RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12138831 \ CV EXPL 26-1265
Vonnis in kort geding van 13 april 2026
[werknemer]
,
wonend te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. R.A. Wijnands,
[werkgever] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
niet verschenen.
Overwegingen
2.1.
Aangezien alle voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping in acht zijn genomen, is tegen de niet verschenen [werkgever] verstek verleend.
2.2.
Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op het belang van [werknemer] een onmiddellijke voorziening bij voorraad geboden is.
2.3.
De door het verstek van [werkgever] onweersproken vorderingen, welke de kantonrechter onrechtmatig noch ongegrond voorkomen, zullen worden toegewezen.
2.4.
[werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
156,23
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
970,23
2.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beslissing
3.1.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van het achterstallig loon, waaronder in ieder geval het nog te ontvangen loon van februari 2026 en maart 2026, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van alle aan [werkgever] verzonden facturen die [werknemer] als ZZP-er aan [werkgever] heeft verzonden, evenals de betalingsverschillen tussen de facturen en de daadwerkelijk door [werknemer] ontvangen bedragen,
3.3.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het te laat betaalde loon van december 2025, januari 2026 en februari 2026,
3.4.
veroordeelt [werkgever] tot inschakeling van een bedrijfsarts binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet hieraan voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
3.5.
veroordeelt [werkgever] tot het ziekmelden van [werknemer] , zowel intern als bij het UWV, voor zover [werkgever] dat nog niet heeft gedaan, hetgeen [werknemer] waagt te betwijfelen, maar hij zelf niet kan controleren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet hieraan voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
3.6.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 970,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.7.
veroordeelt [werkgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Drenth en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2026.