Rechtbank Limburg, eerste aanleg - meervoudig strafrecht overig

ECLI:NL:RBLIM:2026:2103

Op 4 March 2026 heeft de Rechtbank Limburg een eerste aanleg - meervoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 03.242704.25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBLIM:2026:2103. De plaats van zitting was Maastricht.

Soort procedure:
Instantie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
03.242704.25
Datum uitspraak:
4 March 2026
Datum publicatie:
4 March 2026

Indicatie

Veroordeling voor aanranding zestienminner en opzetaanranding. Vrijspraak voor het tonen van beeldmateriaal met een onmiskenbare seksuele strekking aan zestienminner en seksuele intimidatie in het openbaar. Taakstrafverbod niet van toepassing op onderhavige feiten nu er geen sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 uren.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht

Strafrecht

Parketnummer : 03.242704.25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 4 maart 2026

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1990,

wonende te [adres] .

De verdachte wordt bijgestaan door mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam.

1
Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 18 februari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

De slachtoffers [naam 1] en [naam 2] hebben zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens mevrouw [naam 1] is op de zitting gehoord mr. Scheepers, advocaat te Venlo. Mr. Scheepers heeft op de zitting het spreekrecht voor mevrouw [naam 1] uitgeoefend. Namens mevrouw [naam 2] is op de zitting gehoord mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Slachtofferhulp Nederland. Mevrouw [naam 2] heeft op de zitting het spreekrecht uitgeoefend. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2
De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte omstreeks 5 juli 2025:

Feit 1: [naam 1] heeft aangerand;

Feit 2: [naam 2] heeft aangerand;

Feit 3: aan [naam 1] beeldmateriaal heeft getoond met een onmiskenbare seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren;

Feit 4: [naam 2] in het openbaar indringend seksueel heeft benaderd.

Overwegingen

3
De beoordeling van het bewijs
3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 3 en bewezenverklaring van de feiten 1, 2 en 4.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Volgens de raadsman zijn de verklaringen van aangeefsters [naam 1] en [naam 2] onbetrouwbaar en onbruikbaar, nu de verklaringen op wezenlijke punten uiteenlopen en omdat aangeefsters met elkaar hebben gesproken over wat er was gebeurd voordat zij aangifte hebben gedaan, wat leidt tot beïnvloeding over en weer.

3.3

Het oordeel van de rechtbank  (Voetnoot 1)

Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank het volgende voorop.

In artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet mag worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat het de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de feiten en omstandigheden die door de aangever of getuige worden genoemd op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad staat hier tegenover dat, met name in zedenzaken, een geringe mate aan steunbewijs, in combinatie met geloof-waardige verklaringen van het slachtoffer, toch het volgens de wet vereiste minimum aan bewijs kan opleveren.

De vraag of voldoende steunbewijs aanwezig is, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval. Wel zijn daarvoor enige aanknopingspunten in de jurisprudentie te vinden. Zo moet het steunbewijs ‘voldoende steun’ geven aan de verklaring van de aangever of de getuige. Het ondersteunend bewijsmateriaal moet daarbij uit een andere bron dan het slachtoffer afkomstig zijn en mag niet in een te ver verwijderd verband staan met de verklaring van het slachtoffer. In sommige gevallen kan een verklaring van een getuige die niet ter plaatse aanwezig is geweest, echter wel als steunbewijs worden aangenomen. Dit kan als de getuigenverklaring ook een eigen waarneming inhoudt van de emotionele of fysieke toestand van het slachtoffer vlak nadat het zedenfeit zou zijn gepleegd.

Vrijspraakoverwegingen: feit 3 en 4

Feit 3:

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat de verdachte met aangeefsters heeft gesproken over een vrouw waar hij mee aan het daten was, en dat hij beeldmateriaal van haar heeft getoond aan [naam 1] en [naam 2] . De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat op basis van het dossier enkel kan worden vastgesteld dat het beeldmateriaal betreft van een vrouw met een ontbloot bovenlijf, maar dat daarmee niet kan worden vastgesteld het beeldmateriaal van zodanig seksuele aard of met een zodanig onmiskenbare seksuele strekking was dat dit schadelijk te achten is voor kinderen onder de zestien jaar. Daarbij weegt de rechtbank mee dat [naam 1] ten tijde van het tenlastegelegde bijna de leeftijd van zestien jaren had bereikt. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van feit 3.

Feit 4:

Voor een bewezenverklaring van seksuele straatintimidatie dient de rechtbank te beoordelen of de verdachte aangeefster [naam 2] seksueel heeft benaderd, waarbij het moet gaan om opmerkingen, gebaren, geluiden en/of aanrakingen zodanig indringend op een wijze dat dit vreesaanjagend, vernederend, kwetsend en/of onterend was te achten door aangeefster. De rechtbank acht op basis van de aangiftes van [naam 2] en [naam 1] wel bewezen dat de verdachte condooms aan [naam 2] heeft getoond. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat deze gedraging van de verdachte, onder de geschetste omstandigheden, ongebruikelijk en bedenkelijk zijn. Echter, voor de overige verfeitelijkingen op de tenlastelegging, alsmede het ‘(daarbij) aan [naam 2] vragen of hij haar moest helpen’, acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het enkele tonen van de condooms op zichzelf, niet als een zodanig seksueel indringend gebaar dat dit vreesaanjagend, vernederend, kwetsend en/of onterend was te achten door aangeefster. Gelet op voorgaande zal de rechtbank de verdachte integraal vrijspreken van feit 4.

Bewijsmiddelen: feit 1 en 2

De rechtbank gebruikt ten aanzien van de tenlastegelegde feiten de volgende bewijsmiddelen, die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder weergegeven.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:  (Voetnoot 2)

Op 4 juli 2025 was ik samen met mijn vriendin [naam 2] op het festival Stereo Sunday in Venlo. Omstreeks 22:00 uur kwam ik een oude docent van mij tegen, [verdachte] , werkzaam op het [school] . Mijn vriendin en ik raakten bij de toiletten met hem aan de praat. Op een gegeven moment vroeg hij om een foto met ons en zijn wij met hem op de foto gegaan. Vervolgens gaf hij ons een knuffel en is hij bij ons weg gegaan. Op 5 juni 2025 (de rechtbank begrijpt: 5 juli 2025) omstreeks 00:00 uur kwamen wij mijn oude docent weer op het festival terrein tegen en raakten wij weer aan de praat. (..) Toen zei hij dat hij er weer vandoor ging. Mijn voormalige docent gaf mij toen een knuffel. Hierbij plaatste hij zijn hand op mijn rechterbil en kneep hierbij twee keer in mijn rechterbil. Ik voelde direct een soort angst. Ik vertelde aan mijn vriendin wat er zojuist was gebeurd. Hierbij moest ik huilen. Hierop stelde mijn vriendin voor om even apart bij de toiletten te bespreken wat er was gebeurd. Toen kwam naar boven dat mijn voormalige docent niet alleen aan mijn billen had gezeten maar ook aan die van haar. Wij waren beide overstuur door wat er was gebeurd.

Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:  (Voetnoot 3)

Op 4 juli 2025 was ik samen met [naam 1] naar het evenement Stereo Sunday in Venlo geweest. Tussen 23:00 en 00:00 uur kwam ik [naam 4] tegen bij de wc’s. [verdachte] is mijn oud-docent van het [school] . [verdachte] wilde een foto maken met [naam 1] en mij. Hierop maakten we samen een foto. We gingen weer verder feesten. Toen kwamen we [verdachte] weer tegen. (..) Ik hoorde [verdachte] vragen of hij nog een foto met ons mocht maken. Ik gaf hiervoor toestemming. Tijdens het maken van de foto voelde ik dat [verdachte] met zijn rechterhand op mijn kont zat. Ik vond dit niet fijn maar durfde dit niet tegen [verdachte] te zeggen. (..) Op een gegeven moment kwam [naam 1] naar mij toe en vroeg of we konden gaan. Ik hoorde [naam 1] tegen mij zeggen dat zij door [verdachte] in haar kont was geknepen. Hierop ben ik met [naam 1] richting de wc gegaan waarop wij in de wc met elkaar gingen praten over wat hij bij ons allebei had gedaan. Daarna ben ik naar een beveiliger van het evenement gelopen en heb ik mijn verhaal gedaan.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:  (Voetnoot 4)

Op 5 juli 2025 was ik werkzaam als beveiliger op het evenement Stereo Sunday. Omstreeks 01:00 uur stond ik op mijn post bij de toiletten. Ik zag dat er een meisje volledig overstuur naar mij toe kwam gelopen. Ik vroeg wat er aan de hand was maar ik zag dat het meisje niet uit haar woorden kwam. Ik troostte het meisje en zag dat ze iets rustiger werd. Ze vertelde dat haar vriendin net was aangerand door een oud leraar van hen. We liepen samen naar de vriendin van het meisje. Ik zag dat haar vriendin ook heel erg overstuur was en zag dat ze aan het huilen was. De vriendin vertelde dat een oud leraar van haar aan haar had gezeten. Beide meiden waren echt overstuur van het hele incident. Het duurde een tijdje voordat de meiden rustig waren en hun verhaal konden doen.

Bewijsoverweging: feit 1 en 2

De verdediging heeft bepleit dat de verklaringen van aangeefsters [naam 1] en [naam 2] onbetrouwbaar en onbruikbaar zijn, nu de verklaringen op wezenlijke punten uiteenlopen en omdat aangeefsters met elkaar hebben gesproken over wat er was gebeurd voordat zij aangifte hebben gedaan, wat leidt tot beïnvloeding over en weer.

De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging aangevoerd geen reden om aan de verklaringen van aangeefsters te twijfelen. Daartoe is het volgende van belang.

De verklaringen van [naam 1] en [naam 2] over het verloop van de avond en de omstandigheden waaronder de aanrandingen hebben plaatsgevonden, komen op essentiële punten overeen. Allebei de aangeefsters verklaren dat zij de verdachte twee keer zijn tegengekomen die avond, zij met hem een foto hebben gemaakt, dat is gesproken over een vrouw met wie de verdachte aan het daten was en dat de verdachte aan [naam 2] condooms heeft getoond. Dat er op detailniveau verschillen tussen de verklaringen van beide aangevers zijn aan te wijzen, valt naar het oordeel van de rechtbank te verklaren door het feit dat zij vanuit hun eigen perspectief hebben verklaard over wat hen die avond is overkomen. Daarbij is het niet ongebruikelijk dat de waarnemingen van getuigen verschillen. Sterker nog, de verklaringen kunnen niet hetzelfde zijn, nu [naam 1] en [naam 2] elkaars aanranding niet hebben waargenomen. Dit is voor de rechtbank eveneens redengevend voor het feit dat er geen sprake is van beïnvloeding van elkaar. Beide aangeefsters verklaren in hun aangifte slechts over hun eigen aanranding en niet over een waarneming van de aanranding van de ander, terwijl zij daar enkele momenten daarvoor wel met elkaar op de toiletten over hebben gesproken. Tot slot spreken de verklaringen elkaar in de kern, namelijk dat de verdachte hen allebei onverhoeds, seksueel heeft aangeraakt, ook niet tegen.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaringen van [naam 1] en [naam 2] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De verklaringen dienen immers over en weer als steunbewijs, nu zij beide verklaren dat ze van elkaar hebben gehoord dat de verdachte de ander ook in een bil heeft geknepen, dan wel de bil heeft betast.

Bovendien biedt de verklaring van getuige [naam 5] voldoende steun aan de aangifte van zowel [naam 1] als [naam 2] . Zij heeft allebei de aangeefsters hevig overstuur gezien, waarbij het een tijdje duurde voordat zij konden vertellen wat er was gebeurd. Daarmee heeft zij de gemoedstoestand van beide slachtoffers waargenomen heel kort nadat de aanrandingen hadden plaatsgevonden.

Gelet op het voorgaande vinden de verklaringen van zowel [naam 1] als [naam 2] voldoende steun in ander bewijsmateriaal. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte [naam 1] heeft aangerand door het onverhoeds knijpen in haar bil. De rechtbank acht tevens bewezen dat de verdachte [naam 2] heeft aangerand door het onverhoeds betasten van haar bil.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte

Feit 1:

omstreeks 5 juli 2025 in de gemeente Venlo met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009, seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (onverhoeds) knijpen in een bil van die [naam 1] ;

Feit 2:

omstreeks 5 juli 2025 in de gemeente Venlo met een persoon, te weten [naam 2] een seksuele handeling heeft verricht, te weten het (onverhoeds) aanraken en/of betasten van een bil van die [naam 2] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [naam 2] daartoe de wil ontbrak;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4
De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

Aanranding in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;

Feit 2:

Opzetaanranding.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5
De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6
De straf
6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis voor feit 1 en feit 2. Voor feit 4 heeft de officier van justitie gevorderd op te leggen een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan de verdachte – vanwege het taakstrafverbod voor feit 1 – één dag gevangenisstraf op te leggen, in combinatie met een taakstraf van korte duur dan geëist door de officier van justitie. De raadsman haalt daarbij aan dat de gevolgen van deze zaak al erg groot zijn voor de verdachte, nu hij zijn baan in het onderwijs inmiddels kwijt is en bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde nooit meer in aanmerking zal komen voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van twee oud-leerlingen door hen in hun bil te knijpen dan wel hun bil te betasten. De verdachte heeft hierdoor de lichamelijke integriteit van de slachtoffers geschonden en is hiermee een duidelijke grens overgegaan. Deze onverhoedse aanrakingen kunnen bijdragen aan de onveiligheidsgevoelens van slachtoffers zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen ter zitting. Daar heeft de verdachte zich niet om bekommerd.

De rechtbank overweegt dat weliswaar sprake is van een inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers, maar dat het is gebleven bij het knijpen dan wel het betasten van een bil van de meisjes en er geen verdergaande seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank is derhalve van oordeel dat gelet op de aard van de inbreuk op de lichamelijke integriteit van [naam 1] en [naam 2] , het taakstrafverbod, zoals bepaald in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, niet van toepassing is op onderhavige feiten.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat verder gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, maar heeft ook meegewogen dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. De reclassering ziet ook geen redenen voor het opleggen van reclasseringstoezicht of bijzondere voorwaarden. Bovendien heeft de rechtbank, zonder afbreuk te doen aan de ernst van de feiten, rekening gehouden met de vergaande gevolgen van onderhavige verdenking voor de verdachte, nu hij zijn baan in het onderwijs heeft verloren en nooit meer in aanmerking zal komen voor een VOG.

Gelet op voorgaande, zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zoals door de officier van justitie is geëist, nu niet is gebleken dat voor herhaling moet worden gevreesd. De rechtbank ziet mede vanwege dat laatste, en gelet op het feit dat er geen contact meer is geweest tussen de verdachte en de slachtoffers, geen aanleiding voor het opleggen van een contactverbod met de slachtoffers.

7
De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
7.1

De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 750,- bestaande uit immateriële schade, en € 270,- proceskosten ter zake van feit 1.

De benadeelde partij [naam 2] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 2.532,- bestaande uit € 32,- materiële schade, en € 2.500,- immateriële schade ter zake van feit 2.

De benadeelde partijen verzoeken beiden hierbij de toekenning van de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de officier van justitie

De benadeelde partij [naam 1]

De officier van justitie heeft gerekwireerd de vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [naam 2]

De officier van justitie heeft gerekwireerd de gevorderde materiële schade toe te wijzen en de immateriële schade lager vast te stellen, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De benadeelde partij [naam 1]

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak van feit 1. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de schade aanzienlijk lager vast te stellen.

De benadeelde partij [naam 2]

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite vrijspraak van feit 2. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de schade aanzienlijk lager vast te stellen.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [naam 1] (feit 1)

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van de bewezenverklaarde aanranding door de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 250,- billijk. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 5 juli 2025. De rechtbank zal voor dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij en zal deze overeenkomstig het verzoek van de benadeelde begroten op € 270,-, nu de (hoogte van de) gevraagde proceskosten aan de zijde van de verdachte niet zijn weersproken.

De benadeelde partij [naam 2] (feit 2)

Materiële schade

De benadeelde partij heeft de reiskosten van haar huis naar het kantoor van Slachtofferhulp Nederland gevorderd als materiële schade. De rechtbank is van oordeel dat deze schade niet is aan te merken als schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, Sv, en zal de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van de vordering.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft aangevoerd dat zij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van de bewezenverklaarde aanranding door de verdachte. Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending door de verdachte meebrengt dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in haar eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op alle omstandigheden en de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, acht de rechtbank een vergoeding van een bedrag van € 250,- billijk. De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 250,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 5 juli 2025. De rechtbank zal voor dit bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8
De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 57, 241 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

9
De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 3 en feit 4;

Bewezenverklaring

verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;

spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;

verklaart de verdachte strafbaar;

Taakstraf

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren;

beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen

[naam 1] (feit 1)

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van

€ 250,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering voor het overige af;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 270,-, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] , van een bedrag van € 250,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

[naam 2] (feit 2)

- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van

€ 250,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst de vordering wat betreft de immateriële schade voor het overige af;

bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering bestaande uit materiële schade niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 2] , van een bedrag van € 250,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C.A.M. Philippart, voorzitter, mr. M.M. Beije en

mr. E.B.A. Ferwerda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.R.G. Rebergen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 maart 2026.

BIJLAGE I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

T.a.v. feit 1:

hij op of omstreeks 5 juli 2025 in de gemeente Venlo met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009, een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het meermalen, althans eenmaal, (telkens)

(onverhoeds) aanraken en/of betasten van en/of knijpen in een bil van die [naam 1] ;

T.a.v. feit 2:

hij op of omstreeks 5 juli 2025 in de gemeente Venlo met een persoon, te weten [naam 2]

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het (onverhoeds) aanraken en/of betasten van een bil van die [naam 2] , terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [naam 2] daartoe de wil ontbrak;

T.a.v. feit 3:

hij op of omstreeks 5 juli 2025 in de gemeente Venlo een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [naam 1] , geboren op [geboortedag 2] 2009, getuige heeft doen zijn van een visuele weergave van seksuele aard en/of met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door aan die [naam 1] een of meer foto's en/of video's te tonen, waarop een vrouw te zien was met (gedeeltelijk) ontbloot bovenlijf en/of lichaam;

T.a.v. feit 4:

hij op of omstreeks 5 juli 2025 in de gemeente Venlo in het openbaar een ander, te weten [naam 2] indringend seksueel heeft benaderd, door middel van een of meer opmerkingen, gebaren, geluiden en/of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend, kwetsend en/of onterend was te achten, door

- een of meer condoom(s) aan die [naam 2] te tonen en/of

- ( daarbij) aan die [naam 2] te vragen of hij haar moest helpen en/of

- naar de borsten van die [naam 2] te wijzen en/of

- het shirt van die [naam 2] vast te pakken en/of (vervolgens) naar beneden te trekken en/of

- ( daarbij) aan die [naam 2] toe te voegen (de) woorden (van de strekking): "Zo!".

Voetnoot

Voetnoot 1

Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, zaaksregistratienummer PL2300-2025111832, gesloten op 8 juli 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 59.

Voetnoot 2

Proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 5 juli 2025, pg. 6-7.

Voetnoot 3

Proces-verbaal van aangifte van [naam 2] van 5 juli 2025, pg. 10-11.

Voetnoot 4

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 5] van 5 juli 2025, pg. 14.