RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
rekestnummer: C/03/347687 FT RK 25/397
binnenkomst verzoekschrift d.d.: 5 december 2025
de besloten vennootschap Hare Vastgoed B.V.
kantoorhoudende te Goor,
hierna te noemen verzoeker,
advocaat mr. M. Samsen,
de rechtbank verzocht in staat van faillissement te verklaren:
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen verweerder.
Overwegingen
2.1.
De rechtbank merkt allereerst op dat een faillissementsprocedure zich niet leent voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten en voor een uitgebreide bewijslevering, maar slechts een beperkte toetsing van de situatie van de huidige omstandigheden betreft. Daarbij is van belang de mate waarin de verzoeker van het faillissement zijn vordering heeft onderbouwd door overlegging van stukken en de mate waarin de vordering van de faillissementsaanvrager wordt betwist door de verweerder.
2.2.
Uit hetgeen ter zittingen en de overgelegde stukken naar voren is gekomen blijkt, kort weergegeven, dat door verzoeker in onvoldoende mate is aangetoond dat sprake is van een vorderingsrecht jegens verweerder.
2.3.
Verzoeker baseert diens vordering op een op 18 december 2024 gesloten huurovereenkomst tussen verzoeker en Yellow Gym XIX B.V. i.o. Omdat verweerder heeft nagelaten deze rechtshandeling te bekrachtigen is hij ingevolgde artikel 2:203 Burgerlijk Wetboek aansprakelijk voor de ontstane vordering, dat is althans het standpunt van verzoeker.
2.4.
Uit de concerngarantie, opgesteld op 30 december 2024, van Yellow Gym HQ B.V. leidt de rechtbank echter af dat Yellow Gym XIX B.V. na haar oprichting en inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel voornoemde rechtshandeling wellicht wel heeft bekrachtigd. Gelet op de stelling dat de huurovereenkomst niet is bekrachtigd, is het bovendien bijzonder te noemen dat verzoeker in een eerdere ontruimingsprocedure Yellow Gym XIX B.V. heeft gedagvaard in plaats van verzoeker. Er blijkt dus niet summierlijk dat verweerder op deze grond aansprakelijk is voor betaling van de opeisbare vordering die verzoeker aan het verzoek ten grondslag legt.
2.5.
Hiernaast stelt verzoeker dat verweerder zich persoonlijk garant heeft gesteld. Verweerder voert echter aan dat op grond van artikel 1:88 BW toestemming had moeten worden verkregen van zijn echtgenoot, die een beroep heeft gedaan op vernietiging van de rechtshandeling. Volgens verzoeker was toestemming niet nodig omdat de overeenkomst is gesloten ten behoeve van de normale bedrijfsuitoefening van de vennootschap. De rechtbank stelt hier vraagtekens bij. Het sluiten van een standaardhuurovereenkomst is wellicht zo te kwalificeren voor de bedrijfsuitoefening van een sportschool, maar in dezen ging het om veel meer dan een standaardhuurovereenkomst. Immers zag de garantstelling niet alleen op betaling van de huur, maar strekte die tot zekerheid ‘voor volledige nakoming van alle verplichtingen in verband met of uit hoofde van deze huurovereenkomst, daaronder ook begrepen de nakoming van de afbouw van het gehuurde conform de bijlage “calculatie Goor”’. Met dit laatste was een investeringsbijdrage van € 200.000,- gemoeid. Verzoeker lijkt zich op het standpunt te willen stellen dat de opeisbare vordering die ten grondslag wordt gelegd aan het verzoek enkel ziet op huurpenningen, en dat dit onder de uitzondering van artikel 1:88 lid 5 BW valt zodat geen toestemming van de echtgenoot nodig was, maar dat miskent dat de rechtshandeling, de garantstelling, een geheel vormt. Deze rechtshandeling omvat een garantstelling voor verplichtingen die zonder nadere toelichting (grotendeels) niet lijken te passen bij de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap en derhalve lijkt het erop dat de echtgenoot op grond van 1:89 lid 1 BW de rechtshandeling mocht vernietigen, wat zij ook daadwerkelijk heeft gedaan. In ieder geval kan niet summierlijk worden vastgesteld dat de vernietiging geen doel trof.
2.6.
Het lijkt er daarom op dat verzoeker een ander soort procedure zal moeten entameren teneinde diens vorderingsrecht jegens verweerder te laten vaststellen.
2.3.
De rechtbank kan dan ook niet vaststellen of voldaan is aan het bepaalde in artikel 1 en artikel 6 lid 3 van de Faillissementswet (Fw) dat summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen.
2.4.
Het verzoek tot faillietverklaring dient daarom te worden afgewezen.