Rechtbank Limburg, voorlopige voorziening bestuursrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:5655

Op 11 June 2026 heeft de Rechtbank Limburg een voorlopige voorziening procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is ROE 26/1187, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:5655.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
ROE 26/1187
Datum uitspraak:
11 June 2026
Datum publicatie:
12 June 2026

Indicatie

De gemeente heeft de opvang van verzoeker en zijn gezin beëindigd op de grond dat hij zich niet aan de gedragsregels van de opvanglocatie hield. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft een verzoek om een voorlopige voorziening aangevraagd, zodat hij met zijn gezin voorlopig nog in de opvang kan blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Dit betekent dat verzoeker voorlopig nog in de opvanglocatie mag blijven. De voorzieningenrechter heeft doorslaggevend gewicht toegekend aan de belangen van de minderjarige kinderen van verzoeker, die in de buurt van de opvanglocatie naar school gaan.

Uitspraak

RECTIFICATIE D.D. 11 JUNI 2026 IN VERBAND MET OPNEMEN VERGOEDING TOLKENKOSTEN OP PAGINA 7 EN 8 RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROE 26/1187

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2026 in de zaak tussen [naam] , uit Cadier en Keer, verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eijsden-Margraten

(gemachtigden: mr. L.M.O. Coolen en O.J.H.M. Sollet).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om de opvang van verzoeker en zijn gezin in de opvanglocatie Pelikan met ingang van 1 juni 2026 te beëindigen. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.

1.1.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, omdat het belang van de kinderen van verzoeker bij de continuïteit van de opvang op de huidige opvanglocatie zwaarder weegt dan het belang van het college. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 22 mei 2026 heeft het college bepaald dat de opvang van verzoeker en zijn gezin in de opvanglocatie Pelikan met ingang van 1 juni 2026 wordt beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2.1.

Het college heeft per brief van 27 mei 2026 laten weten dat het college bereid is het bestreden besluit op te schorten tot en met 8 juni 2026.

2.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, [naam] als tolk en de gemachtigden

van het college.

Overwegingen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet. Als verzoeker het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoeker daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure dus anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.

4. De door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op bezwaar. Gelet op het feit dat verzoeker en zijn gezin bij beëindiging van de opvang de huidige opvanglocatie zullen moeten verlaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Waar gaat deze zaak over?

5. Verzoeker en zijn gezin (echtgenote, twaalfjarige zoon en vierjarige dochter) zijn afkomstig uit Oekraïne. Ze verblijven sinds 22 april 2025 op de opvanglocatie Pelikan in Cadier en Keer. Verzoeker en zijn gezin verhuisden naar deze locatie op initiatief van het college vanuit de opvanglocatie Rijckolt, nadat daar door het gedrag van verzoeker verstoorde verhoudingen waren ontstaan met diverse medebewoners.

5.1.

Verzoeker heeft kort na aankomst op de locatie diverse klachten ingediend over onder meer de temperatuur, geluidsoverlast, de wasruimte en het gedrag van medebewoners. In de periode vanaf juni 2025 hebben zich volgens het college de navolgende incidenten voorgedaan:

- 17 juni 2025: conflict met de beveiliging nadat verzoeker ondanks een verbod met zijn auto het terrein wilde oprijden om boodschappen uit te laden;

- 3 augustus 2025: conflict met een medebewoner van de opvanglocatie, waarbij een groep bewoners verzoeker confronteerde die vervolgens fysiek contact maakte en waarbij de beveiliging moest ingrijpen om verdere escalatie te voorkomen;

- 15 augustus 2025: verzoeker weigerde zijn pasje te tonen en schold de beveiliging uit;

- 2 december 2025: de kastjes, deuren en muren in de unit van verzoeker zijn met stift beklad;

- 29 december 2025: de beveiliging verwijderde een buggy die verzoeker in strijd met de huisregels buiten zijn unit had geplaatst ondanks eerdere waarschuwingen;

- 11 maart 2026: verzoeker diende een klacht in over een toegangscontrole waarbij hij gevraagd was zijn pas uit een hoesje te halen en reageerde daarbij agressief en bleef discussiëren;

- 24 april 2026: verzoeker parkeerde foutief en er ontstond een discussie;

- 27 april 2026: een incident waarbij de zoon van verzoeker een andere minderjarige jongen die ook woonachtig is in de opvang, heeft geschopt;

- 28 april 2026: een incident waarbij de zoon van verzoeker een andere minderjarige jongen die ook woonachtig is in de opvang, heeft geslagen. Camerabeelden bevestigen dat.

5.2.

Op 7 augustus 2025 vond naar aanleiding van een incident een gesprek plaats met de locatiemanager, waarbij verzoeker is gewezen op de grenzen van zijn rol als bewoner.

Op 20 februari 2026 ontving verzoeker een formele schriftelijke waarschuwing wegens herhaalde overtreding van de huisregels, in het bijzonder het niet opvolgen van aanwijzingen van personeel. In de brief is aangekondigd dat beëindiging van de opvang zou volgen indien het gedrag van verzoeker niet veranderd.

5.3.

Op 16 maart 2026 is verzoeker opnieuw schriftelijk via een e-mailbericht medegedeeld dat hij structureel de huisregels overtrad, aanwijzingen van personeel negeerde of ter discussie stelde en zich respectloos opstelde. Daarbij is opnieuw gewaarschuwd voor maatregelen.

5.4.

Op 30 april 2026 klaagde verzoeker per e-mail over een bezoek van de locatiemanager en een politieagent aan zijn unit, hetgeen hij aanmerkte als psychologische druk. Tijdens een casusoverleg op 7 mei 2026 is vastgesteld door het college dat verzoeker ieder fysiek gesprek bleef weigeren, voortdurend betrokken raakte bij conflicten en zijn gezin in toenemende mate isoleerde. Nu verzoeker weigert in gesprek te gaan, kan onvoldoende zicht worden verkregen op hetgeen zich achter de voordeur afspeelt. Gelet op het gedrag van de zoon van verzoeker is de casus voorgelegd aan Team Jeugd, dat zal beoordelen of een melding bij Veilig Thuis gemaakt moet worden.

5.5.

Bij het bestreden besluit van 22 mei 2026 heeft het college bepaald dat de opvang van verzoeker en zijn gezin in de opvanglocatie Pelikan met ingang van 1 juni 2026 wordt beëindigd en dat ze terecht kunnen in een alternatieve opvanglocatie in de buurgemeente Gulpen-Wittem. Daar is een vierpersoonswoning gereserveerd tot uiterlijk 8 juni 2026.

Is de opvang terecht beëindigd?

6. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit van het college is gebaseerd op de Regeling opvang ontheemden Oekraïne (RooO). In artikel 7, eerste lid, onder c en d, van de RooO, staat vermeld dat de opvang kan worden beperkt of ingetrokken indien de ontheemde ernstig inbreuk maakt op de verplichtingen, genoemd in artikel 6, derde lid, van de RooO en de ontheemde een ernstige vorm van geweld pleegt jegens medebewoners die in dezelfde opvangvoorziening verblijven, aan personen die werkzaam zijn in de voorziening, of aan anderen. In laatstgenoemd artikel is bepaald dat er een huishoudelijk reglement is en dat de ontheemden het reglement moeten naleven.

7. De RooO bevat geen bepaling op grond waarvan de ontheemde kan worden overgeplaatst buiten de gemeente. De voorzieningenrechter zal het besluit dan ook opvatten als een beëindiging van de opvang op de opvanglocatie Pelikan per 8 juni 2026.

8. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.

9. Verzoeker voert aan dat de beëindiging en overplaatsing van de opvang het gevolg is van de klachten en wettelijke procedures ter rechtsbescherming die verzoeker heeft ingediend tegen het college en dat er sprake is van misbruik van discretionaire bevoegdheden (détournement de pouvoir). Het bestreden besluit is genomen in een sfeer van acute bestuurlijke vooringenomenheid. Het college heeft verzuimd te voldoen aan haar dwingende plicht tot het zelfstandig en zorgvuldig onderzoeken van de feiten.

Het onkritisch overnemen van subjectieve logbestanden van een private partij door het bestuursorgaan, zonder eigen onafhankelijk feitenonderzoek, levert een

fundamenteel formeel gebrek op. Daarnaast voert verzoeker aan dat het besluit rechtstreeks twee minderjarige kinderen treft met de status van ontheemden uit een actief oorlogsgebied, wier psychische kwetsbaarheid uiterst hoog is. Dit betreft reeds de tweede

gedwongen verplaatsing van het gezin sinds april 2025 (de tweede keer binnen veertien maanden). De dochter bezoekt momenteel de lokale kinderopvang en is reeds

officieel ingeschreven voor de aansluitende basisschool in de huidige gemeente ter

waarborging van haar educatieve continuïteit. De zoon bevindt zich in een uiterst

kwetsbare puberteitsfase, is gedurende de afgelopen veertien maanden succesvol geïntegreerd in het lokale onderwijssysteem en bevindt zich in groep 7. Verzoeker heeft een rapport overgelegd van een breed psychodiagnostisch onderzoek van Expertisecentrum Leren & gedrag waarin is aangegeven dat de zoon in 2024 is gediagnosticeerd met ADHD. Een acute, punitieve verplaatsing naar een andere gemeente voor de tweede keer in veertien maanden dwingt tot een abrupte school- en omgevingswissel, hetgeen volgens verzoeker leidt tot ernstige retraumatisering en de opgebouwde sociale binding volledig tenietdoet. Het college heeft nagelaten een belangenafweging ex art. 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht uit te voeren, hetgeen tevens een grove inbreuk oplevert op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en op artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

10. Het college heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat de juridische grondslag uitsluitend gelegen is in artikel 7, eerste lid, onder c en d van de RooO en niet wegens het indienen van klachten of WOO-verzoeken. Deze procedures volgen hun eigen juridische weg en worden door het bestreden besluit niet beëindigd. Het college heeft zich gebaseerd op door het opvangteam aangeleverde, gedocumenteerde informatie, die wordt ondersteund door camerabeelden en bevindingen van zijn eigen medewerkers. Het college heeft zich op basis daarvan een zelfstandige oordeel gevormd over de gedragingen van verzoeker. Er is geen sprake van schending van de zorgvuldigheidsplicht of het verbod van vooringenomenheid. Tot slot licht het college toe dat bij de belangenafweging juist is meegewogen dat de voortdurende conflictsituatie op de opvanglocatie schadelijk is voor de kinderen. Het aanbieden van opvang in een rustigere woonomgeving, zoals de opvanglocatie in Gulpen-Wittem, dient daarom niet alleen het belang van de overige bewoners, maar juist ook het belang van de kinderen van verzoeker zelf.

11. De voorzieningenrechter overweegt dat de beëindiging van de opvang voor verzoeker en zijn gezin een belastend besluit is. Daarom moet in beginsel het college aannemelijk maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging is voldaan. Dit betekent dat het college de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Gelet op de grondslag van het bestreden besluit moet het college dus aannemelijk maken dat verzoeker ernstig inbreuk heeft gemaakt op de verplichtingen uit het huishoudelijk reglement en een ernstige vorm van geweld heeft gepleegd jegens medebewoners die in dezelfde opvangvoorziening verblijven of aan personen die werkzaam zijn in de voorziening, waardoor het college gebruik kon maken van zijn bevoegdheid om verstrekkingen te beperken of in te trekken.

12. Aan de voorwaarde van onderdeel d is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldaan en deze intrekkingsgrond voor de opvang kan daarom door het college niet ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit. De incidenten waarbij geweld is gepleegd zien niet op verzoeker zelf maar op zijn minderjarige zoon. Hoewel er zeker sprake is van incidenten waarbij ontoelaatbaar gewelddadig gedrag heeft plaatsgevonden door de zoon, gaat het hier wel om een conflictsituatie tussen kinderen onderling. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de gedragingen te weinig zwaarwegend zijn om deze aan te merken als een ernstige vorm van geweld waardoor het college gebruik kon maken van zijn bevoegdheid om verstrekkingen te beperken of in te trekken. Het college heeft ter zitting toegelicht dat deze grond ook ziet op de houding van verzoeker hoe hij zich heeft opgesteld om deze incidenten van zijn zoon te bespreken. De voorzieningenrechter is met het college van oordeel dat verzoeker zich niet coöperatief opstelt door niet in gesprek te willen gaan en alleen schriftelijk te willen communiceren. Hoewel deze eisen aan de manier van communiceren niet nodig en onhoudbaar zijn, is hiermee niet voldaan aan een van de voorwaarden om de opvang te beëindigen.

13. Op basis van de gedingstukken en het besprokene ter zitting is de voorzieningenrechter verder van oordeel dat het college onvoldoende heeft geconcretiseerd en gedocumenteerd op grond van welke gedragingen van verzoeker moet worden geconcludeerd dat hij het huishoudelijk reglement dusdanig heeft overtreden dat er sprake is van een ernstige inbreuk op de verplichtingen. Door het college is verwezen naar incidenten uit 2025 waarbij verzoeker de huishoudelijke regels heeft overtreden. Deze zijn echter te gedateerd om in het kader van het onderhavige besluit nog een dragende rol te kunnen spelen en vonden plaats voordat verzoeker een eerste schriftelijke waarschuwing (op 20 februari 2026) heeft ontvangen. Wanneer de voorzieningenrechter de recente incidenten van 2026 beziet, dus de incidenten nadat verzoeker een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen, dan gaat het om de volgende twee incidenten. In de eerste plaats om het incident van 11 maart 2026 waarbij verzoeker heeft geweigerd om een pasje uit een hoesje te halen en daarover in discussie is getreden. In de tweede plaats om het incident van 24 april 2026 waarbij verzoeker foutief parkeerde en daarover een discussie heeft gestart. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze twee incidenten onvoldoende zwaarwegend zijn om te oordelen dat verzoeker een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de verplichtingen, waardoor het college de opvang kon beëindigen.

14. Het college stelt in het verweerschrift en ter zitting dat er sprake is van een patroon. Verzoeker weigert stelselmatig de huisregels na te leven en aanwijzingen van het personeel op te volgen. Maar deze incidenten zijn niet gedocumenteerd en daarmee niet te controleren voor de voorzieningenrechter. Er is sprake van een belastend besluit en het is dan aan het college om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor beëindiging van de opvang is voldaan. Wanneer alle incidenten schriftelijk gedocumenteerd zouden zijn en het daarmee ook controleerbaar was, zou het oordeel van de voorzieningenrechter anders kunnen uitvallen. Mogelijk kan het college dit in bezwaar alsnog nader onderbouwen, maar bij deze stand van zaken bestaat er twijfel of het bestreden besluit in bezwaar stand kan houden.

Belangenafweging

15. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter in deze voorlopige voorzieningen hangende bezwaar een belangenafweging maken om te beoordelen of de gevraagde voorlopige voorziening moet worden toegewezen. De voorzieningenrechter vindt het een lastige afweging, omdat zowel de belangen van het college, als van verzoeker invoelbaar zijn. De belangenafweging valt toch in het voordeel van verzoeker uit. Uit voorgaande overwegingen blijkt dat twijfel bestaat of het bestreden besluit in bezwaar stand kan houden. Terwijl de beëindiging van de opvang op deze opvanglocatie voor verzoeker en zijn gezin wel nadelige gevolgen zal hebben. Gelet op het betoog van verzoeker op zitting, merkt de voorzieningenrechter het belang van de kinderen als een doorslaggevend groot belang aan om de opvang niet te beëindigen. Met name het belang van de zoon van verzoeker om het schooljaar af te maken op zijn huidige school, ook gelet op zijn aandoening waardoor er nog meer behoefte bestaat aan continuïteit. Het college heeft op zitting aangegeven dat de zoon van verzoeker ook bij overplaatsing naar de alternatieve locatie in Gulpen-Wittem op zijn huidige school kan blijven, maar dit is niet helemaal duidelijk vanwege vervoersperikelen. Het college heeft niet concreet kunnen aangeven hoe de zoon dan de school kan bereiken, nu verzoeker hem niet kan brengen omdat hij zelf naar zijn werk gaat. Verzoeker werkt in ploegendienst in Eindhoven, zijn echtgenote beschikt dan niet over een auto. Nu gaat zijn zoon met de fiets naar school en zijn echtgenote brengt hun dochter te voet naar de kinderopvang. Of er dagelijks een bus rijdt waar de zoon gebruik van kan maken om op tijd op school te komen of dat er aanspraak bestaat op leerlingenvervoer is onvoldoende duidelijk.

16. Ter zitting heeft het college naast het belang van de overige bewoners van de opvanglocatie ook naar voren gebracht dat alternatieve opvanglocaties erg schaars zijn. Wanneer verzoeker en het gezin niet naar de nu voor hen gereserveerde opvanglocatie in Gulpen-Wittem verhuizen, wordt het erg lastig voor het college om nog een alternatieve opvanglocatie te vinden voor het gezin als het besluit tot beëindiging van de opvang in bezwaar toch stand houdt. Hoewel het invoelbaar is tegen welke problemen het college aanloopt wanneer er alsnog een alternatieve opvanglocatie moet worden gevonden en ze dan mogelijk met ‘de rug tegen de muur staan’, zoals ter zitting is betoogd, is het naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zeker hoe de beslissing op bezwaar eruit gaat zien en of deze stand kan houden. Ook kan het college nu nog niet weten dat een alternatieve opvanglocatie dan niet beschikbaar is, misschien is er dan toch wat mogelijk.

17. De voorzieningenrechter wenst te benadrukken dat verzoeker een risico neemt door niet akkoord te gaan met de aangeboden opvang in Gulpen-Wittem. Ter zitting heeft verzoeker erkend dat de opvanglocatie in Gulpen-Wittem hem op zichzelf geschikter lijkt dan Pelikan. Ook de voorzieningenrechter acht deze opvanglocatie in Gulpen-Wittem erg geschikt voor verzoeker en zijn gezin. De woningen zijn ruimer dan de huidige woonunits en er is meer ruimte tussen de woningen. Vanwege deze ruimere opzet is er minder noodzaak om strak toe te zien op naleving van de huisregels. Mogelijk komt het college in bezwaar alsnog met een voldoende motivering om de opvang bij Pelikan te beëindigen. Het college zal dan een alternatieve plek moeten aanbieden en deze plek is mogelijk (veel) minder geschikt dan het huidige aanbod.

18. Ook al is bij deze stand van zaken er onvoldoende grondslag om de opvang te beëindigen, begrijpt de voorzieningenrechter tegelijkertijd dat het gedrag van verzoeker op de opvanglocatie Pelikan storend werkt. Dat het verzoek wordt toegewezen, betekent niet dat de voorzieningenrechter het gedrag van verzoeker toelaatbaar acht, integendeel. Juist omdat Pelikan een opvanglocatie is waar bewoners dicht bij elkaar wonen, is het begrijpelijk dat de medewerkers van de bewoners strikte naleving van de huisregels verlangen. Ook voor verzoeker geldt onverminderd dat hij zich aan de huisregels moet houden en gevolg moet geven aan de aanwijzingen van het personeel van de opvanglocatie.

19. Op de overige gronden die verzoeker heeft aangevoerd gaat de voorzieningenrechter niet in. Gezien de uitkomst van deze procedure is dat niet nodig.

Conclusie en gevolgen

20. Bij deze stand van zaken laat de voorzieningenrechter het belang van de kinderen van verzoeker, zwaarder wegen dan het belang van het college. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar. Dat betekent dat verzoeker en zijn gezin voorlopig niet uit de opvanglocatie de Pelikan mogen worden gezet.

21. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. (Na rectificatie d.d. 11 juni 2026) Verzoeker verzoekt om vergoeding van de kosten voor het inschakelen van een tolk. De tolk heeft hem bijgestaan ter zitting. De rechtbank is van oordeel dat de gedeclareerde werkzaamheden in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen, omdat bijstand ter zitting nodig was. Verzoeker overlegt een factuur van de tolk ter hoogte van € 350,90-.

De rechtbank zal voor de beantwoording van de vraag in hoeverre de gevorderde kosten redelijk zijn, uitgaan van een uurtarief van € 55,- voor een tolk en € 1,- per gereisde kilometer. Dit bedrag is gebaseerd op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De zitting heeft 2 uur geduurd en de gereisde aantal kilometer voor de tolk bedragen 116 kilometer. De rechtbank zal daarom bepalen dat een bedrag van € 226,- aan tolkkosten voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;

(na rectificatie d.d. 11 juni 2026) bepaalt dat het college de tolkkosten van € 226,- aan verzoeker moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.K.M. Bohnen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026, gerectificeerd op 11 juni 2026.

De griffier is buiten staat

de gerectificeerde uitspraak te ondertekenen.

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 11 juni 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.