Rechtbank Limburg, wraking personen- en familierecht

ECLI:NL:RBLIM:2026:4141

Op 19 February 2026 heeft de Rechtbank Limburg een wraking procedure behandeld op het gebied van personen- en familierecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C/03/349747 / HA RK 26-33, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:4141. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
C/03/349747 / HA RK 26-33
Datum uitspraak:
19 February 2026
Datum publicatie:
29 April 2026

Indicatie

Wrakingsverzoek ingediend door minderjarigen. Een minderjarige staat onder gezag en kan zelf geen verzoeken bij de rechter doen en dat geldt ook voor een verzoek tot wraking. Op het verzoek om een informele rechtsingang is nog niet beslist, bovendien is dit geen formele procedure en zijn minderjarigen geen partij. Het verzoek tot wraking is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Wrakingskamer

Zaaknummer C/03/349747 / HA RK 26-33

Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken

op het verzoek van de minderjarige

[verzoekster] ,

verzoekster,

mede namens haar minderjarige broer,

[minderjarigen] ,

hierna samen ook te noemen: de minderjarigen,

dat strekt tot wraking van de meervoudige familiekamer, bestaande uit

mr. M.A.M. van Uum, mr. W.Th.M. Raab en mr. L.N. Geerman, rechters in de rechtbank Limburg, hierna: de rechters.

1
De procedure

Op 23 februari 2026 is er een zitting van de meervoudige familiekamer gepland waarop bovengenoemde rechters twee verzoeken zullen behandelen. Het ene verzoek is ingediend door de moeder van de minderjarigen (C/03/278317FA RK-20-1896). Dit verzoek gaat over het gezag over de minderjarigen. Het tweede verzoek (C/03/342186/ JE RK 25-912) is ingediend door de Raad voor de Kinderbescherming. Zij vragen een ondertoezichtstelling van de minderjarigen.

Daarnaast hebben de minderjarigen een brief naar de rechtbank geschreven om een “informele rechtsingang” te krijgen. Hierover is door de rechtbank nog geen beslissing genomen.

De verzoekster heeft op 18 februari 2026, ook namens haar minderjarige broer, een wrakingsverzoek ingediend. De minderjarigen willen dat de rechters die deze zaken op 23 februari 2026 gaan behandelen worden vervangen, omdat zij geen vertrouwen hebben in die rechters. Daarom hebben zij een verzoek gedaan aan de wrakingskamer om deze rechters te wraken. De drie rechters van de wrakingskamer zijn andere rechters dan de rechters die over de andere, hierboven genoemde verzoeken moeten beslissen.

Op 19 februari 2026 heeft een van de rechters van de familiekamer, mede namens de andere twee rechters, de wrakingskamer laten weten dat zij niet in het wrakingsverzoek berusten. Dit betekent dat zij niet vinden dat zij moeten stoppen met de behandeling van de zaken die op 23 februari 2026 zullen worden behandeld.

Overwegingen

2
De beoordeling

De wrakingskamer moet, als zij naar dit wrakingsverzoek kijkt, zich houden aan de regels van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Die regels schrijven onder andere voor wie wél en wie niet een procedure bij de rechter kan starten. Het verzoek tot vervanging van de rechters dat de minderjarigen hebben ingediend is zo’n procedure.

De minderjarigen die het wrakingsverzoek hebben ingediend zeggen dat zij vanuit hun positie als minderjarigen met een eigen rechtsingang de rechters van de meervoudige familiekamer wraken.

In artikel 245 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek staat geschreven dat minderjarigen onder gezag staan. In datzelfde artikel staat geschreven dat minderjarigen niet zelf verzoeken bij de rechter kunnen doen. Dat moet gedaan worden door degene die het gezag over hen heeft. Minderjarigen zijn, wat de wet betreft, handelingsonbekwaam. In artikel 250 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek wordt hierop wel een uitzondering genoemd, maar die uitzondering is hier niet van toepassing.

Het klopt dat er een brief bij de familiekamer is binnengekomen waarin beide minderjarigen vragen om een informele rechtsingang. Maar hierop is nog geen beslissing genomen door de familiekamer, bovendien is dit geen formele procedure en zijn de minderjarigen geen partij.

Een minderjarige kan dus zelf geen verzoeken bij de rechter indienen en dat geldt ook voor een verzoek tot wraking. Dit betekent dat de wrakingskamer het verzoek van de minderjarigen niet in behandeling kan nemen en dat de minderjarigen, zoals in de wet staat ‘niet-ontvankelijk’ in hun verzoek zijn.

Beslissing

3
De beslissing

De wrakingskamer

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.P.C. Dijkshoorn-Sleebe, mr. M.M. Beije en

mr. W.F.J. Aalderink, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op

19 februari 2026.