Rechtbank Gelderland, wraking strafrecht overig
ECLI:NL:RBGEL:2020:6653
Op 9 December 2020 heeft de Rechtbank Gelderland een wraking procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is C/05/380714 / KG RK 20-892, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBGEL:2020:6653. De plaats van zitting was Arnhem.
Indicatie
Wrakingsverzoek na afwijzing verzoek aanhouding strafzaak voor het toevoegen van dossierstukken uit andere onderzoeken. Procesbeslissing waarvan de motivering niet zo onjuist of onbegrijpelijk is dat uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard. Wraking afgewezen.
Uitspraak
proces-verbaal
RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem
zaaknummer: C/05/380714 / KG RK 20-892
proces-verbaal van de mondelinge beslissing van 9 december 2020
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
raadsvrouw: mr. B.L.M. Ficq
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. Y.H.M. Marijs, mr. F.J.H. Hovens en mr. S.H. Keijzer,
rechters in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechters.
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit
het verkort proces-verbaal van 9 december 2020 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld
de wrakingszitting van 9 december 2020
1.2.
Ter zitting heeft de wrakingskamer mondeling uitspraak gedaan, die in uitgewerkte vorm, met de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, als volgt luidt.
Beslissing
De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.
Overwegingen
3.1.
De wrakingskamer geeft hiervoor de volgende motivering.
3.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge wrakingsverzoek zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De vrees voor vooringenomenheid van de rechters is volgens verzoeker voor hem duidelijk geworden op het moment dat de rechters zijn verzoek tot het toevoegen van dossiers met betrekking tot andere incidenten aan zijn strafdossier en het in verband daarmee aanhouden van de behandeling van zijn strafzaak hebben afgewezen. Verzoeker wordt daarmee de mogelijkheid ontnomen om kennis te kunnen nemen van de onderzoeksresultaten van soortgelijke incidenten als hem ten laste worden gelegd in zijn strafzaak. Volgens hem kunnen, na het voegen van dossierstukken uit één of meer van die andere onderzoeken, alternatieve scenario’s blijken die een ander beeld kunnen geven met betrekking tot het bewijs in zijn stafzaak. Met de afwijzing van dit aanhoudingsverzoek hebben de rechters hun mening blootgelegd dat zij uitgaan van het – door het Openbaar Ministerie – geschetste scenario, aldus verzoeker.
3.3.
De rechters hebben tijdens de wrakingszitting (mondeling) op het wrakingsverzoek gereageerd. Ook de officieren van justitie hebben hun standpunt naar voren gebracht.
3.4.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.5.
De beslissing van de rechters om het aanhoudingsverzoek af te wijzen wordt door de wrakingskamer aangeduid als een procesbeslissing, omdat dit aanhoudingsverzoek het (nu) lopende strafproces van verzoeker raakt. De juistheid van een rechterlijke (proces)beslissing kan echter alleen worden beoordeeld als daartegen een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) is aangewend. De wrakingsprocedure is daarvoor niet bestemd, omdat het daarin uitsluitend gaat over de (schijn van) vooringenomenheid van de rechters. Alleen als de (proces)beslissing gelet op de motivering of de wijze van totstandkoming zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze uitsluitend door vooringenomenheid kan worden verklaard, is er grond voor wraking. Naar het oordeel van de wrakingskamer haalt hetgeen verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd en ter zitting nader heeft toegelicht ten aanzien van de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek deze hoge drempel niet.
Deze mondelinge beslissing is gegeven door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, voorzitter, mr. S.J. Peerdeman en mr. J.M. Graat, leden, in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Wolsink-van Veldhuizen en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020 en vastgelegd op 11 december 2020.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.