Rechtbank Limburg, eerste aanleg - enkelvoudig verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBLIM:2024:2948
Op 5 June 2024 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van verbintenissenrecht, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is C03.317813/HA ZA 23-214, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2024:2948. De plaats van zitting was Roermond.
Advocaat:
mr. D van Tilborg;mr. J.W.M. Hagelaars
Formele relaties:
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2026:1003
Indicatie
Eiser vordert betaling van schadevergoeding door gedaagde vanwege door eiser bekostigde jeugdhulp ten behoeve van een vijftal jeugdigen. Uitleg woonplaatsbeginsel van artikel 1.1 van Jeugdwet (oud) in het kader van de feitelijke omstandigheden van de zaak. Afwijzing vordering. Geen ongerechtvaardigde verrijking ex artikel 6:212 BW; geen onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW en geen sprake van zaakwaarneming ex artikel 6:198 BW.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Zaaknummer: C/03/317813 / HA ZA 23-214
Vonnis van 5 juni 2024 (bij vervroeging)
GEMEENTE NUENEN,
zetelend te Nuenen,
eisende partij,
hierna te noemen: Nuenen,
advocaat: mr. D. van Tilborg,
GEMEENTE BERGEN,
zetelend te Bergen (Limburg),
gedaagde partij,
hierna te noemen: Bergen,
advocaat: mr. J.W.M. Hagelaars.
1.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of Bergen aan Nuenen een schadevergoeding moet betalen vanwege door Nuenen bekostigde jeugdhulp ten behoeve van een vijftal jeugdigen.
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 26 juli 2023,
- de conclusie van antwoord
- de akte van 30 april 2024 van Nuenen,
- de akte van 30 april 2024 van Bergen,
- de akte van 8 mei 2024 van Bergen,
- de mondelinge behandeling van 16 mei 2024.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3.1.
Tot en met december 2020 woonden vijf jeugdigen (hierna: de jeugdigen) in een gezinshuis in Nuenen. Deze jeugdigen zijn in het verleden uit huis geplaatst. De William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna: WSS) is aangesteld als voogd van de jeugdigen.
3.2.
In oktober 2020 werd duidelijk dat de gezinshuisouders zouden stoppen met hun zorgverlening. Voor de jeugdigen moest daardoor nieuwe huisvesting worden gezocht, bij voorkeur op een plek waar zij alle vijf bij elkaar konden (blijven) wonen.
3.3.
Vanaf januari 2021 hebben de jeugdigen feitelijk verbleven in [verlijfplaats] , gemeente Bergen. Per 7 januari 2022 zijn de jeugdigen verhuisd naar andere hulpverleners/aanbieders in de gemeente Leudal en de gemeente Peel en Maas.
4.1.
Nuenen vordert - samengevat - dat de rechtbank, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Bergen veroordeelt tot betaling aan Nuenen van:
een bedrag van € 410.625,- vermeerderd met wettelijke rente;
de kosten van deze procedure vermeerderd met wettelijke rente.
4.2.
Nuenen legt aan deze vorderingen, kort samengevat, het volgende ten grondslag. Nuenen heeft jeugdhulp ten behoeve van vijf jeugdigen bekostigd voor een bedrag van € 410.625,-. Dit terwijl op grond van de wettelijke zorgplicht en het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet niet Nuenen, maar Bergen inhoudelijk en financieel verantwoordelijk was voor de jeugdhulp van deze vijf jeugdigen in 2020. Nuenen betoogt dat Bergen de wettelijke zorgplicht uit de Jeugdwet niet is nagekomen. Nuenen heeft zich daarom onverplicht de belangen van de jeugdigen, de jeugdhulpaanbieder en Bergen aangetrokken. Als gevolg daarvan heeft Nuenen schade geleden. Nuenen baseert de vordering tot schadevergoeding op (primair) ongerechtvaardigde verrijking, (subsidiair) onrechtmatige daad en (meer subsidiair) zaakwaarneming.
4.3.
Bergen voert verweer. Bergen stelt dat het op grond van een redelijke uitleg van het woonplaatsbeginsel Nuenen was die inhoudelijk en financieel verantwoordelijk was en bleef voor de jeugdhulp ten behoeve van de jeugdigen. Nuenen heeft in dat kader ook een maatwerkovereenkomst gesloten met de Stichting Kind aan Huis (Dushi Huis, hierna: SKH). Toen de jeugdigen op enig moment (tijdelijk) naar [verlijfplaats] verhuisden, heeft Nuenen Bergen daarbij niet betrokken. In de Jeugdwet is de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor jeugdhulp gekoppeld aan de financiële verantwoordelijkheid. Nuenen kan niet nadat zij zelf jeugdzorg heeft georganiseerd, zonder daarbij Bergen te betrekken, achteraf – pas nadat de jeugdigen feitelijk al uit [verlijfplaats] waren vertrokken – de rekening bij Bergen neerleggen. Van ongerechtvaardigde verrijking, onrechtmatige daad en/of zaakwaarneming is volgens Bergen geen sprake.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Overwegingen
5.1.
Partijen verschillen van mening over de vraag welke gemeente gehouden is om de in 2021 gemaakte kosten van jeugdhulp ten behoeve van de jeugdigen te betalen. De rechtbank stelt vast dat partijen het over de volgende drie uitgangspunten eens zijn: (1.) De vraag welke gemeente (financieel) verantwoordelijk is voor de jeugdhulp van de jeugdigen moet worden beantwoord aan de hand van het in de Jeugdwet opgenomen zogenoemde “woonplaatsbeginsel”. (2.) Op het geschil tussen partijen is het “oude” woonplaatsbeginsel zoals opgenomen in artikel 1.1. van de Jeugdwet (oud) van toepassing. (3.) Het gaat in dit geval om de situatie waarbij de voogdij over de jeugdige berust bij een zogenoemde “gecertificeerde instelling”.
De rechtbank onderschrijft de juistheid van die uitgangspunten en stelt vast dat het op deze zaak van toepassing zijnde woonplaatsbeginsel (van artikel 1.1. van Jeugdwet (oud)) voor zover hier relevant als volgt luidt:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
woonplaats: (…)2°.ingeval de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling: de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige;
Uitleg woonplaatsbeginsel in het kader van de feitelijke omstandigheden van de zaak
5.2.
De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat de jeugdigen tot en met december 2020 verbleven in het voormalige gezinshuis gelegen in Nuenen. Ten tijde van het stopzetten van de zorgverlening door de gezinsouders in oktober 2020 hadden de jeugdigen dan ook conform het woonplaatsbeginsel woonplaats in Nuenen (Voetnoot 1). Na het stopzetten van die zorgverlening rustte daarom naar het oordeel van de rechtbank op grond van de Jeugdwet op Nuenen de taak om - zowel inhoudelijk als financieel - de benodigde (jeugd)hulp voor de jeugdigen te organiseren. Nuenen heeft die taak eind 2020 ook daadwerkelijk - zowel inhoudelijk als financieel - uitgeoefend.
5.2.1.
In het kader van voornoemde taakuitoefening heeft Nuenen op 24 december 2020 een maatwerkovereenkomst gesloten met SKH.
In die maatwerkovereenkomst is voor zover hier relevant het volgende opgenomen:
De overname van de 5 kinderen uit het gezinshuis in Nuenen is op zeer korte termijn overeengekomen. Dushi Huis heeft op het moment van ondertekenen nog geen geschikt pand in/rond Nuenen beschikbaar, en zal de 5 kinderen daarom opvangen op haar locatie [verlijfplaats] (L) gedurende maximaal 6 maanden. In die periode probeert Dushi Huis een geschikte locatie binnen Nuenen te verkrijgen, en op te starten. Gedurende de periode dat de kinderen in [verlijfplaats] (L) verblijven blijft het woonplaatsbeginsel Nuenen van kracht, en verplicht de Nuenen zich tot het betalen van de verleende zorg van Dushi Huis.
5.2.2.
Hieruit volgt dat Nuenen en SKH zijn overeengekomen dat de jeugdigen feitelijk tijdelijk elders (buiten de gemeente Nuenen, namelijk in [verlijfplaats] ) zouden verblijven. Ook volgt hieruit dat dit tijdelijk verblijf elders was bedoeld als overbrugging tot terugkeer naar Nuenen. Daarbij heeft géén overdracht aan Bergen plaatsgevonden. Evenmin is Bergen daarbij op dat moment (op inhoudelijk of financieel gebied) anderszins door Nuenen betrokken. De rechtbank is van oordeel dat hieruit (naast uit de tekst van de overeenkomst) blijkt van een intentie van Nuenen tot uitoefening van haar taak overeenkomstig de Jeugdwet. De rechtbank is van oordeel dat dit een binnen het woonplaatsbeginsel passende benadering is, zodat moet worden aangenomen dat de taak (inclusief financiële verantwoordelijkheid) bij Nuenen is gebleven en niet op enig moment bij Bergen is komen te rusten.
5.3.
Het gevolg hiervan is dat géén sprake is van ongerechtvaardigde verrijking (Voetnoot 2). Het niet-betalen door Bergen kwalificeert namelijk niet als een verrijking omdat er géén verplichting tot betaling bestond (dat wil zeggen: er is geen sprake van besparing van uitgaven aan de zijde van Bergen). Er is ook geen sprake van een onrechtmatige daad (Voetnoot 3). Er is immers geen sprake van een doen of nalaten van Bergen dat als onrechtmatig jegens Nuenen kan worden aangemerkt. Evenmin is sprake van zaakwaarneming (Voetnoot 4) omdat de taakuitoefening door Nuenen de uitoefening van een eigen taak betreft.
5.4.
Hieruit volgt dat de door Nuenen aangevoerde grondslagen het gevorderde niet kunnen dragen. Dit brengt mee dat de vordering moet worden afgewezen.
5.5.
Nuenen is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Bergen worden begroot op:
- griffierecht
€
5.737,00
- salaris advocaat
€
7.004,00
(2,00 punten × € 3.502,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
12.919,00
Beslissing
6.1.
wijst de vorderingen van Nuenen af,
6.2.
veroordeelt Nuenen in de proceskosten van € 12.919,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Nuenen niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.2. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. R. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2024.
type: KB
Voetnoot
Voetnoot 1
op grond van artikel 1.1. van de Jeugdwet (oud) zoals hiervoor geciteerd
Voetnoot 2
ex artikel 6:212 BW
Voetnoot 3
ex artikel 6:162 BW
Voetnoot 4
ex artikel 6:198 BW