Het Openbaar Ministerie en de verdachte hebben als partijen onderling een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken alsmede een voorstel tot afdoening van de zaak zijn opgenomen.
De in voornoemde overeenkomst opgenomen procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging luiden, kort weergegeven, als volgt:
ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt al ingediende onderzoekswensen in;
voert geen bewijs- of strafmaatverweren;
hoeft geen (nadere) verklaring af te leggen;
zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
verklaart in staat en bereid te zijn tot betaling en geen draagkrachtverweer te zullen voeren voor wat betreft de financiële verplichtingen voortvloeiende uit deze strafzaak;
stemt ermee in dat een afschrift van de overeenkomst (en eventuele bijlage(n)) aan het Centraal Justitieel Incassobureau zal worden verstrekt.
Het Openbaar Ministerie zal:
ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten als hiervoor weergegeven en een strafeis vorderen van 4 jaar gevangenisstraf onvoorwaardelijk met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, ook voor wat betreft de uitleveringsdetentie in de Verenigde Arabische Emiraten van 1 juni 2025 tot en met 8 augustus 2025, en een geldboete van € 75.000,- subsidiair 365 dagen hechtenis;
overgaan tot teruggave van de twee in beslag genomen telefoons.
In de overeenkomst is verder opgenomen dat de verdachte bij de totstandkoming daarvan is bijgestaan door een advocaat, dat de verdachte deze overeenkomst vrijwillig is aangegaan en dat hij zich bewust is van de rechtsgevolgen van die procesafspraken (of: overeenkomst).
Voorts zien beide partijen af van het instellen van hoger beroep indien de strafoplegging door de rechtbank conform het afdoeningsvoorstel plaatsvindt.
De rechtbank constateert dat de verdachte in de overeenkomst afstand doet van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten. Op grond van de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd over de totstandkoming en de inhoud van de overeenkomst, stelt de rechtbank vast dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank concludeert dan ook dat is voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) stelt, en zal het afdoeningsvoorstel bij de beoordeling van de vragen van art. 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in overweging nemen.
Ten aanzien van de afspraak om geen hoger beroep in te stellen overweegt de rechtbank dat van het recht om hoger beroep in te stellen niet voorafgaand aan het wijzen van het vonnis afstand kan worden gedaan.
Overwegingen
4
De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, overeenkomstig het afdoeningsvoorstel, gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide aan de verdachte tenlastegelegde feiten.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, overeenkomstig het afdoeningsvoorstel, geen bewijsverweren gevoerd en zich verder ook niet over het bewijs uitgelaten.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft op grond van de bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat de verdachte de feiten zoals tenlastegelegd onder feit 1 en feit 2 heeft begaan zoals hieronder weergegeven onder het kopje ‘de bewezenverklaring’.
Indien - ondanks hetgeen is overeengekomen - tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het vonnis gehecht.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1:
op tijdstippen in de periode van 26 maart 2020 tot en met 6 april 2020 te Nederweert en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft vervoerd,
- omstreeks 2 april 2020 ongeveer 54 kilogram cocaïne en
- omstreeks 4 april 2020 ongeveer 13 kilogram cocaïne en
- omstreeks 6 april 2020 ongeveer 20 kilogram cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2:
op tijdstippen in de periode van 26 maart 2020 tot en met 6 april 2020 te Nederweert en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van hoeveelheden cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- anderen heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen, mede te plegen of daarbij behulpzaam te zijn en/of daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, en
- zich of anderen gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen, vervoermiddelen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,
immers heeft hij verdachte, tezamen en in vereniging met anderen:
- geld en opslagruimte en een stashauto, bestemd voor het bestellen, vervoeren, opslaan, verbergen, afleveren, verstrekken, kopen en financieren van eerdergenoemde harddrugs voorhanden gehad en
- een telefoon met 'encrochat' voorhanden gehad en
- ( telefonische) contacten en ontmoetingen en besprekingen en afspraken gehad en/of gemaakt met transporteurs, chauffeurs, financiers, verkopers, tussenpersonen, verleners van hand- en spandiensten en anderen met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, levering, betaling, koop, opslag en vervoer van eerder genoemde harddrugs en
- eerdergenoemde personen voorzien van informatie en opdrachten en geld en een (tijdelijke) opslagplaats ten behoeve van het vervoeren, opslaan, verbergen, kopen en financieren van eerdergenoemde harddrugs en
- tot voren omschreven feiten opdracht gegeven en daartoe hand- en spandiensten verricht.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
feit 2:
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door:
- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen of medeplegen;
- een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;
- zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen;
- voorwerpen, vervoermiddelen en gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn voor het plegen van dat feit, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 4.4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 5 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte voor feit 1 en feit 2 tot een gevangenisstraf van 4 jaar;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in uitleveringsdetentie en voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
veroordeelt de verdachte voor feit 1 en feit 2 tot een geldboete van € 75.000,-;
beveelt dat, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal volgt, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 295 dagen;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.H. van den Hombergh, voorzitter, mr. C.P.W. van Well en mr. dr. W. Kieboom, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.J.M. Goris, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 9 februari 2026.
Buiten staat
Mr. dr. W. Kieboom is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 maart 2020 tot en met 6 april 2020 te Nederweert en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- op of omstreeks 2 april 2020 (ongeveer) 54 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- op of omstreeks 4 april 2020 (ongeveer) 13 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- op of omstreeks 6 april 2020 (ongeveer) 20 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2:
hij op één of meer tijdstip(pen)in of omstreeks de periode van 26 maart 2020 tot en met 6 april 2020 te Nederweert en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- zich of (een) ander(en) gelegenheid, middelen, inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft hij verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens):
- geld en/of opslagruimte en/of een stashauto, bestemd voor het bestellen, vervoeren, opslaan, verbergen, afleveren, verstrekken, kopen, financieren van eerdergenoemde harddrugs voorhanden gehad en/of
- een telefoon met 'encrochat' voorhanden heeft gehad en/of
- ( telefonische) contact(en) en/of (een) ontmoetingen en/of (een) bespreking(en) en/of (een) afspra(a)k(en) gehad en/of gemaakt met een of meer transporteur(s), chauffeur(s), financier(s), afnemer(s), verkoper(s), tussenperso(o)n(en), verlener(s) van hand- en spandiensten en/of ander(en) met betrekking tot de hoeveelheid, prijs, kwaliteit, export, import, levering, betaling, koop, opslag en/of vervoer van eerder genoemde harddrugs en/of
- een of meer van eerdergenoemd(e) perso(o)n(en) voorzien van informatie en/of opdrachten en/of geld en/of een (tijdelijke) opslagplaats ten behoeve van het vervoeren, opslaan, verbergen, afleveren, verstrekken, kopen en/of financieren van eerdergenoemde harddrugs en/of
- tot voren omschreven feiten opdracht gegeven en/of daartoe hand- en spandiensten verricht;