Rechtbank Limburg, eerste aanleg - enkelvoudig arbeidsrecht

ECLI:NL:RBLIM:2026:6131

Op 13 April 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van arbeidsrecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is 12138831 \ CV EXPL 26-1265, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:6131. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
12138831 \ CV EXPL 26-1265
Datum uitspraak:
13 April 2026
Datum publicatie:
25 June 2026

Indicatie

Kort geding. Arbeid. Verstek.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 12138831 \ CV EXPL 26-1265

Vonnis in kort geding van 13 april 2026

in de zaak van

[werknemer] ,

wonend te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [werknemer] ,

gemachtigde: mr. R.A. Wijnands,

tegen

[werkgever] B.V.,

gevestigd te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [werkgever] ,

niet verschenen.

1
De procedure
1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8- de mondelinge behandeling van 30 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de verstekverlening tegen de niet verschenen [werkgever] .

Overwegingen

2
De beoordeling
2.1.

Aangezien alle voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping in acht zijn genomen, is tegen de niet verschenen [werkgever] verstek verleend.

2.2.

Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op het belang van [werknemer] een onmiddellijke voorziening bij voorraad geboden is.

2.3.

De door het verstek van [werkgever] onweersproken vorderingen, welke de kantonrechter onrechtmatig noch ongegrond voorkomen, zullen worden toegewezen.

2.4.

[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

156,23

- griffierecht

93,00

- salaris gemachtigde

577,00

- nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

970,23

2.5.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Beslissing

3
De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van het achterstallig loon, waaronder in ieder geval het nog te ontvangen loon van februari 2026 en maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van volledige betaling,

3.2.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van alle aan [werkgever] verzonden facturen die [werknemer] als ZZP-er aan [werkgever] heeft verzonden, evenals de betalingsverschillen tussen de facturen en de daadwerkelijk door [werknemer] ontvangen bedragen,

3.3.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het te laat betaalde loon van december 2025, januari 2026 en februari 2026,

3.4.

veroordeelt [werkgever] tot inschakeling van een bedrijfsarts binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet hieraan voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

3.5.

veroordeelt [werkgever] tot het ziekmelden van [werknemer] , zowel intern als bij het UWV, voor zover [werkgever] dat nog niet heeft gedaan, hetgeen [werknemer] waagt te betwijfelen, maar hij zelf niet kan controleren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet hieraan voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

3.6.

veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 970,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.7.

veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

3.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.