € 10.073,25. Hierbij zijn 57 arbeidsuren in rekening gebracht.

5.13

Met het voertuig van [belanghebbende 1] is op 13 december 2025 om 23:32 uur kennelijk een snelheidsovertreding begaan in de regio Utrecht. Hoewel klager stelt dat in de autobranche vaker testritten buiten kantoortijden worden verricht, is wel opvallend dat het bedrijf van klager in [vestigingsplaats] is gevestigd en het voertuig uiteindelijk in een loods in [plaats] is aangetroffen. In beide gevallen ligt Utrecht op een behoorlijke afstand voor een reguliere testrit.

5.14

Ten aanzien van het voertuig van [belanghebbende 1] heeft de verbalisant bij het technisch onderzoek onder meer het volgende geconstateerd  (Voetnoot 6):

- de bumper rondom de trekhaak is weggezaagd;

- er is een niet-originele trekhaak gemonteerd door deze kennelijk met veel kracht in het voertuig te slaan en zonder deze deugdelijk te bevestigen;- de motorafdekking onder de motorkap is niet aanwezig;- bevestigingsmaterialen voor afdekking over de accu ontbreken;- er is olie- of dieselvervuiling rondom de olievuldop op het inlaatspruitstuk;- de luchtfilterbak zit los;- de slangklem rondom de luchtfilterbuis is niet vastgedraaid;- bij de aansluiting van de luchtfilterbuis op het gasklephuis ontbreekt één van de drie bevestigingsbouten;

- de uitlaatmonden van de uitlaat zijn zwart door roet, terwijl die uitlaatmonden blank horen te zijn. Het roetfilter onder dit voertuig heeft geen enkele werking;

- de software is gemanipuleerd met niet door de fabrikant geautoriseerde software, waardoor de boordcomputer foutmeldingen geeft;

- de kilometerstand was 165.371 km.Er is duidelijk geen deugdelijk werk aan dit voertuig verricht, aldus de verbalisant. Er zijn problemen met de turbo en met het roetfilter. Na een korte rijproef en het technisch onderzoek concludeert verbalisant dat dit voertuig in onvoldoende technische staat is om op de weg te mogen rijden. Om deze reden is er een WOK-melding op dit voertuig geplaatst en dient deze eerst deugdelijk gerepareerd te worden alvorens het bij de RDW aan te bieden voor een herkeuring. Gezien de staat van het voertuig acht hij de auto economisch en technisch total loss.

[belanghebbende 3] / [belanghebbende 2] , [merk 3] [merk 2] , kenteken [kenteken 2]

5.15

[belanghebbende 3] heeft klager ingeschakeld voor het reinigen van het roetfilter. Dat is gebeurd, waarvoor [belanghebbende 3] hem € 345,- heeft betaald. Het gebrek bleek echter niet verholpen, waarna klager steeds weer nieuwe werkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor [belanghebbende 3] € 1.925,- en € 5.656,- heeft betaald. In september 2025 zou klager de auto terugbrengen, maar dat is nooit gebeurd omdat klager dan weer een lekke band had, dan weer druk was met andere werkzaamheden en steeds weer nieuwe defecten ontdekte die hoognodig gerepareerd moesten worden voordat de auto kon worden afgeleverd. Uiteindelijk verlangde klager weer duizenden euro’s en weigerde hij de auto terug te geven voordat die rekening betaald was. Hij weigerde [belanghebbende 3] ook toegang tot de auto om deze te bezichtigen. (Voetnoot 7)

De overgelegde WhatsApp-berichten bieden steun aan deze verklaring, namelijk dat [belanghebbende 3] aanvankelijk akkoord gaat met aanvullende werkzaamheden, maar op een zeker moment niet meer en teruggave van de auto verlangt, waarna herhaaldelijk afspraken worden gemaakt dat klager de auto zal terugbrengen, maar dat vervolgens steeds niet doet en dan met aanvullende financiële eisen komt, [belanghebbende 3] toegang tot de auto weigert en zich op het retentierecht beroept. (Voetnoot 8)

5.16

De factuur aan [belanghebbende 3] dateert van 30 september 2025 en betreft een totaalbedrag van € 5.317,48, waarbij 34,25 arbeidsuren zijn gefactureerd.

5.17

Ten aanzien van het voertuig van [belanghebbende 3] heeft de verbalisant bij het technisch onderzoek onder meer het volgende geconstateerd (Voetnoot 9):

- de kilometerstand was 205.938 km;

- in de motorruimte zijn diverse onderdelen niet aanwezig;- de turbo rechts lijkt nieuw, maar is niet goed gemonteerd. Er zit een kier tussen het uitlaatspruitstuk naar de turbo doordat een bout ontbreekt, waardoor sprake is van lekkage;- aan het roetfilter is wel gewerkt, maar het is slecht gemonteerd. Het roetfilter onder dit voertuig is niet vervangen. De verwering van het roetfilter komt overeen met de rest van het uitlaatsysteem. De uitlaatmonden van de uitlaat zijn nog blank en vrij van roet, waardoor aannemelijk is dat het roetfilter nog werkt of dat de motor sinds de reparatie niet meer heeft gelopen;

- diverse schades aan de buitenzijde (zo is de bumperhoek van de rechterachterbumper met ducttape aan het achterscherm vastgezet);

- het voertuigcomputersysteem geeft allerlei foutcodes.

De conclusie van de verbalisant is dat het voertuig niet in rijdende staat is. Om het voertuig weer rijklaar te maken heeft een erkende dealer of specialist waarschijnlijk twee volle werkdagen nodig.

De verbalisant heeft voorts geconstateerd dat de auto vol ligt met allerlei verpakkingen en materialen, waaronder allerlei vanuit China verstuurde pakketjes, geadresseerd aan [klager] c.q. [bedrijf] .

Inhoudelijke beoordeling

5.17

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de gronden voor het voortzetten van het strafvorderlijk beslag niet langer aanwezig zijn. Vervolgens rijst de vraag of de voertuigen aan klager dienen te worden teruggeven.

5.18

De beoordeling of een inbeslaggenomen voorwerp moet worden teruggegeven, dient gedaan te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering. Uitgangspunt is dat wanneer het belang van strafvordering niet meer aanwezig is, het beslag wordt beëindigd en het voorwerp wordt teruggegeven aan degene bij wie het in beslag is genomen (beslagene). In dit geval zou dat klager zijn. In plaats van teruggave aan degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen, kan het openbaar ministerie het voorwerp teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt indien:

( a) degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp,

( b) die verklaring niet wordt afgelegd en degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen zich niet binnen veertien dagen tegen een beslissing tot teruggave aan een ander beklaagt, of

( c) het door beslagene ingestelde beklag ongegrond wordt verklaard.

In het zesde lid is verder bepaald dat een beslissing tot teruggave ieders rechten ten aanzien van het voorwerp onverlet laat. Met dit laatste heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat de beklagregeling niet kan worden gebruikt om andere beslissingen dan die over teruggave uit te lokken. Evenmin biedt de regeling ruimte om civielrechtelijke vragen diepgaander te behandelen dan voor een beslissing tot teruggave noodzakelijk is.

5.19

Voorop staat dat de beklagrechter niet treedt in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar bij de beantwoording van de vraag of een klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt wel civielrechtelijke aspecten mag betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. (Voetnoot 10)

5.20

Tussen beide belanghebbenden en klager doet zich een civielrechtelijk geschil voor over de reikwijdte van de verstrekte reparatieopdracht, de omvang van de werkzaamheden en derhalve over de verschuldigdheid van de door klager verstuurde facturen.

5.21

Vast staat dat beide belanghebbenden eigenaar zijn van het betreffende voertuig en als zodanig hebben zij het sterkste recht op de zaak en kunnen zij aanspraak maken op afgifte van het voertuig aan hen. Klager claimt echter een retentierecht dat hem het recht geeft afgifte op te schorten.

De civielrechtelijke kant van de zaak

5.22

Het gaat hier om de overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 BW). [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] hebben klager opdracht gegeven reparatiewerkzaamheden te verrichten aan hun respectieve auto’s. Na beëindiging van de werkzaamheden is de opdrachtnemer gehouden om hetgeen hij voor de opdrachtgever onder zich houdt, aan deze af te geven. (Voetnoot 11) De opdrachtnemer kan echter een retentierecht inroepen (artikel 6:52 BW) dat hem het recht geeft deze verplichting tot afgifte op te schorten totdat voldoening van zijn opeisbare vordering door de opdrachtgever heeft plaatsgevonden (artikel 3:290 BW). Een vordering is opeisbaar indien geen tijdsbepaling of andere voorwaarden voor betaling zijn overeengekomen (artikel 6:38 BW). Terstond nakomen (‘gelijktijdig oversteken’) is het uitgangspunt. (Voetnoot 12)

5.23

Klager stelt dat hij in beide gevallen tijdens de oorspronkelijk overeengekomen reparatiewerkzaamheden en de uitgevoerde testritten ontdekte dat er meerdere, dan wel complexere gebreken aan de voertuigen waren die aanvullende werkzaamheden vereisten. Hij stelt voor alle gefactureerde werkzaamheden toestemming te hebben gekregen van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 3] , die dit echter betwisten en die stellen nooit toestemming te hebben gegeven voor werkzaamheden van deze (financiële) omvang.

5.24

In beide auto’s zijn bij een technisch onderzoek talrijke gebreken aangetroffen, die deels moedwillig lijken te zijn gemaakt. Eén van de auto’s wordt zelfs aangemerkt als total loss, terwijl klager slechts was gevraagd het roetfilter te repareren en ten aanzien van de andere auto werd opgemerkt dat een deskundig garagebedrijf waarschijnlijk twee dagen nodig zal hebben om de auto weer rijklaar te maken.

Met één van de auto’s heeft klager ’s nachts gereden en daarbij een snelheidsovertreding gepleegd. Dat dit ging om een normale testrit, zoals hijzelf stelt, is niet geloofwaardig. Het lijkt er eerder op dat klager deze auto voor privédoeleinden heeft gebruikt, gezien alle troep en afval die erin lag bij inbeslagname. Datzelfde geldt voor de andere auto waarin allerlei uit China afkomstige pakketten lagen die aan klager waren gericht. Ook een beroep op een retentierecht verklaart niet dat hij de opdrachtgever ieder toegang tot en inspectie van de auto weigert.

5.25

Het heeft er alle schijn van dat klager zich tijdens de reparatieperiode meer als heer en meester van de auto’s heeft gedragen dan past bij de zorgvuldigheid die een goed opdrachtnemer in acht moet nemen (artikel 7:402 BW). Klager heeft ook stelselmatig geweigerd rekening en verantwoording af te leggen over zijn werkzaamheden en facturen, zoals hij wel verplicht is volgens artikel 7:403 BW. Ook heeft hij geweigerd de opdrachtgevers toegang te verlenen tot hun auto om de staat daarvan te inspecteren.

De strafrechtelijke kant van de zaak

5.26

In een geval als het onderhavige – waarin het belang van strafvordering het voortduren van het beslag niet meer vordert en de officier van justitie heeft medegedeeld voornemens te zijn de inbeslaggenomen zaak te doen teruggeven aan een ander dan de beslagene – zal de rechtbank moeten beoordelen of die ander redelijkerwijs als rechthebbende op de zaak kan worden aangemerkt. Bij de beantwoording van die vraag zal de rechtbank, zoals onder 5.19 gesteld, niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar daarbij zal hij wel civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een (voorlopig) oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in geding zijnde voorwerp. (Voetnoot 13)

5.27

Uiteindelijk zal de civiele rechter, hetzij in kort geding, hetzij in een bodemprocedure, dit geschil na een behoorlijk processueel debat moeten beslechten. In onderhavige beklagprocedure kan de raadkamer slechts een prognose geven over de vermoedelijke uitkomst, net zoals hij dat moet doen bij de vraag of de strafrechter te zijner tijd al dan niet zal komen tot een geldboete, verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer of iets dergelijks.

5.28

Uit het voorgaande lijkt te volgen dat klager degene is die in ernstige mate is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als opdrachtnemer. Dat rechtvaardigt vooralsnog de conclusie dat een beroep op het wettelijk retentierecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en hij zijn, naar het zich voorshands laat aanzien, ongefundeerde aanspraken op betaling niet op deze wijze kracht kan bijzetten. (Voetnoot 14) De raadkamer gaat ervan uit dat de civiele rechter ook tot deze conclusie zal komen.

5.29

Op dit moment hebben de eigenaren een groter belang bij het terugkrijgen van de auto’s om verdere schade te voorkomen dan het belang van klager bij het behoud van de auto’s als drukmiddel voor het voldoen van zijn rekeningen.

Slotsom

5.30

Op grond van het voorgaande is de rechtbank (vooralsnog) van oordeel dat niet klager, maar te weten [belanghebbende 1] , respectievelijk [belanghebbende 2] / [belanghebbende 3] redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen moeten worden beschouwd.

5.31

Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beklag ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. F.J.H. Hovens, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. T.F.R. Litan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing.

Voetnoot

Voetnoot 1

HR 22 januari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB8980), r.o. 3.4.

Voetnoot 2

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 december 2025, gevoegd bij klaagschrift, p. 18.

Voetnoot 3

Proces-verbaal van aangifte d.d. 18 december 2025, p. 23 (bundel); proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 januari 2026, p. 16 (bundel)

Voetnoot 4

Aanvullende stukken, p. 17.

Voetnoot 5

Aanvullende stukken, p. 20.

Voetnoot 6

Proces-verbaal forensisch voertuigonderzoek d.d. 16 februari 2026, PL0600-2025611273-17.

Voetnoot 7

Proces-verbaal van aangifte d.d. 19 december 2025.

Voetnoot 8

Nagezonden WhatsApp-berichten.

Voetnoot 9

Proces-verbaal forensisch voertuigonderzoek d.d. 16 februari 2026, PL0600-2025611273-15.

Voetnoot 10

Vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823; HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:803.

Voetnoot 11

Asser 7-IV, Asser/Tjong Tjin Tai 2022/115.

Voetnoot 12

Asser 6-I, Asser/Sieburgh 2020/272.

Voetnoot 13

HR 8 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:803; HR 21 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:648.

Voetnoot 14

Asser 7-IV, Asser/Tjong Tjin Tai 2022/117.