4.1.
Seachel vordert – samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis,
Naira Shipping en Shipman hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Seachel van € 24.290,42 (bestaande uit € 20.789,12 aan hoofdsom, € 2.518,41 aan verschenen wettelijke rente en € 982,89 aan buitengerechtelijke incassokosten), de tot aan de dag van dagvaarding verschenen rente daarbij inbegrepen - maar voor zover dat wordt toegewezen het toegewezen bedrag te beperken tot € 25.000;
Naira Shipping en Shipman hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Seachel van de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;
Naira Shipping en Shipman hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Seachel van de proceskosten en nakosten.
4.2.
Seachel legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Volgens Seachel zijn Shipman c.s. tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst door de facturen niet te betalen. Omdat Seachel de overeenkomst heeft ontbonden, ontstaan ongedaanmakingsverbintenissen. De verbintenissen jegens Shipman c.s. zijn reeds uitgevoerd en niet ongedaan te maken. Daarom zijn Shipman c.s. gehouden om schadevergoeding te betalen voor de door Seachel uitgevoerde werkzaamheden en voorschotten. Haar schade bedraagt de hoogte van de facturen.
4.3.
Shipman c.s. voeren verweer en voeren het volgende aan. Shipman c.s. hoeven de facturen niet te betalen wegens tekortkomingen aan de zijde van Seachel. Bovendien zijn de facturen niet onderbouwd en komen de bedragen niet overeen met hetgeen is bepaald in de overeenkomst.
4.4.
Shipman c.s. vorderen - samengevat - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Seachel tot betaling aan Shipman van € 25,000.00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van indiening van de eis in reconventie, tot aan de dag van algehele voldoening en betaling van de proceskosten.
4.5.
Shipman c.s. leggen aan hun vordering het volgende ten grondslag. Shipman c.s. hebben € 25.000,00 schade geleden als gevolg van het feit dat Seachel het financiële rendement bij de exploitatie niet tot uitgangspunt heeft genomen en de verliezen heeft laten oplopen.
4.6.
Seachel betwist dat er sprake is van wanprestatie. De schade is volgens Seachel bovendien niet onderbouwd.
4.7.
Op de stellingen van partijen zowel in conventie als in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Overwegingen
5
De beoordeling in conventie en in reconventie
5.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Naira Shipping is contractspartij bij de overeenkomst
5.2.
Partijen zijn in geschil over de vraag of Naira Shipping partij is bij de overeenkomt. Seachel stelt dat zij de overeenkomst met zowel Shipman als met Naira Shipping is aangegaan en dat dit ook zo is afgesproken. Bovendien is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat ook met Naira Shipping een overeenkomst is gesloten, aldus Seachel. Zo is Naira Shipping op iedere overeenkomst vermeld en hebben partijen afgesproken dat een deel van de facturen aan Naira Shipping wordt gestuurd.
5.3.
Volgens Shipman c.s. is het sturen van de facturen aan Naira Shipping enkel een administratieve afhandeling en kan daaruit niet worden afgeleid dat Naira Shipping partij is bij de overeenkomst. Bovendien zijn alle overeenkomsten getekend door Shipman en niet door Naira Shipping. Verder stellen Shipman c.s. dat de verwijzing naar Naira Shipping in de overeenkomsten enkel is opgenomen om het onderwerp van de overeenkomst aan te duiden.
5.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. De vraag of Naira Shipping partij is bij de overeenkomst, is afhankelijk van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de relevante omstandigheden behoort de kenbare hoedanigheid van partijen en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn (Hoge Raad 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615). De overeenkomsten zijn weliswaar ondertekend door Shipman en niet door Naira Shipping, maar op iedere overeenkomst zijn linksboven de naam en gegevens van Naira Shipping vermeld. Verder staat vast dat er is gefactureerd aan Naira Shipping. Seachel had hieruit mogen afleiden dat zij de overeenkomsten ook met Naira Shipping is aangegaan. De kantonrechter oordeelt daarom dat Naira Shipping contractspartij is bij de overeenkomst.
De gestelde tekortkomingen aan de zijde van Seachel
5.5.
Shipman c.s. voeren als verweer dat Seachel is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat zij de facturen daarom niet hoeven te betalen. De grootste tekortkoming is volgens Shipman c.s. het feit dat Seachel niet genoeg heeft gedaan om de financiële exploitatie van het schip te waarborgen. Daarop wordt hierna eerst ingegaan. Vervolgens worden de overige door Shipman c.s. gestelde tekortkomingen behandeld.
Financiële exploitatie geen kernverplichting
5.6.
Volgens Shipman c.s. is Seachel als scheepsmanager een dienstverlener die al datgene doet wat strekt tot een goede winstgevende exploitatie van het schip. Het economisch winstgevend exploiteren van het schip betreft de kernprestatie van de scheepsmanager en Seachel moet zich daarvoor pro actief inzetten. Seachel heeft volgens Shipman c.s. niet, zoals zij wel overeengekomen zijn, het financiële rendement bij de exploitatie tot uitgangspunt genomen en heeft de verliezen laten oplopen, zonder de maatregelen te nemen die van een goed opdrachtnemer konden worden verwacht. Er is geen commerciële planning opgesteld voor het succesvolle management van het schip en een dergelijk plan is nooit uitgevoerd. Er zijn slechts vier korte reizen gemaakt gedurende de periode dat het schip onder management van Seachel was in een looptijd van tweeëneenhalve maand. In zijn algemeenheid was Seachel niet geïnteresseerd in economische indicatoren, berekeningen en manieren om het schip economisch te exploiteren. Dit levert wanprestatie op, aldus Shipman c.s.
5.7.
Seachel betwist dat zij de verplichting op zich heeft genomen om het financiële rendement en exploitatie van het schip te waarborgen. Volgens Seachel ontbreekt in de overeenkomsten een grondslag voor een dergelijke verplichting of garantie. Shipman c.s. hebben de gestelde verplichting onvoldoende onderbouwd, aldus Seachel.
5.8.
De kantonrechter overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of de winstgevende exploitatie van het schip een kernprestatie betreft, is van belang wat partijen van elkaar mochten verwachten op grond van de overeenkomst. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt niet dat een dergelijke resultaatsverbintenis is overeengekomen. In de ‘Management Agreement’ is het volgende opgenomen: “We will always take the financial interest into account, discuss high expenses whit the owner, and try tp persue the profit objective.” De tekst van de overeenkomst duidt hiermee op een inspanningsverplichting, waardoor het uitblijven van de winstgevende exploitatie van het schip op zichzelf niet als tekortkoming kan worden aangemerkt. Ook zijn er geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit kan worden afgeleid dat partijen een dergelijke afspraak zijn overeengekomen. Daarnaast is door Shipman c.s. onvoldoende onderbouwd in welke zin die inspanningsverplichting niet zou zijn nagekomen. Dat er bijvoorbeeld een plan zou moeten worden gemaakt en uitgevoerd voor het succesvolle management van het schip, blijkt nergens uit. Gelet op het voorgaande betreft de winstgevende exploitatie van het schip geen resultaatsverbintenis en dit kan dan ook geen tekortkoming opleveren.
Het sluiten van vervoersovereenkomsten volgt niet uit de overeenkomst
5.9.
Een andere tekortkoming is volgens Shipman c.s. dat Seachel geen vervoersovereenkomsten heeft gesloten en dat wel had moeten doen. Shipman c.s. voeren aan dat Seachel als manager de verantwoordelijkheid voor onder andere het boeken van lucratieve reizen en het sluiten van vervoersovereenkomsten heeft aanvaard. Seachel betwist dit en voert aan dat de verantwoordelijkheid voor het boeken van reizen of het sluiten van vervoersovereenkomsten niet blijkt uit de overeenkomsten.
5.10.
De kantonrechter overweegt als volgt. In de ‘Agreement’ is over het sluiten van vervoersovereenkomsten het volgende opgenomen: “Delivery of a complete management package (maintenance program for the [schip], visits on board to assess the maintenance and condition of the ship, discussing and planning maintenance and repairs with the owner and repair companies) Discussing travel plans with the charterer and owner.” De kantonrechter leidt hieruit af dat de taken van Seachel beperkt zijn tot de dagelijkse operationele en organisatorische werkzaamheden en omvatten daarmee niet het sluiten van vervoersovereenkomsten. Als partijen de intentie hadden gehad om dit wel onder de overeenkomst te laten vallen, had dit expliciet in de overeenkomst moeten worden opgenomen.
5.11.
Shipman c.s. hebben nog aangevoerd dat Seachel in de dagvaarding zelf heeft gesteld dat het sluiten van vervoersovereenkomsten onderdeel uitmaakt van de overeenkomst. Seachel heeft dit echter gemotiveerd betwist door aan te voeren dat haar rol beperkt was tot die van een tussenpersoon. De kantonrechter volgt Seachel in dat standpunt. De vervoersovereenkomsten werden immers niet door Seachel zelf maar uitdrukkelijk, zoals ook opgenomen in de dagvaarding, ‘namens Shipman c.s.’ gesloten. Hiermee fungeerde Seachel enkel als tussenpersoon en niet als contractspartij bij die vervoersovereenkomsten.
5.12.
Zelfs indien op Seachel wel een verbintenis zou rusten om vervoersovereenkomsten te sluiten, is niet gesteld of onderbouwd dat zij daarin is tekortgeschoten. Shipman c.s. hebben immers niet aangevoerd dat er te weinig vervoersovereenkomsten zijn gesloten en dat de te tegenvallende winst daarvan het gevolg is. Ook om deze reden kan het verweer niet slagen.
De overige tekortkomingen zijn onvoldoende onderbouwd
5.13.
Shipman c.s. hebben in het e-mailbericht van 20 juni 2024 een aantal klachten kenbaar gemaakt aan Seachel. Het gaat om gestelde tekortkomingen betreffende de bemanning, technisch beheer en commercieel management. Seachel hebben deze tekortkomingen betwist. Hoewel Shipman c.s. deze tekortkomingen in hun conclusie van antwoord hebben aangehaald, zijn deze niet nader uitgewerkt en zijn daar geen concrete conclusies aan verbonden. Voor zover Shipman c.s. toch hebben beoogd deze tekortkomingen ten grondslag te leggen aan hun verweer, overweegt de kantonrechter het volgende.
5.14.
Ten aanzien van de bemanning stellen Shipman c.s. dat er hogere bedragen in rekening gebracht zijn voor de matroos en kapiteins dan overeengekomen. Daarnaast zouden kapiteins soms aan boord zijn gebleven zonder dat het schip voer of operationeel was, was de eerste matroos incompetent en was de bemanning niet gemotiveerd. Ook ging de opzegging in op 26 april 2024 maar was de kapitein al op 28 maart 2024 van schip gehaald en de matroos al op 8 april 2024. Ten aanzien van het technisch beheer stellen Shipman c.s. dat Seachel schade heeft veroorzaakt doordat er na de opzegging een nieuwe certificering van het schip noodzakelijk was. Daarnaast zouden benodigdheden willekeurig en incompleet zijn besteld waardoor Shipman c.s. deze zelf moesten ophalen en aan boord afleveren. Ook zouden de veiligheidsapparatuur en documentatie niet zijn bijgewerkt en voerde de reddingsboot van het schip bij het einde van de overeenkomst nog de oude naam van het schip. Verder zou Seachel, in strijd met de overeenkomst, de mobiele telefoon en werkkleding hebben verwijderd. De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Shipman c.s. hebben de stelling dat het voorgaande tekortkomingen oplevert aan de zijde van Seachel, onvoldoende onderbouwd. Omdat Shipman c.s. niet hebben voldaan aan hun stelplicht, kunnen deze punten niet als tekortkoming worden aangemerkt.
5.15.
Ten aanzien van het commercieel / chartering management stelt Seachel dat de kapiteins geen duidelijke orders of reisinstructies ontvingen van Seachel en dat Shipman c.s. in diverse gevallen geen charterpartijen of voorwaarden van de charters ontvingen. Ook zou Seachel hebben nagelaten om aan Shipman c.s. rapportages van de kapitein of manager toe te zenden. De kantonrechter oordeelt dat uit de inhoud van de overeenkomst of anderszins niet is gebleken dat het voorgaande is overeengekomen. Aangezien er geen contractuele verplichting was voor Seachel, kunnen deze punten geen tekortkomingen opleveren.
5.16.
Naast de tekortkomingen willen Shipman c.s. de facturen niet betalen omdat deze niet de overeengekomen bedragen bevatten en omdat de facturen onvoldoende zijn onderbouwd. Shipman c.s. hebben daarom een 'Final Statement of Accounts' opgemaakt. Dit overzicht sluit op een bedrag van € 3.961,71, welk bedrag Shipman c.s. al hebben betaald, aldus Shipman c.s.
5.17.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Shipman c.s. hebben hun stelling dat de facturen van Seachel onjuist zijn, onvoldoende onderbouwd. Shipman c.s. hebben, tegenover de gemotiveerde betwisting door Seachel, met hun eigen overgelegde overzicht niet voldoende onderbouwd waarom de overeengekomen bedragen voor de managementkosten, de variërende en overige kosten niet (volledig) verschuldigd zouden zijn. Dat niet alle kosten in rekening gebracht kunnen worden omdat Seachel is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, treft op hetgeen hiervoor is overwogen geen doel. Verder hebben Shipman c.s. nagelaten om met stukken te onderbouwen op welke grond de factuurbedragen lager zouden moeten uitvallen dan in de overeenkomsten is overeengekomen. Bovendien weegt de kantonrechter mee dat niet is gebleken dat Shipman c.s. tijdens de uitvoering van de werkzaamheden door Seachel hebben geprotesteerd tegen de gehanteerde tarieven. Het lag op de weg van Shipman c.s. om dit eerder kenbaar te maken aan Seachel. Nu zij dit niet hebben gedaan, mocht Seachel er redelijkerwijs op vertrouwen dat Shipman c.s. instemden met de gehanteerde tarieven.
5.18.
Wat betreft de ingangsdatum van de overeenkomst volgt de kantonrechter Shipman c.s. in het standpunt dat de ingangsdatum van de overeenkomst 6 januari 2024 betrof. Shipman c.s. hebben echter in het door hen overgelegde overzicht niet inzichtelijk gemaakt welk specifieke deel van de facturen hierdoor niet voor vergoeding in aanmerking zou moeten komen. Dat dit onduidelijk blijft, komt voor rekening van Shipman c.s. Daarom worden de facturen van Seachel volledig toegewezen.
5.19.
Omdat op de door Seachel verzonden facturen een betalingstermijn van zeven dagen na dagtekening van toepassing is, verkeren Shipman c.s. al geruime tijd in verzuim. Bovendien heeft Seachel Shipman c.s. in gebreke gesteld. Seachel heeft daarmee voldaan aan het verzuimvereiste.
5.20.
In geschil is de vraag of de brief van 26 maart 2024 gekwalificeerd moet worden als een ontbinding of als een opzegging. Seachel stelt dat sprake is van ontbinding en vordert op grond daarvan schadevergoeding. Shipman c.s. voeren aan dat de brief een opzegging behelst waarbij de opzegtermijn is geschonden.
5.21.
De kantonrechter overweegt dat de juridische kwalificatie van de brief in het midden kan blijven. Voor de betalingsverplichting van Shipman c.s. maakt dit namelijk geen verschil. Ook indien de brief van 26 maart 2024 niet als een rechtsgeldige ontbinding zou worden aangemerkt maar als een opzegging (al dan niet met inachtneming van de juiste termijn), ontslaat dit Shipman c.s. niet van haar betalingsverplichting voor de reeds verrichte werkzaamheden. Vaststaat dat Shipman c.s. Seachel moeten betalen voor de overeengekomen uitgevoerde werkzaamheden. Indien sprake is van een ontbinding zijn Shipman c.s. op grond van artikel 6:272 BW een waardevergoeding verschuldigd voor de reeds ontvangen prestaties. Is er sprake van opzegging, dan volgt de betalingsverplichting rechtstreeks uit de overeenkomst. Shipman c.s. moeten daarom onverkort de facturen betalen.
5.22.
Omdat Shipman c.s. tekortgeschoten zijn in de nakoming van de overeenkomst en omdat hun verweer niet slaagt, moeten zij de facturen van in totaal € 20.789,12 aan Seachel betalen.
De vordering in reconventie wordt afgewezen
5.23.
Volgens Shipman c.s. hebben zij schade geleden als gevolg van het feit dat Seachel de verliezen van het schip heeft laten oplopen, zonder de maatregelen te nemen die van een goed opdrachtnemer konden worden verwacht. Uit het e-mailbericht van 20 juni 2024 blijkt dat tegenover in rekening gebrachte managementkosten van circa € 70.000,00 een opbrengst aan binnenkomende vracht van € 38.000,00 stond. Dit is volgens Shipman c.s. niet het resultaat dat zij op grond van de aanprijzingen en de tekst van de overeenkomst konden verwachten. Shipman c.s. stellen de schade die zij hebben geleden vast op € 25.000,00.
5.24.
Seachel betwist de door Shipman c.s. gestelde schade. De schade blijkt nergens uit en wordt niet verder onderbouwd. Bovendien zou eventuele schade niet toe te rekenen zijn aan Seachel, omdat geen sprake is van wanprestatie. Shipman c.s. hadden een schadebeperkingsplicht en treffen eigen schuld aan hun schade.
5.25.
De kantonrechter is het met Seachel eens. Zoals hiervoor is overwogen zijn er geen tekortkomingen aan de zijde van Seachel. De grondslag voor schadevergoeding ontbreekt dan ook. Bovendien hebben Shipman c.s. het vereiste causale verband tussen de gestelde tekortkomingen en de schade, alsmede de hoogte van de schade, onvoldoende onderbouwd. De vordering in reconventie wordt daarom afgewezen.
5.26.
In conventie eist Seachel wettelijke rente over het bedrag van € 24.290,42. Shipman c.s. zijn bij niet tijdige betaling op grond van het bepaalde in artikel 6:119 BW de wettelijke rente over de facturen verschuldigd steeds vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan. De wettelijke rente over de hoofdsom van € 20.789,12 zal als onweersproken en als op de wet gegrond worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde wettelijke rente over de verschenen rente op grond van artikel 6:119 lid 2 BW zal worden afgewezen.
De buitengerechtelijke incassokosten
5.27.
De vordering in conventie moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat Seachel voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen op de wijze zoals hierna vermeld.
5.28.
Shipman c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom in conventie en in reconventie de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Seachel in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
1.154,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.881,35
5.29.
De proceskosten van Seachel in reconventie worden, vanwege de samenhang met de vordering in conventie, begroot op € 288,50 (0,5 punt × € 577,00).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.30.
Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Dit betekent dat deze uitspraak geldt, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.
Beslissing
6.1.
veroordeelt Shipman c.s. hoofdelijk om aan Seachel te betalen een bedrag van € 23.307,53, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 20.789,12, vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt Shipman c.s. hoofdelijk om aan Seachel te betalen een bedrag van € 982,89 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt Shipman c.s. in de proceskosten van € 2.881,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.4.
wijst de vorderingen van Shipman c.s. af,
6.5.
veroordeelt Shipman c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 288,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
6.6.
veroordeelt Shipman c.s. hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als Shipman c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.1, 6.2, 6.3, 6.5 en 6.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Badal en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.